Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4546
2026-04-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/442779 / FA RK 25-6320
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gelasten DNA-onderzoek tussen minderjarige en juridische vader.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.123 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/442779 / FA RK 25-6320
Datum uitspraak: 24 april 2026
beschikking over gegrondverklaring ontkenning vaderschap
in de zaak van
de (voorheen) minderjarige [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008, hierna: [minderjarige] ,
wonende te [plaats 1] ,
vertegenwoordigd door mr. Y.I.B. Grosfeld in haar hoedanigheid van bijzondere curator.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de moeder]
,
hierna: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de juridische vader]
,
hierna: de juridische vader,
wonende in [plaats 2] ,
Als informanten in deze zaak worden aangemerkt:
dhr. [pleegouder 1] en mevr. [pleegouder 2],
hierna: de pleegouders,
wonende te [plaats 1] .
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
de beschikking van de rechtbank tot benoeming van mr. Y.I.B. Grosfeld tot bijzondere curator over [minderjarige] van 14 mei 2025 in de zaak met zaaknummer C/02/432396 / FA RK 25-1013 en alle daarin vermelde stukken;
het op 7 december 2025 ontvangen verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige] met bijlagen;
de brief van de bijzondere curator van 8 januari 2026 met bijlagen;
de op 30 januari 2026 ontvangen intrekking van het verzoek en het nieuwe verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige] ;
de brief van de griffier van de rechtbank van 9 maart 2026 aan de bijzondere curator;
de brief van de bijzondere curator van 19 april 2026 met bijlagen;
een afschrift van de geboorteakte over [minderjarige] .
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 17 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen [minderjarige] , de bijzondere curator, de moeder en de pleegouders.
De juridische vader is juist opgeroepen, maar is niet gekomen.
2Het verzoek
2.1
De bijzondere curator heeft oorspronkelijk verzocht om de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader te vernietigen. Dit verzoekt heeft de bijzondere curator ingetrokken, toen haar bleek dat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] met de juridische vader was getrouwd.
2.2
Thans verzoekt de bijzondere curator namens [minderjarige] , samengevat, om gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en (zo nodig) de achternaam van [minderjarige] te wijzigen naar de achternaam van zijn moeder, aldus naar: [achternaam van de moeder] .
3De beoordeling
3.1
Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:
- De juridische vader en de moeder zijn op [datum] 2001 te [plaats 2] met elkaar gehuwd.
- De moeder is op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] bevallen van [minderjarige] .
- De juridische vader staat als vader geregistreerd op de geboorteakte van [minderjarige] .
- Bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 juli 2009 is in het huwelijk tussen de moeder en de juridische vader de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 19 oktober 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De bijzondere curator heeft namens [minderjarige] aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de juridische vader niet de biologische vader is van [minderjarige] . [minderjarige] heeft de bijzondere curator daarnaast uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij geen enkel contact heeft met de juridische vader en dat hij hem zelfs nog nooit heeft gezien. Hij wil niets liever dan dat zijn achternaam gewijzigd wordt naar de achternaam van zijn moeder. [minderjarige] heeft ook niets van zijn juridische vader te verwachten. Nu de GI in haar verzoek tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] al had aangegeven dat de moeder kan bevestigen dat de juridische vader niet de biologische vader is van [minderjarige] en dat hij op geen enkele manier betrokken is in het leven van [minderjarige] , staat niets aan een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in de weg. De moeder staat ook achter dit verzoek. Verder is het belang van [minderjarige] met een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap gediend. Hierdoor zal [minderjarige] , zoals hij wenst, de achternaam van zijn moeder krijgen.
3.3
[minderjarige] heeft op de zitting aangevoerd dat hij de juridische vader niet kent. Hij wil van de achternaam van de juridische vader af. De heer [persoon 1] is zijn biologische vader. Dat heeft de heer [persoon 1] ook tegen hem gezegd. [minderjarige] heeft af en toe appcontact met hem.
