Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4489

2026-04-22 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/431516 / HA RK 25-16
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-22
Publicatiedatum
2026-05-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/02/431516 / HA RK 25-16
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toepassing wisselbepaling artikel 69 Rv; verkeerd ingeleide procedure. Tevens beoordeling rechtsmacht en toepasselijk recht.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.950 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Middelburg


Zaaknummer: C/02/431516 / HA RK 25-16



Beschikking van 22 april 2026



in de zaak van




[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Maastricht,


tegen




[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] , Hongarije,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E. Poppe te Middelburg.


1 Het procesverloop


1.1 Bij beschikking van 3 februari 2025 heeft de rechtbank Den Haag zich op grond van de bevoegdheidsregels voor vorderingen tot verdeling (relatief) onbevoegd verklaard en is op grond van die bevoegdheidsregels de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond naar deze rechtbank verwezen.


1.2 De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift van de man strekkende tot machtiging tegeldemaking van een gemeenschapsgoed ex artikel 3:174 BW, met bijlagen, ontvangen op 4 februari 2025.

1.3 Daarna heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:

- het aanvullend verzoek van de man strekkende tot vernietiging van de koopovereenkomst op grond van dwaling ex artikel 6:228 BW, met bijlage, ontvangen op 13 januari 2026;
- het verweerschrift van de vrouw tegen machtiging te gelde maken gemeenschapsgoed en vordering tot vernietiging op grond van dwaling tevens houdende vorderingen in reconventie, met bijlagen, ontvangen op 22 januari 2026.

1.4 De rechtbank heeft een datum vastgesteld voor de mondelinge behandeling van de zaak. Tijdens de voorbereiding daarvan is echter gebleken dat de zaak mogelijk met het verkeerde processtuk is ingeleid. Bovendien heeft de zaak, omdat de vrouw in Hongarije woont, een internationaal aspect, wat vragen oproept over de internationale bevoegdheid van de rechter en het toepasselijke recht. In een e-mail van de griffier van 28 januari 2026 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat zij de mondelinge behandeling daarom aanmerkt als een regiezitting tijdens welke partijen gelegenheid krijgen zich uit te laten over deze procedurele kwesties.


1.5 Op 29 januari 2026 heeft de regiezitting plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de man en zijn advocaat. De vrouw heeft vooraf aan de rechtbank laten weten dat ze niet persoonlijk aanwezig zal zijn. Zij is ter zitting vertegenwoordigd door haar advocaat. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting ‘aantekeningen mondelinge behandeling’ overgelegd.



2De feiten


2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn niet gehuwd geweest en hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten. De relatie is aangevangen toen zij samen in Hongarije woonden, medio 2014.



2.2

Partijen zijn samen - ieder voor de onverdeelde helft - eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning). Op 16 januari 2016 tekenden partijen de koopovereenkomst voor de woning. De koopsom bedroeg
€ 127.500,--. Op 7 maart 2016 heeft de eigendomsoverdracht plaatsgevonden.




2.3
Ter financiering van de woning zijn partijen een hypothecaire lening aangegaan met een hoofdsom van € 80.000,-- bij het echtpaar [persoon 1 en] . Voor deze lening zijn partijen hoofdelijk aansprakelijk.



2.4
De relatie tussen partijen is medio 2019 beëindigd. De vrouw woont in Hongarije. De man woont in [woonplaats 1] .






3Het verzoek en het verweer


3.1
De man verzoekt op grond van artikel 3:174 BW, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de overneming te bevelen van het aandeel van de vrouw in de woning staande en gelegen te [plaats] aan [adres 1] tegen de aankoopwaarde ten tijde van de verkrijging van het goed, zijnde een overname met gesloten beurzen en te bepalen dat de te geven beschikking in de plaats treedt van de, door de vrouw, te verrichten rechtshandelingen die nodig zijn voor de levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man;
2. de vrouw te veroordelen tot betaling van € 20.396,78, te vermeerderen met de helft van de lasten van de woning per 1 april 2021 tot de dag van overdracht van het aandeel van de vrouw aan de man;
Daarnaast verzoekt de man in het aanvullend verzoek:
3. de koopovereenkomst voor de woning te vernietigen op grond van dwaling ex artikel 6:228 BW.



