Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4464
2026-05-22
Civiel recht; Arbeidsrecht
12231877 / AZ VERZ 26-38
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Spoorwissel, artikel 69 Rv. Verzoeker heeft een loonvordering op haar werkgever bij verzoekschrift ingediend. Dit moet echter door middel van een dagvaarding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.745 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Middelburg
zaaknummer: 12231877 / AZ VERZ 26-38
Beschikking van 22 mei 2026
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna verder te noemen: [werknemer] ,
procederende in persoon,
tegen
[werkgever] VOF,
te [plaats 2] ,
hierna verder te noemen: [werkgever] ,
verwerende partij.
1Het verloop van de procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties ontvangen op 18 mei 2026.
2Het verzoek
2.1.
De kantonrechter begrijpt uit het verzoekschrift dat [werknemer] per 1 augustus 2023 in dienst is getreden van [werkgever] en dat het loon over de maanden maart en april 2026 niet is betaald door [werkgever] . [werknemer] stelt onder andere dat zij recht heeft op betaling van achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
3De beoordeling
Korte samenvatting van de beoordeling
3.1.
Kort samengevat heeft [werknemer] een loonvordering op haar werkgever bij verzoekschrift ingediend. Dit moet echter door middel van een dagvaarding. De kantonrechter verwijst om die reden de procedure naar een rolzitting, zodat [werknemer] haar werkgever op de juiste manier kan oproepen (door betekening via een deurwaarder) om in de procedure te verschijnen. [werknemer] dient daarbij rekening te houden dat de betekening en de oproeping aan bepaalde vereisten dient te voldoen.
De juridische onderbouwing daarvan is als volgt:
3.2.
De kantonrechter overweegt dat ten aanzien van verzoekschriftenprocedures een gesloten systeem bestaat. De kantonrechter is slechts op grond van een concrete wetsbepaling bevoegd - en verplicht - tot het geven van een beschikking op een verzoekschrift. [werknemer] heeft geen grondslagen aangevoerd die erop duiden dat de procedure bij verzoekschrift dient te worden aangebracht. Het verzoek van [werknemer] betreft een nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst. Niet is gebleken dat het een verzoekschriftprocedure betreft genoemd in artikel 7:686a lid 2 of lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat [werknemer] haar vordering dient in te stellen door middel van een dagvaarding.
3.3.
Conform artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank verplicht, ook zonder een daartoe strekkend verweer, te onderzoeken of de procedure met het juiste procesinleidend stuk aanhangig is gemaakt. Indien de kantonrechter vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, dient zij de wissel om te zetten en ervoor zorg te dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste spoor.
3.4.
Gelet op het bepaalde in artikel 69 Rv zal de kantonrechter bevelen dat onderhavige zaak wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, een en ander zoals in de beslissing vermeld. Voor het uitbrengen van het exploot van de oproeping dient [werknemer] een deurwaarder in te schakelen.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1.
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt, zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,
4.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 1 juli 2026 te 10.00 uur teneinde [werknemer] de gelegenheid te bieden haar stellingen zo nodig aan de op de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels aan te passen,
4.3.
beveelt [werknemer] om [werkgever] , met in achtneming van de wettelijke termijnen en de voor dagvaarding geldende vormvoorschriften, tegen de hiervoor genoemde datum en tijd op te roepen onder betekening van het verzoekschrift en deze beslissing,
4.4.
bepaalt dat [werknemer] het exploot van de oproeping uiterlijk één dag voor voornoemde roldatum ter inschrijving op de rol aan de griffie dient aan te bieden.
Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en uitgesproken op 22 mei 2026.
MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 434
HR 15 maart 1991, LJN ZC0177 (C./Staat)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Middelburg
zaaknummer: 12231877 / AZ VERZ 26-38
Beschikking van 22 mei 2026
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna verder te noemen: [werknemer] ,
procederende in persoon,
tegen
[werkgever] VOF,
te [plaats 2] ,
hierna verder te noemen: [werkgever] ,
verwerende partij.
1Het verloop van de procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties ontvangen op 18 mei 2026.
2Het verzoek
2.1.
De kantonrechter begrijpt uit het verzoekschrift dat [werknemer] per 1 augustus 2023 in dienst is getreden van [werkgever] en dat het loon over de maanden maart en april 2026 niet is betaald door [werkgever] . [werknemer] stelt onder andere dat zij recht heeft op betaling van achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
3De beoordeling
Korte samenvatting van de beoordeling
3.1.
Kort samengevat heeft [werknemer] een loonvordering op haar werkgever bij verzoekschrift ingediend. Dit moet echter door middel van een dagvaarding. De kantonrechter verwijst om die reden de procedure naar een rolzitting, zodat [werknemer] haar werkgever op de juiste manier kan oproepen (door betekening via een deurwaarder) om in de procedure te verschijnen. [werknemer] dient daarbij rekening te houden dat de betekening en de oproeping aan bepaalde vereisten dient te voldoen.
De juridische onderbouwing daarvan is als volgt:
3.2.
De kantonrechter overweegt dat ten aanzien van verzoekschriftenprocedures een gesloten systeem bestaat. De kantonrechter is slechts op grond van een concrete wetsbepaling bevoegd - en verplicht - tot het geven van een beschikking op een verzoekschrift. [werknemer] heeft geen grondslagen aangevoerd die erop duiden dat de procedure bij verzoekschrift dient te worden aangebracht. Het verzoek van [werknemer] betreft een nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst. Niet is gebleken dat het een verzoekschriftprocedure betreft genoemd in artikel 7:686a lid 2 of lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat [werknemer] haar vordering dient in te stellen door middel van een dagvaarding.
3.3.
Conform artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank verplicht, ook zonder een daartoe strekkend verweer, te onderzoeken of de procedure met het juiste procesinleidend stuk aanhangig is gemaakt. Indien de kantonrechter vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, dient zij de wissel om te zetten en ervoor zorg te dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste spoor.
3.4.
Gelet op het bepaalde in artikel 69 Rv zal de kantonrechter bevelen dat onderhavige zaak wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, een en ander zoals in de beslissing vermeld. Voor het uitbrengen van het exploot van de oproeping dient [werknemer] een deurwaarder in te schakelen.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1.
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt, zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,
4.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 1 juli 2026 te 10.00 uur teneinde [werknemer] de gelegenheid te bieden haar stellingen zo nodig aan de op de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels aan te passen,
4.3.
beveelt [werknemer] om [werkgever] , met in achtneming van de wettelijke termijnen en de voor dagvaarding geldende vormvoorschriften, tegen de hiervoor genoemde datum en tijd op te roepen onder betekening van het verzoekschrift en deze beslissing,
4.4.
bepaalt dat [werknemer] het exploot van de oproeping uiterlijk één dag voor voornoemde roldatum ter inschrijving op de rol aan de griffie dient aan te bieden.
Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en uitgesproken op 22 mei 2026.
MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 434
HR 15 maart 1991, LJN ZC0177 (C./Staat)