3.4
De moeder heeft op de zitting aangevoerd dat zij inderdaad op [datum] 2001 met de juridische vader is getrouwd. Hij is echter niet de biologische vader van [minderjarige] . Dit is de heer [persoon 1] . De heer [persoon 1] kon [minderjarige] niet als zijn kind erkennen, omdat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] nog getrouwd was met de juridische vader. De heer [persoon 1] is ook de biologische vader van de zus van [minderjarige] , [persoon 2] . De heer [persoon 1] , [minderjarige] en [persoon 2] zijn vroeger bij de huisarts geweest voor een DNA-onderzoek. Bij alle drie heeft de huisarts toen wangslijmvlies afgenomen. De heer [persoon 1] had echter geen geld voor een DNA-onderzoek. Daarom hebben zij geen uitslag hiervan ontvangen. De juridische vader zit momenteel in de zwerversopvang. De moeder heeft geen contact meer met hem. Ook heeft zij geen contact meer met de heer [persoon 1] .
3.5
De pleegmoeder heeft op de zitting bevestigd dat bij de huisarts middels een DNA-onderzoek geprobeerd is om het biologisch vaderschap van de heer [persoon 1] ten aanzien van [persoon 2] en [minderjarige] vast te stellen. Dit heeft echter niet tot een resultaat geleid. Een paar jaar geleden is op basis van een DNA-onderzoek wel komen vast te staan dat de heer [persoon 1] de biologische vader is van [persoon 2] . [persoon 2] heeft hierover destijds een telefoontje gehad.
3.6
De rechtbank heeft op de zitting aangegeven dat zij op basis van de thans aanwezige stukken niet zal overgaan tot toewijzing van het verzoek van de bijzonder curator namens [minderjarige] . Hiervoor is het verzoek te summier onderbouwd.
3.7
De rechtbank heeft vervolgens de bijzondere curator de gelegenheid gegeven om het verzoek voor de nadere zitting op 23 april 2026 nader te onderbouwen. Dit kan bijvoorbeeld met:
- een DNA-onderzoek van [minderjarige] en de juridische vader óf van [minderjarige] en de heer [persoon 1] ;
- de uitslag van het DNA-onderzoek van de heer [persoon 1] en [persoon 2] én een DNA-onderzoek van [persoon 2] en [minderjarige] ;
- een verklaring van de heer [persoon 1] en [persoon 2] dat uit het DNA-onderzoek van hen beiden is gebleken dat zij biologische vader en dochter zijn én een DNA-onderzoek van [persoon 2] en [minderjarige] .
Daarnaast heeft de rechtbank de bijzondere curator verzocht om de rechtbank in het bezit te stellen van de al gevraagde stukken over het huwelijk van de juridische vader en de moeder en om het verzoek dat zij namens [minderjarige] heeft gedaan nader te onderbouwen met het verhaal van [minderjarige] zelf.
3.7
De bijzondere curator heeft bij brief van 19 april 2026 aangevoerd dat het, ondanks pogingen van partijen, niet is gelukt om met bewijs te komen. [minderjarige] en de moeder willen
meewerken en het uitzoeken, maar de juridische vader weigert mee te werken. Hij is net uit
detentie. Ook de heer [persoon 1] en [persoon 2] weigeren alle medewerking. Dit leidt er toe dat niet op basis van resultaten van een DNA-onderzoek kan worden vastgesteld dat de juridische vader niet de verwekker is van [minderjarige] . Het is dan aan de rechtbank om aan de weigering van de juridische vader om mee te werken aan een DNA-onderzoek de gevolgen te verbinden die de rechtbank juist acht. Het is voor de bijzondere curator niet mogelijk om de juridische vader te dwingen om aan een DNA-onderzoek mee te werken. Zij vraagt zich af of de rechtbank hiertoe nog mogelijkheden ziet. Gelet hierop is de bijzondere curator van mening dat de zitting van 23 april 2026 weinig zin heeft. Daarom verzoekt zij om de zaak verder schriftelijk af te doen.
3.8
De rechtbank overweegt als volgt.
3.9
Nu de bijzondere curator haar oorspronkelijke verzoek om de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader te vernietigen heeft ingetrokken, zal de rechtbank beslissen op het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader.
Juridisch vaderschap
3.10
Ingevolge artikel 1:199, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de (juridische) vader van een kind de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd.
3.11
Op basis van de overgelegde stukken staat vast dat de moeder en de juridische vader op [datum] 2001 te [plaats 2] met elkaar zijn gehuwd. Dit huwelijk is op 19 oktober 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Omdat [minderjarige] is geboren op [geboortedag] 2008, is hij binnen het huwelijk tussen de moeder en de juridische vader geboren. Dit betekent dat de juridische vader als juridische vader van [minderjarige] wordt aangemerkt.
