Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4526
2026-04-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447528 / JE RK 26-714
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen voor drie maanden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.678 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/447528 / JE RK 26-714
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Breda,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. P. Doorakkers uit Oosterhout,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. G.S. de Haas uit Geertruidenberg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Tilburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad van 23 april 2026;
de schriftelijke onderbouwing van het mondelinge verzoek van de Raad, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek van de Raad met het door de moeder aanhangig gemaakte kort geding in de zaak met kenmerk: C/02/447124 / KG ZA 26/194, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. Op de vorderingen in kort geding wordt bij separaat vonnis beslist.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder, maar verblijft (voorlopig) bij de vader.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van drie maanden.
4De standpunten
4.1.
De Raad vindt het noodzakelijk dat [minderjarige] voorlopige onder toezicht wordt gesteld van de GI. Er zijn veel zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . De Raad vindt het ernstig verontrustend dat [minderjarige] in het ziekenhuis is opgenomen en dat er verschillende soorten drugs in haar lichaam zijn aangetroffen. De moeder droeg op dat moment de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding. Ook is het zorgelijk dat er sindsdien sprake is van een breuk in de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de moeder. De moeder heeft altijd de grootste rol gehad in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en deze abrupte contactbreuk kan gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] teweegbrengen en haar sociaal-emotionele ontwikkeling ernstig schaden. Hoewel de vader tijdens de zitting meer bereidheid laat zien ten aanzien van het inzetten van hulpverlening voor de moeder en het herstellen van het contact onder begeleiding, is het zorgelijk dat deze hulpverlening niet eerder van de grond is gekomen. Het lukt de ouders op dit moment niet om het ouderschap gezamenlijk vorm te geven. Deze situatie vraagt om de inzet van spoedhulp. Het is van belang dat er direct wordt gestart en wordt onderzocht welke hulpverlening kan worden ingezet. Er dient zo spoedig mogelijk te worden gewerkt aan het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] . Tot er een professionele instantie is betrokken, kan er worden gestart met contactmomenten onder begeleiding van het netwerk, zoals de grootmoeder (mz). Het is de bedoeling dat de GI erop toeziet dat de gemaakte afspraken worden nagekomen en de regie voert over de uitbreiding van dit contact. Ook dient er te worden gekeken naar de schoolinschrijving van [minderjarige] . Hoewel de schoolgang van [minderjarige] belangrijk is, is de situatie rondom [minderjarige] al onrustig en een wisseling van school kan ook belastend voor haar zijn. De ouders zijn het er uiteindelijk over eens geworden dat [minderjarige] pas na de zomervakantie op school zal starten. In de tussentijd dient te worden bezien of het mogelijk is dat [minderjarige] , ondanks de praktische bezwaren, wel naar het kinderdagverblijf kan gaan.
4.2.
Door en namens de moeder is – kort samengevat – ingestemd met het verlenen van een voorlopige ondertoezichtstelling. [minderjarige] heeft de drugs naar alle waarschijnlijkheid in de speeltuin ingenomen en nadien heeft de moeder op een juiste wijze gehandeld. Dit incident maakt de opvoedsituatie van de moeder niet onveilig. [minderjarige] is veilig bij de moeder. De moeder staat open voor de inzet van hulpverlening.
4.3.
Ook door en namens de vader is – kort samengevat – ingestemd met het verlenen van voorlopige ondertoezichtstelling. De vader maakt zich zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder en vindt deze situatie onvoldoende veilig voor [minderjarige] . De vader heeft eerst de zitting willen afwachten, voordat hij heeft willen instemmen met de inzet van hulpverlening om te komen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan voormelde voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom hij dat vindt.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat zich zeer recent een heftig incident heeft voorgedaan in de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder. Op 26 maart 2026 is [minderjarige] opgenomen in het ziekenhuis naar aanleiding van een intoxicatie door drugs, waarbij er verschillende soorten middelen zijn aangetroffen in haar lichaam. Hoewel het niet duidelijk is hoe [minderjarige] deze middelen binnen heeft kunnen krijgen, baart dit incident de kinderrechter ernstig zorgen. Vaststaat dat het incident heeft plaatsgevonden op het moment dat de moeder de verantwoordelijkheid had over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en [minderjarige] hiertegen dus niet heeft kunnen beschermen. [minderjarige] is sindsdien door de vader opgevangen en heeft in het geheel geen contact meer gehad met de moeder. Hierdoor is er sprake van een abrupte contactbreuk met een voor [minderjarige] belangrijk hechtingsfiguur, hetgeen haar sociaal-emotionele ontwikkeling ernstig kan schaden. Het is niet gelukt om met de inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader het contact tussen [minderjarige] en de moeder te herstellen. Daaraan wenste de vader zijn medewerking niet te verlenen en de inzet van de benodigde hulpverlening is binnen het vrijwillig kader niet van de grond gekomen. De vader was van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige] in het vrijwillig kader onvoldoende kon worden gewaarborgd. Beide ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven een rol te willen vervullen in de opvoeding van [minderjarige] , maar het is nog onduidelijk hoe de ouders dit ouderschap gezamenlijk zullen vormgeven. Op het moment lukt het de ouders dan ook onvoldoende om hier in het belang van [minderjarige] afspraken over te maken, zoals ten aanzien van de schoolinschrijving van [minderjarige] . Het is daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI betrokken raakt binnen het gedwongen kader en op die manier zicht houdt op het welbevinden van [minderjarige] en regie voert over de hulpverlening.