3.2
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. Voor de onderhavige beslissing is alleen het processueel verweer van de vrouw relevant. Zij heeft aangevoerd dat de procedure met het verkeerde processtuk is ingeleid, omdat uit het petitum blijkt dat de man geen ‘te gelde making’ verzoekt, maar de verdeling van de woning vordert. Volgens de vrouw had de procedure daarom als dagvaardingsprocedure gevoerd moeten worden in plaats van als verzoekschriftprocedure. Zij is van mening dat herstel van dit gebrek - een nieuwe oproeping - niet nodig is. Wel gaat zij ervan uit dat de rechtbank overeenkomstig artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zal besluiten de procedure voort te zetten volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure en daarbij een roldatum zal bepalen. Mocht de procedure inderdaad worden voortgezet als dagvaardingsprocedure, dan vordert de vrouw in reconventie:
1. de verdeling te gelasten van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap, de woning, alsmede de op deze woning rustende hypotheekschuld bij de heer [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] :
a. te bepalen dat de woning wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde die dient te worden vastgesteld door een door de rechtbank aan te wijzen NVM-taxateur, onder de opschortende voorwaarde dat binnen drie maanden na de beschikking van de rechtbank de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen ten aanzien van voornoemde hypotheekschuld alsmede aan de vrouw het aan haar toekomende deel van de overwaarde wordt voldaan, zoals uiteengezet onder randnummer 34;
b. te bepalen dat de man de kosten van de aan te wijzen NVM-taxateur draagt;
c. te bepalen dat de man – als hij aan de onder 1 geformuleerde opschortende voorwaarde niet voldoet – gehouden is zijn medewerking te verlenen aan verkoop van de woning door makelaarskantoor [makelaar] , gevestigd aan [adres 2] [plaats] (of een andere door de rechtbank aan te wijzen makelaar) tegen een zo hoog mogelijke prijs alsmede notariële levering aan een derde;
d. te bepalen dat de man verplicht is mee te werken en in te stemmen met de verkoopadviesprijs van de makelaar en voorts in te stemmen met het advies van de makelaar om de verkoopprijs, na verloop van tijd bij het uitblijven van een koper, te laten zakken;
e. te bepalen dat de man ervoor moet zorgdragen dat de aangewezen makelaar toegang heeft tot de woning indien de makelaar dit voor het verkooptraject noodzakelijk acht;
f. een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke keer en dag dat de man in gebreke blijft, eventueel met een door de rechtbank te bepalen maximum van € 50.000,-;
g. te bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning zal worden aangewend voor aflossing van de hypotheekschuld bij de heer [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] en ter voldoening van de kosten van verkoop en dat het restant bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld;
in voorwaardelijke reconventie:
2. Voor het geval de rechtbank komt tot toewijzing van een of meer van de verzoeken van de man en daarbij rekening houdt met enige door hem gedane investering (en hier financiële consequenties aan verbindt), vordert de vrouw de man te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 17.875,63,- als gebruiksvergoeding uit hoofde van het gezamenlijk eigendom van de woning;
in conventie en reconventie:
3. Te bepalen dat de proceskosten van partijen - gelet op de aard van de zaak en het feit dat partijen voormalige levensgezellen zijn - worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.






4De beoordeling


4.1
Tijdens de regiezitting heeft de rechtbank met partijen gesproken over de in deze zaak te volgen procesgang. Daarbij zijn ook de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht aan de orde gekomen. De zaak is niet inhoudelijk besproken.



Inleidend processtuk: verzoekschrift of dagvaarding?





4.2
Partijen zijn samen eigenaar van de woning. Dat wordt een eenvoudige gemeenschap genoemd. Bij een eenvoudige gemeenschap kan elke deelgenoot verdeling vorderen (artikel 3:178 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Artikel 3:185 BW bepaalt dat wanneer de deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen komen over een verdeling de rechter op vordering van een partij de wijze van verdeling kan gelasten of de verdeling zelf kan vaststellen. Deze procedure dient, wanneer partijen niet gehuwd zijn, dus bij dagvaarding aanhangig te worden gemaakt.



4.3
De rechtbank overweegt dat de rechtsgang van artikel 3:174 BW is gegeven om een machtiging te verkrijgen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed indien gewichtige redenen daartoe nopen. Dit is door de man evenwel niet verzocht en hiervan is ook niet gebleken. Ter zitting heeft de man bevestigd dat zijn verzoek erop is gericht dat de woning aan hem wordt toegedeeld en dat dit verzoek daarom moet worden opgevat als een verzoek tot verdeling. Op dit ‘verzoek’ is, nu partijen niet gehuwd zijn, de dagvaardingsprocedure van toepassing. Daarnaast is vastgesteld dat ook op de andere verzoeken van de man, waaronder die tot vernietiging van de koopovereenkomst, de dagvaardingsprocedure van toepassing is en niet de verzoekschriftprocedure. De man heeft er ter zitting mee ingestemd dat de procedure wordt omgezet naar een dagvaardingsprocedure. Voorts is tijdens de zitting gebleken dat de man momenteel niet in de woning woont, maar dat hij deze verhuurt. Omdat de vrouw met deze informatie niet eerder bekend was, heeft zij verzocht een nadere proceshandeling te mogen nemen. Vervolgens heeft de rechter met partijen onderstaande procedureafspraken gemaakt.



