Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4384

2026-04-20 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/444249 FA RK 26-347
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-20
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/444249 FA RK 26-347
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenen vervangende toestemming voor het indienen van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarigen bij Justis

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.248 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummer: C/02/444249 FA RK 26-347



datum uitspraak: 20 april 2026




beschikking over vervangende toestemming voor indienen van een verzoek tot geslachtsnaamwijziging


in de zaak van





[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.M. Lindhout-Schot in Tilburg,



tegen





[de man] ,

hierna: de man,
wonende in [woonplaats] , [adres] ,



over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .


De rechtbank merkt als informant aan:



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.






1Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 21 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de op 23 januari 2026 van mr. Lindhout-Schot ontvangen stukken;
- het op 30 januari 2026 van de man ontvangen e-mailbericht;
- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- het op 2 maart 2026 van de man ontvangen verzoek om een tolk te regelen;
- het op 20 maart 2026 van de advocaat ontvangen bericht met bijlage;
- het door de man tijdens de zitting overhandigde verweerschrift.



1.2
De rechtbank heeft de man voorafgaand aan de zitting er op gewezen dat, als hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, hij zelf voor een tolk moet zorgen.



1.3

Het verzoek is mondeling behandeld op 24 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man en de vrouw met haar advocaat. Ook waren er een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad en twee vertegenwoordigsters van de GI.
De rechtbank heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van een stagiair van de Raad.






2De feiten


2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 11 juni 2018 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 20 juni 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.



2.2
Tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedag 2] 2015;
Voorts is uit de relatie van partijen de volgende minderjarige geboren:
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2018.



2.3

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De
vrouw is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] .




2.4
De minderjarigen wonen bij de vrouw.



2.5
Bij beschikking van 23 juli 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank beslist dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt verlengd tot 7 augustus 2026.



2.6
Partijen en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.





3Het verzoek en de standpunten


3.1
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. de benodigde toestemming van de man voor het kunnen indienen van een verzoek tot geslachtsnaamwijziging namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij Justis te vervangen door de in deze door de rechtbank te wijzen beschikking;
b. althans een andere beslissing te nemen die recht doet aan de positie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals het benoemen van een bijzondere curator.



3.2
Volgens de vrouw kent het gezin een heftige en lange geschiedenis. Er is veel hulpverlening betrokken geweest en nog steeds betrokken. De vrouw stelt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al geruime tijd aangeven dat zij, net als [minderjarige 3] , de achternaam van hun moeder willen dragen. De wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is volgens de moeder authentiek en bestaat al geruime tijd. De minderjarigen hebben op school zelf gevraagd om de achternaam van de moeder op hun rapport te vermelden. Ook op de zwemdiploma’s is de achternaam van de vrouw vermeld. Volgens de vrouw hebben de minderjarigen in het kader van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in de kindgesprekken met de kinderrechter mr. Toekoen verteld dat zij hun achternaam willen wijzigen. Ook in de gesprekken met de kindbehartiger van Sterk Huis hebben de minderjarigen hun wens verteld. Volgens de vrouw wordt haar achternaam nu al gebruikt bij alle instanties en op alle documenten waar dit is toegestaan. De minderjarigen zouden zich graag onder haar achternaam willen inschrijven op de middelbare school, zodat zij niet opnieuw geconfronteerd worden met de achternaam van de man en zij moeten uitleggen waarom zij zichzelf anders noemen. De man is volgens de vrouw niet bereid om mee te werken aan een geslachtsnaamwijziging. Hij is kennelijk niet in staat om het belang van de minderjarigen voorop te stellen. De man stelt dat hij vanwege zijn geloof niet mag meewerken. De man heeft echter eerder in een sms-bericht aan de vrouw kenbaar gemaakt, dat als hij de minderjarigen niet meer zou mogen zien, hij ervoor zou tekenen om afstand te doen van alle rechten op de minderjarigen en het wijzigen van hun achternaam. De vrouw ziet dat de minderjarigen bevriezen op het moment dat zij met hun achternaam worden aangesproken.



3.3
De man verklaart dat hij niet in staat is om de kosten voor een tolk te dragen. Hij kan een gesprek redelijk volgen, maar hij kan geen Nederlands lezen. Volgens de man kan hij de zitting volgen, als iedereen rustig spreekt. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. De man stelt dat hij onder grote druk stond, toen hij het sms’je aan de vrouw stuurde. Volgens de man blijft de vrouw over hem negatief praten tegen de minderjarigen. Daardoor denken de minderjarigen slecht over hem. De man heeft de minderjarigen al jaren niet meer gezien. Het is dan ook niet vreemd dat de minderjarigen zeggen dat zij hem niet meer willen zien. Volgens de man draagt de vrouw haar haat jegens hem over aan de minderjarigen. Hij stelt dat het begeleide contact met de minderjarigen al vanaf het eerste moment verkeerd is gelopen. Het mediationtraject is niet geslaagd, omdat de man de Nederlands taal niet, althans onvoldoende beheerst. Volgens de man heeft de vrouw steeds iets nieuws verzonnen, waardoor er geen contact tussen hem en de minderjarigen zou kunnen zijn. Het is volgens de man wettelijk toegestaan dat de minderjarigen beide namen van partijen kunnen voeren. De man legt zijn verweerschrift over. Hij vraagt de rechtbank met klem om hiervan kennis te nemen, omdat hij niet in staat is om de inhoud mondeling te delen. Volgens de man heeft de GI hem heel slecht behandeld. De man weet dat hij geen contact meer met de minderjarigen zal krijgen, omdat de vrouw dit blijft dwarsbomen. Hij heeft echter maar één doel in zijn leven en dat is vechten voor de minderjarigen. Hij hoopt dat de minderjarigen later zullen weten dat hij alles heeft gedaan om hen te kunnen zien en dat hij geen slecht persoon is.