Gegrondverklaring ontkenning vaderschap
3.12
In artikel 1:200, eerste lid BW staat dat, voor zover hier van belang, gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap kan worden verzocht door het kind op de grond dat de man niet de biologische vader is van het kind. In het zesde lid van dit artikel staat dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap door het kind moet worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Als het kind pas gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
Het verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige] is aldus tijdig ingediend.
3.13
Zoals de rechtbank op de zitting van 17 maart 2026 al heeft aangegeven is het verzoek van de bijzondere curator te summier onderbouwd om tot toewijzing hiervan over te kunnen gaan. Zoals blijkt uit haar brief van 19 april 2026, is het de bijzondere curator niet gelukt om met een nadere onderbouwing te komen. De rechtbank acht vooralsnog een nadere onderbouwing wel nodig en wel in de vorm van het resultaat van een rechtsgeldig DNA-onderzoek tussen [minderjarige] en de juridische vader. Bij de belangenafweging, schending van de privacy en lichamelijke integriteit van de juridische vader enerzijds en het belang van [minderjarige] om niet meer ermee te worden geconfronteerd dat er een onjuiste naam als vader vermeld staat op zijn geboorteakte anderzijds, heeft de rechtbank de belangen van [minderjarige] zwaarder laten wegen. Omdat slechts met een DNA-onderzoek zekerheid kan worden verkregen omtrent de afstamming, acht de rechtbank een DNA-onderzoek een juiste en geoorloofde onderzoeksmethode. De juridische vader is verplicht om aan dit verzoek mee te werken. Doet hij dit niet, dan zal de rechtbank een beslissing nemen die haar geraden voorkomt. Het zou dan ook kunnen dat aan de juridische vader dwangsommen opgelegd gaan worden indien daartoe een verzoek wordt gedaan.
DNA-onderzoek
3.14
De rechtbank zal daarom een DNA-onderzoek gelasten waarin wordt gevraagd of de juridische vader de biologische vader is van [minderjarige] . De rechtbank zal Verilabs als deskundige benoemen om dit DNA-onderzoek te doen. De juridische vader en [minderjarige] moeten voor het maken van een afspraak voor dit onderzoek zelf telefonisch contact opnemen met deze deskundige. Hiervoor moeten zij bellen met telefoonnummer 085-105 1415. Zij moeten dit binnen één maand na het geven van deze beschikking doen.
Betaling voorschot
3.15
De rechtbank zal de bijzondere curator, namens [minderjarige] , belasten met de betaling van het voorschot van het deskundigenonderzoek. Omdat de bijzondere curator op basis van een toevoeging procedeert, zal de rechtbank bepalen dat het voorschot vooralsnog zal worden betaald uit ‘s Rijks kas.
3.16
De rechtbank overweegt dat de beslissing ten aanzien van het voorschot nog niets zegt over de uiteindelijke beslissing over de definitieve kosten van het deskundigenonderzoek. De definitieve kosten van voormeld DNA-onderzoek en de verdeling van die kosten tussen partijen, zal de rechtbank op een later moment vaststellen, mede aan de hand van de uitkomst van het DNA-onderzoek en aan de hand van de dan bekende feiten en omstandigheden. Op grond van artikel 244 lid 2 Rv, geldt als uitgangspunt dat de rechter vaststelt welk deel van de kosten van de deskundige ieder van de partijen dient te dragen. De wet laat in principe geen ruimte om die kosten voor ’s Rijks kas te laten komen, echter wellicht geeft deze zaak aanleiding om van dit principe af te wijken. Daarover zal in een later stadium besloten worden.