4.4

De rechtbank zal de wisselbepaling van artikel 69 Rv toepassen omdat de procedure ten onrechte is ingeleid door indiening van een verzoekschrift in plaats van met een dagvaarding. Dit betekent dat de rechtbank de zaak zal verwijzen naar Team Civiel, cluster II Handelszaken, van deze rechtbank, waarbij wordt bevolen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Het verzoekschrift van de man merkt de rechtbank aan als de dagvaarding en het verweerschrift van de vrouw als de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van woensdag 13 mei 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie door de man De man dient, zoals hij tijdens de zitting heeft toegezegd, bij die gelegenheid de huurovereenkomst van de woning in te brengen. Als dit niet mogelijk is, dient hij ten minste de relevante gegevens over de huurovereenkomst te verstrekken, waaronder de ingangsdatum, de einddatum en het huurbedrag. De vrouw krijgt vervolgens de gelegenheid om bij akte te reageren op wat de man heeft aangevoerd over de verhuur van de woning, evenals op de door de man in dit kader bij zijn antwoord in reconventie overgelegde stukken.
Vanuit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank zich inspannen om de zaak verder te laten behandelen door dezelfde rechter die deze beschikking heeft gegeven.




Rechtsmacht en toepasselijk recht





4.5
Gelet op de woonplaats van de vrouw in Hongarije, heeft de zaak een internationaal karakter. De rechtbank zal dan ook ambtshalve moeten toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de verzoeken en welk recht daarop van toepassing is. Aangezien de zaak wordt omgezet naar een dagvaardingsprocedure, spreekt de rechtbank in het vervolg over de vorderingen van partijen.



Verdeling woning





4.6
Beide partijen vorderen verdeling van de woning op de door ieder van hen voorgestelde wijze. Omdat partijen niet zijn gehuwd, noch een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan moet de (internationale) bevoegdheid beoordeeld worden aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: Brussel I-bis). Op grond van artikel 24 Brussel I-bis is bevoegd de rechter van het gerecht waar het onroerend goed gelegen is. Omdat de woning is gelegen in Nederland is de Nederlandse rechter exclusief bevoegd kennis te nemen van de vordering tot verdeling van de woning.



4.7
Op grond van artikel 10:127 BW is Nederlands recht van toepassing.



Overige vorderingen van de man





4.8
De man heeft naast de verdeling van de woning nog een geldvordering ingesteld en vordert bovendien vernietiging van de koopovereenkomst.



4.9

De vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is kennis te nemen van deze vorderingen moet ook worden beoordeeld aan de hand van de Verordening Brussel I-bis. In dit geval leidt artikel 26 Brussel I-bis tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Dit artikel bepaalt dat indien een verweerder verschijnt voor een gerecht van een lidstaat waar de eiser een procedure is gestart, dat gerecht bevoegd is, zelfs als het op grond van andere bepalingen in de verordening niet bevoegd zou zijn.
De vrouw is in deze procedure verschenen door verweer te voeren en zij heeft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet betwist. Daarmee heeft zij de rechtsmacht van de Nederlandse rechter als zodanig stilzwijgend aanvaard. De rechtbank is daarom bevoegd om ook kennis te nemen van de andere vorderingen van de man.




Voorwaardelijke vordering van de vrouw





4.10
De vrouw heeft naast de verdeling van de woning ook een voorwaardelijke vordering ingesteld tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding. Wat betreft deze vordering is de Nederlandse rechter al bevoegd op grond van artikel 4 Brussel I-bis, aangezien de man zijn woonplaats in Nederland heeft.



4.11
Voor het toepasselijke recht op de overige vorderingen van partijen geldt dat de rechter samen met partijen ter zitting heeft vastgesteld dat Nederlands recht hierop van toepassing is. In dit verband overweegt de rechtbank dat voor zover nodig de man en de vrouw ter zitting beiden hebben ingestemd met het van toepassing verklaren (rechtskeuze ex artikel 14 lid 1 Rome II) van Nederlands recht op de door de man ingestelde geldvordering en de vordering van de vrouw met betrekking tot de gebruiksvergoeding.



4.12
Samengevat is de conclusie dat de Nederlandse rechter in volle omvang kennis kan nemen van de vorderingen die in deze procedure voorliggen en dat daarop Nederlands recht van toepassing is.






5De beslissing


De rechtbank:



5.1
beveelt dat de procedure verder volgens de regels van de dagvaardingsprocedure zal worden voortgezet en merkt het op 4 februari 2025 ontvangen verzoekschrift van de man aan als de inleidende dagvaarding en het op 22 januari 2026 ontvangen verweerschrift van de vrouw als de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie;



5.2
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van de man naar de rolzitting van woensdag 20 mei 2026 van Team Civiel, cluster II Handelszaken, waarna de vrouw op een nadere rolzitting de gelegenheid krijgt om bij akte te reageren op wat de man heeft aangevoerd over de verhuur van de woning en op de door de man in dit kader bij zijn antwoord in reconventie overgelegde stukken;



5.3
houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze beschikking is gegeven door mr Hopmans, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr Knops-Pijper, griffier op 22 april 2026.