3.4
De GI staat achter het verzoek van de vrouw. Volgens de GI geven de minderjarigen hun wens ten aanzien van hun achternaam al geruime tijd aan. De minderjarigen zijn zo stellig in hun wens, dat de GI de minderjarigen hen hierin steunt.



3.5
De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Het verzoek van de vrouw voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Belangrijk is daarbij wel dat duidelijk moet zijn dat de minderjarigen weten van wie zij afstammen. Daarvan lijkt in dit geval sprake. De minderjarigen weten wie hun vader is. De Raad ziet in de stukken dat de minderjarigen al jaren deze wens hebben en dat de school van de minderjarigen hen hierin is gevolgd. De Raad heeft er dan ook geen bezwaar tegen dat het verzoek van de vrouw wordt getoetst en beoordeeld.



3.6
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.





4De beoordeling



IPR



4.1
De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing.



De overweging van de rechtbank




4.2
Uit de inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt het volgende. Bij koninklijk besluit van 8 mei 2017 is de geslachtsnaam van de man vastgesteld. Door de latere vermelding betreffende wijziging van de geslachtsnaam van 13 april 2018 zijn de aktes van geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in die zin gewijzigd, dat zij de geslachtsnaam [van de man] hebben. Volgens de vrouw zijn de minderjarigen stellig in hun wens om, net als hun jongere zusje, de achternaam van de vrouw te voeren. De GI bevestigt dat de minderjarigen deze wens al jaren uitspreken. De geslachtsnaam van een persoon kan enkel door de Koning worden gewijzigd op diens verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger. (Artikel 1:7 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna BW). De uitvoering vindt plaats door Justis, een screeningsautoriteit die namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzoeken tot wijziging van de geslachtsnaam behandelt. Partijen zijn het niet eens over het indienen van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw wil, als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen, een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam aan de Koning (= Justis) voorleggen. Justis verlangt – in het geval dat de andere juridische ouder niet instemt – dat die instemming wordt vervangen door de rechtbank. Zonder deze vervangende toestemming neemt Justis het verzoek van de vrouw niet in behandeling. Met haar verzoek beoogt de vrouw om de door Justis geëiste vervangende toestemming te verkrijgen.



4.3
De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw, maar voert hiervoor inhoudelijke bezwaren aan. Het is echter in een procedure als deze niet aan de rechtbank om inhoudelijk te beoordelen of een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toegewezen of afgewezen moet worden. De bezwaren van de man zien alleen op de wijziging van de geslachtsnaam zelf. Die zullen op een later moment, in de door de vrouw voorgenomen procedure, bij Justis aan de orde komen. Daar zullen de beweegredenen van de vrouw, de mening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het standpunt van de man worden aangehoord en meegewogen in de beslissing. In het verweer van de man heeft de rechtbank verder geen gegronde redenen gehoord, op basis waarvan het onderhavige verzoek van de vrouw afgewezen zou moeten worden.



4.4
De vrouw baseert haar verzoek op artikel 1:253a BW. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet de juiste grondslag voor haar verzoek heeft gekozen. Uit artikel 1:5 lid 4 BW blijkt dat de wetgever ervoor heeft gekozen, dat alle juridische ouders (en niet alleen die ouders die met het gezag zijn belast) de keuze voor de geslachtsnaam van een kind hebben. Volgens vaste jurisprudentie betreft het verzoek van de vrouw dan ook geen geschil in het kader van het ouderlijk gezag en valt deze buiten de reikwijdte van artikel 1:253a BW (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5677).



4.5
De rechtbank stelt voorts vast dat er geen wettelijke bepaling bestaat, op grond waarvan de vrouw het verzoek om vervangende toestemming aan de rechtbank kan voorleggen. Justis hanteert echter – ten onrechte – het beleid, dat bij het indienen van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam waarbij de instemming van een van de juridische ouders ontbreekt, deze instemming moet zijn vervangen door de rechtbank.



4.6
De vrouw is als gevolg hiervan niet in staat om een verzoek te doen op grond van artikel 1:7 BW en kan niet aan Justis vragen om de geslachtsnaam van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen. De rechtbank is, net als de Raad, van oordeel dat de vrouw recht en belang heeft bij het doen van de aanvraag bij Justis, zodat deze inhoudelijk kan worden beoordeeld. De rechtbank zal volgens vaste jurisprudentie het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.




4.7
Omdat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.





5De beslissing


De rechtbank



verleent de moeder – die van de vader - vervangende toestemming tot het doen van een aanvraag bij Justis om de geslachtsnaam van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen in de geslachtsnaam [van de vrouw] ;



verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



wijst het meer of anders verzochte af.



Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.



Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.