3.17
De verdere behandeling van de zaak zal in afwachting van het rapport van de deskundige worden aangehouden. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
gelast een DNA-onderzoek met betrekking tot de vraag of de juridische vader de biologische vader is van [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008;
4.2
benoemt Verilabs, Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag;
4.3
bepaalt het voorschot op € 847.= (achthonderd en zevenenveertig euro) (inclusief BTW);
4.4
bepaalt dat voornoemd voorschot vooralsnog ten laste komt van ’s Rijks kas;
4.5
bepaalt dat de benoemde deskundige zijn werkzaamheden zal aanvangen en -zo mogelijk- binnen drie maanden daarna schriftelijk aan de rechtbank zal rapporteren;
4.6
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;
4.7
houdt iedere verdere beslissing aan tot 4 augustus 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van de deskundige;
4.8
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/442779 / FA RK 25-6320
Datum uitspraak: 24 april 2026
beschikking over gegrondverklaring ontkenning vaderschap
in de zaak van
de (voorheen) minderjarige [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008, hierna: [minderjarige] ,
wonende te [plaats 1] ,
vertegenwoordigd door mr. Y.I.B. Grosfeld in haar hoedanigheid van bijzondere curator.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de moeder]
,
hierna: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de juridische vader]
,
hierna: de juridische vader,
wonende in [plaats 2] ,
Als informanten in deze zaak worden aangemerkt:
dhr. [pleegouder 1] en mevr. [pleegouder 2],
hierna: de pleegouders,
wonende te [plaats 1] .
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
de beschikking van de rechtbank tot benoeming van mr. Y.I.B. Grosfeld tot bijzondere curator over [minderjarige] van 14 mei 2025 in de zaak met zaaknummer C/02/432396 / FA RK 25-1013 en alle daarin vermelde stukken;
het op 7 december 2025 ontvangen verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige] met bijlagen;
de brief van de bijzondere curator van 8 januari 2026 met bijlagen;
de op 30 januari 2026 ontvangen intrekking van het verzoek en het nieuwe verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige] ;
de brief van de griffier van de rechtbank van 9 maart 2026 aan de bijzondere curator;
de brief van de bijzondere curator van 19 april 2026 met bijlagen;
een afschrift van de geboorteakte over [minderjarige] .
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 17 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen [minderjarige] , de bijzondere curator, de moeder en de pleegouders.
De juridische vader is juist opgeroepen, maar is niet gekomen.
2Het verzoek
2.1
De bijzondere curator heeft oorspronkelijk verzocht om de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader te vernietigen. Dit verzoekt heeft de bijzondere curator ingetrokken, toen haar bleek dat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] met de juridische vader was getrouwd.
2.2
Thans verzoekt de bijzondere curator namens [minderjarige] , samengevat, om gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en (zo nodig) de achternaam van [minderjarige] te wijzigen naar de achternaam van zijn moeder, aldus naar: [achternaam van de moeder] .
3De beoordeling
3.1
Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:
- De juridische vader en de moeder zijn op [datum] 2001 te [plaats 2] met elkaar gehuwd.
- De moeder is op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] bevallen van [minderjarige] .
- De juridische vader staat als vader geregistreerd op de geboorteakte van [minderjarige] .
- Bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 juli 2009 is in het huwelijk tussen de moeder en de juridische vader de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 19 oktober 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De bijzondere curator heeft namens [minderjarige] aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de juridische vader niet de biologische vader is van [minderjarige] . [minderjarige] heeft de bijzondere curator daarnaast uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij geen enkel contact heeft met de juridische vader en dat hij hem zelfs nog nooit heeft gezien. Hij wil niets liever dan dat zijn achternaam gewijzigd wordt naar de achternaam van zijn moeder. [minderjarige] heeft ook niets van zijn juridische vader te verwachten. Nu de GI in haar verzoek tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] al had aangegeven dat de moeder kan bevestigen dat de juridische vader niet de biologische vader is van [minderjarige] en dat hij op geen enkele manier betrokken is in het leven van [minderjarige] , staat niets aan een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in de weg. De moeder staat ook achter dit verzoek. Verder is het belang van [minderjarige] met een gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap gediend. Hierdoor zal [minderjarige] , zoals hij wenst, de achternaam van zijn moeder krijgen.
3.3
[minderjarige] heeft op de zitting aangevoerd dat hij de juridische vader niet kent. Hij wil van de achternaam van de juridische vader af. De heer [persoon 1] is zijn biologische vader. Dat heeft de heer [persoon 1] ook tegen hem gezegd. [minderjarige] heeft af en toe appcontact met hem.
3.4
De moeder heeft op de zitting aangevoerd dat zij inderdaad op [datum] 2001 met de juridische vader is getrouwd. Hij is echter niet de biologische vader van [minderjarige] . Dit is de heer [persoon 1] . De heer [persoon 1] kon [minderjarige] niet als zijn kind erkennen, omdat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] nog getrouwd was met de juridische vader. De heer [persoon 1] is ook de biologische vader van de zus van [minderjarige] , [persoon 2] . De heer [persoon 1] , [minderjarige] en [persoon 2] zijn vroeger bij de huisarts geweest voor een DNA-onderzoek. Bij alle drie heeft de huisarts toen wangslijmvlies afgenomen. De heer [persoon 1] had echter geen geld voor een DNA-onderzoek. Daarom hebben zij geen uitslag hiervan ontvangen. De juridische vader zit momenteel in de zwerversopvang. De moeder heeft geen contact meer met hem. Ook heeft zij geen contact meer met de heer [persoon 1] .