5.4.
Gelet op het voorgaande wijst de kinderrechter het – onweersproken – verzoek van de Raad toe en stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 23 april 2026 en tot 23 juli 2026. In deze periode zal de Raad onderzoeken of er een noodzaak bestaat voor een vervolg ondertoezichtstelling of dat de hulpverlening verder vanuit het vrijwillig kader kan worden voortgezet. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat er de komende periode zicht wordt verkregen op de opvoedsituaties van beide ouders. Daarnaast dient er zo spoedig mogelijk te worden gekomen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Hiervoor zijn tijdens de zitting afspraken gemaakt in het kader van de kortgedingprocedure. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat er zo spoedig mogelijk wordt gezocht naar een instantie die het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan begeleiden, zodat er op een veilige en verantwoorde wijze kan worden toegewerkt naar het herstellen van de co-ouderschapsregeling tussen de ouders althans een andere regeling indien de regeling in de bodemprocedure al dan niet naar aanleiding van een onderzoek van de Raad, zal worden gewijzigd. In de tussentijd verwacht de kinderrechter van de GI dat zij toezicht houdt op het verloop van de wekelijkse contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder op de zaterdagochtend van 10:00 uur tot 12:00 uur onder begeleiding van de grootmoeder (mz), waarbij de vader [minderjarige] naar de moeder brengt en de moeder [minderjarige] terugbrengt, en regie voert over de (eventuele) uitbreiding daarvan. Ook gaat de kinderrechter er van uit dat de ouders gezamenlijk komen tot een afspraak waarbij de moeder op de verjaardag van [minderjarige] (fysiek) contact met haar kan hebben.
5.5.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal de kinderrechter niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen de beslissing over voorlopige ondertoezichtstelling immers geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die maatregel is dan ook niet nodig.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 23 april 2026 tot 23 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/447528 / JE RK 26-714
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Breda,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. P. Doorakkers uit Oosterhout,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. G.S. de Haas uit Geertruidenberg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Tilburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad van 23 april 2026;
de schriftelijke onderbouwing van het mondelinge verzoek van de Raad, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek van de Raad met het door de moeder aanhangig gemaakte kort geding in de zaak met kenmerk: C/02/447124 / KG ZA 26/194, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. Op de vorderingen in kort geding wordt bij separaat vonnis beslist.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder, maar verblijft (voorlopig) bij de vader.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van drie maanden.
4De standpunten
4.1.
De Raad vindt het noodzakelijk dat [minderjarige] voorlopige onder toezicht wordt gesteld van de GI. Er zijn veel zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . De Raad vindt het ernstig verontrustend dat [minderjarige] in het ziekenhuis is opgenomen en dat er verschillende soorten drugs in haar lichaam zijn aangetroffen. De moeder droeg op dat moment de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding. Ook is het zorgelijk dat er sindsdien sprake is van een breuk in de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de moeder. De moeder heeft altijd de grootste rol gehad in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en deze abrupte contactbreuk kan gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] teweegbrengen en haar sociaal-emotionele ontwikkeling ernstig schaden. Hoewel de vader tijdens de zitting meer bereidheid laat zien ten aanzien van het inzetten van hulpverlening voor de moeder en het herstellen van het contact onder begeleiding, is het zorgelijk dat deze hulpverlening niet eerder van de grond is gekomen. Het lukt de ouders op dit moment niet om het ouderschap gezamenlijk vorm te geven. Deze situatie vraagt om de inzet van spoedhulp. Het is van belang dat er direct wordt gestart en wordt onderzocht welke hulpverlening kan worden ingezet. Er dient zo spoedig mogelijk te worden gewerkt aan het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] . Tot er een professionele instantie is betrokken, kan er worden gestart met contactmomenten onder begeleiding van het netwerk, zoals de grootmoeder (mz). Het is de bedoeling dat de GI erop toeziet dat de gemaakte afspraken worden nagekomen en de regie voert over de uitbreiding van dit contact. Ook dient er te worden gekeken naar de schoolinschrijving van [minderjarige] . Hoewel de schoolgang van [minderjarige] belangrijk is, is de situatie rondom [minderjarige] al onrustig en een wisseling van school kan ook belastend voor haar zijn. De ouders zijn het er uiteindelijk over eens geworden dat [minderjarige] pas na de zomervakantie op school zal starten. In de tussentijd dient te worden bezien of het mogelijk is dat [minderjarige] , ondanks de praktische bezwaren, wel naar het kinderdagverblijf kan gaan.