3.5
De pleegmoeder heeft op de zitting bevestigd dat bij de huisarts middels een DNA-onderzoek geprobeerd is om het biologisch vaderschap van de heer [persoon 1] ten aanzien van [persoon 2] en [minderjarige] vast te stellen. Dit heeft echter niet tot een resultaat geleid. Een paar jaar geleden is op basis van een DNA-onderzoek wel komen vast te staan dat de heer [persoon 1] de biologische vader is van [persoon 2] . [persoon 2] heeft hierover destijds een telefoontje gehad.
3.6
De rechtbank heeft op de zitting aangegeven dat zij op basis van de thans aanwezige stukken niet zal overgaan tot toewijzing van het verzoek van de bijzonder curator namens [minderjarige] . Hiervoor is het verzoek te summier onderbouwd.
3.7
De rechtbank heeft vervolgens de bijzondere curator de gelegenheid gegeven om het verzoek voor de nadere zitting op 23 april 2026 nader te onderbouwen. Dit kan bijvoorbeeld met:
- een DNA-onderzoek van [minderjarige] en de juridische vader óf van [minderjarige] en de heer [persoon 1] ;
- de uitslag van het DNA-onderzoek van de heer [persoon 1] en [persoon 2] én een DNA-onderzoek van [persoon 2] en [minderjarige] ;
- een verklaring van de heer [persoon 1] en [persoon 2] dat uit het DNA-onderzoek van hen beiden is gebleken dat zij biologische vader en dochter zijn én een DNA-onderzoek van [persoon 2] en [minderjarige] .
Daarnaast heeft de rechtbank de bijzondere curator verzocht om de rechtbank in het bezit te stellen van de al gevraagde stukken over het huwelijk van de juridische vader en de moeder en om het verzoek dat zij namens [minderjarige] heeft gedaan nader te onderbouwen met het verhaal van [minderjarige] zelf.
3.7
De bijzondere curator heeft bij brief van 19 april 2026 aangevoerd dat het, ondanks pogingen van partijen, niet is gelukt om met bewijs te komen. [minderjarige] en de moeder willen
meewerken en het uitzoeken, maar de juridische vader weigert mee te werken. Hij is net uit
detentie. Ook de heer [persoon 1] en [persoon 2] weigeren alle medewerking. Dit leidt er toe dat niet op basis van resultaten van een DNA-onderzoek kan worden vastgesteld dat de juridische vader niet de verwekker is van [minderjarige] . Het is dan aan de rechtbank om aan de weigering van de juridische vader om mee te werken aan een DNA-onderzoek de gevolgen te verbinden die de rechtbank juist acht. Het is voor de bijzondere curator niet mogelijk om de juridische vader te dwingen om aan een DNA-onderzoek mee te werken. Zij vraagt zich af of de rechtbank hiertoe nog mogelijkheden ziet. Gelet hierop is de bijzondere curator van mening dat de zitting van 23 april 2026 weinig zin heeft. Daarom verzoekt zij om de zaak verder schriftelijk af te doen.
3.8
De rechtbank overweegt als volgt.
3.9
Nu de bijzondere curator haar oorspronkelijke verzoek om de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader te vernietigen heeft ingetrokken, zal de rechtbank beslissen op het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader.
Juridisch vaderschap
3.10
Ingevolge artikel 1:199, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de (juridische) vader van een kind de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd.
3.11
Op basis van de overgelegde stukken staat vast dat de moeder en de juridische vader op [datum] 2001 te [plaats 2] met elkaar zijn gehuwd. Dit huwelijk is op 19 oktober 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Omdat [minderjarige] is geboren op [geboortedag] 2008, is hij binnen het huwelijk tussen de moeder en de juridische vader geboren. Dit betekent dat de juridische vader als juridische vader van [minderjarige] wordt aangemerkt.