4.2.
Door en namens de moeder is – kort samengevat – ingestemd met het verlenen van een voorlopige ondertoezichtstelling. [minderjarige] heeft de drugs naar alle waarschijnlijkheid in de speeltuin ingenomen en nadien heeft de moeder op een juiste wijze gehandeld. Dit incident maakt de opvoedsituatie van de moeder niet onveilig. [minderjarige] is veilig bij de moeder. De moeder staat open voor de inzet van hulpverlening.
4.3.
Ook door en namens de vader is – kort samengevat – ingestemd met het verlenen van voorlopige ondertoezichtstelling. De vader maakt zich zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder en vindt deze situatie onvoldoende veilig voor [minderjarige] . De vader heeft eerst de zitting willen afwachten, voordat hij heeft willen instemmen met de inzet van hulpverlening om te komen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan voormelde voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom hij dat vindt.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat zich zeer recent een heftig incident heeft voorgedaan in de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder. Op 26 maart 2026 is [minderjarige] opgenomen in het ziekenhuis naar aanleiding van een intoxicatie door drugs, waarbij er verschillende soorten middelen zijn aangetroffen in haar lichaam. Hoewel het niet duidelijk is hoe [minderjarige] deze middelen binnen heeft kunnen krijgen, baart dit incident de kinderrechter ernstig zorgen. Vaststaat dat het incident heeft plaatsgevonden op het moment dat de moeder de verantwoordelijkheid had over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en [minderjarige] hiertegen dus niet heeft kunnen beschermen. [minderjarige] is sindsdien door de vader opgevangen en heeft in het geheel geen contact meer gehad met de moeder. Hierdoor is er sprake van een abrupte contactbreuk met een voor [minderjarige] belangrijk hechtingsfiguur, hetgeen haar sociaal-emotionele ontwikkeling ernstig kan schaden. Het is niet gelukt om met de inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader het contact tussen [minderjarige] en de moeder te herstellen. Daaraan wenste de vader zijn medewerking niet te verlenen en de inzet van de benodigde hulpverlening is binnen het vrijwillig kader niet van de grond gekomen. De vader was van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige] in het vrijwillig kader onvoldoende kon worden gewaarborgd. Beide ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven een rol te willen vervullen in de opvoeding van [minderjarige] , maar het is nog onduidelijk hoe de ouders dit ouderschap gezamenlijk zullen vormgeven. Op het moment lukt het de ouders dan ook onvoldoende om hier in het belang van [minderjarige] afspraken over te maken, zoals ten aanzien van de schoolinschrijving van [minderjarige] . Het is daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI betrokken raakt binnen het gedwongen kader en op die manier zicht houdt op het welbevinden van [minderjarige] en regie voert over de hulpverlening.
5.4.
Gelet op het voorgaande wijst de kinderrechter het – onweersproken – verzoek van de Raad toe en stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 23 april 2026 en tot 23 juli 2026. In deze periode zal de Raad onderzoeken of er een noodzaak bestaat voor een vervolg ondertoezichtstelling of dat de hulpverlening verder vanuit het vrijwillig kader kan worden voortgezet. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat er de komende periode zicht wordt verkregen op de opvoedsituaties van beide ouders. Daarnaast dient er zo spoedig mogelijk te worden gekomen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Hiervoor zijn tijdens de zitting afspraken gemaakt in het kader van de kortgedingprocedure. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat er zo spoedig mogelijk wordt gezocht naar een instantie die het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan begeleiden, zodat er op een veilige en verantwoorde wijze kan worden toegewerkt naar het herstellen van de co-ouderschapsregeling tussen de ouders althans een andere regeling indien de regeling in de bodemprocedure al dan niet naar aanleiding van een onderzoek van de Raad, zal worden gewijzigd. In de tussentijd verwacht de kinderrechter van de GI dat zij toezicht houdt op het verloop van de wekelijkse contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder op de zaterdagochtend van 10:00 uur tot 12:00 uur onder begeleiding van de grootmoeder (mz), waarbij de vader [minderjarige] naar de moeder brengt en de moeder [minderjarige] terugbrengt, en regie voert over de (eventuele) uitbreiding daarvan. Ook gaat de kinderrechter er van uit dat de ouders gezamenlijk komen tot een afspraak waarbij de moeder op de verjaardag van [minderjarige] (fysiek) contact met haar kan hebben.
5.5.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal de kinderrechter niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen de beslissing over voorlopige ondertoezichtstelling immers geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die maatregel is dan ook niet nodig.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 23 april 2026 tot 23 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).