Gegrondverklaring ontkenning vaderschap
3.12
In artikel 1:200, eerste lid BW staat dat, voor zover hier van belang, gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap kan worden verzocht door het kind op de grond dat de man niet de biologische vader is van het kind. In het zesde lid van dit artikel staat dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap door het kind moet worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Als het kind pas gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
Het verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige] is aldus tijdig ingediend.
3.13
Zoals de rechtbank op de zitting van 17 maart 2026 al heeft aangegeven is het verzoek van de bijzondere curator te summier onderbouwd om tot toewijzing hiervan over te kunnen gaan. Zoals blijkt uit haar brief van 19 april 2026, is het de bijzondere curator niet gelukt om met een nadere onderbouwing te komen. De rechtbank acht vooralsnog een nadere onderbouwing wel nodig en wel in de vorm van het resultaat van een rechtsgeldig DNA-onderzoek tussen [minderjarige] en de juridische vader. Bij de belangenafweging, schending van de privacy en lichamelijke integriteit van de juridische vader enerzijds en het belang van [minderjarige] om niet meer ermee te worden geconfronteerd dat er een onjuiste naam als vader vermeld staat op zijn geboorteakte anderzijds, heeft de rechtbank de belangen van [minderjarige] zwaarder laten wegen. Omdat slechts met een DNA-onderzoek zekerheid kan worden verkregen omtrent de afstamming, acht de rechtbank een DNA-onderzoek een juiste en geoorloofde onderzoeksmethode. De juridische vader is verplicht om aan dit verzoek mee te werken. Doet hij dit niet, dan zal de rechtbank een beslissing nemen die haar geraden voorkomt. Het zou dan ook kunnen dat aan de juridische vader dwangsommen opgelegd gaan worden indien daartoe een verzoek wordt gedaan.
DNA-onderzoek
3.14
De rechtbank zal daarom een DNA-onderzoek gelasten waarin wordt gevraagd of de juridische vader de biologische vader is van [minderjarige] . De rechtbank zal Verilabs als deskundige benoemen om dit DNA-onderzoek te doen. De juridische vader en [minderjarige] moeten voor het maken van een afspraak voor dit onderzoek zelf telefonisch contact opnemen met deze deskundige. Hiervoor moeten zij bellen met telefoonnummer 085-105 1415. Zij moeten dit binnen één maand na het geven van deze beschikking doen.
Betaling voorschot
3.15
De rechtbank zal de bijzondere curator, namens [minderjarige] , belasten met de betaling van het voorschot van het deskundigenonderzoek. Omdat de bijzondere curator op basis van een toevoeging procedeert, zal de rechtbank bepalen dat het voorschot vooralsnog zal worden betaald uit ‘s Rijks kas.
3.16
De rechtbank overweegt dat de beslissing ten aanzien van het voorschot nog niets zegt over de uiteindelijke beslissing over de definitieve kosten van het deskundigenonderzoek. De definitieve kosten van voormeld DNA-onderzoek en de verdeling van die kosten tussen partijen, zal de rechtbank op een later moment vaststellen, mede aan de hand van de uitkomst van het DNA-onderzoek en aan de hand van de dan bekende feiten en omstandigheden. Op grond van artikel 244 lid 2 Rv, geldt als uitgangspunt dat de rechter vaststelt welk deel van de kosten van de deskundige ieder van de partijen dient te dragen. De wet laat in principe geen ruimte om die kosten voor ’s Rijks kas te laten komen, echter wellicht geeft deze zaak aanleiding om van dit principe af te wijken. Daarover zal in een later stadium besloten worden.
3.17
De verdere behandeling van de zaak zal in afwachting van het rapport van de deskundige worden aangehouden. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
gelast een DNA-onderzoek met betrekking tot de vraag of de juridische vader de biologische vader is van [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008;
4.2
benoemt Verilabs, Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag;
4.3
bepaalt het voorschot op € 847.= (achthonderd en zevenenveertig euro) (inclusief BTW);
4.4
bepaalt dat voornoemd voorschot vooralsnog ten laste komt van ’s Rijks kas;
4.5
bepaalt dat de benoemde deskundige zijn werkzaamheden zal aanvangen en -zo mogelijk- binnen drie maanden daarna schriftelijk aan de rechtbank zal rapporteren;
4.6
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;
4.7
houdt iedere verdere beslissing aan tot 4 augustus 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van de deskundige;
4.8
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: