Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4362
2026-05-20
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/3156
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de geslachtsnaamwijziging van de zoon van eiser. De staatssecretaris heeft het verzoek om geslachtsnaamwijziging toegewezen. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Het beroep is ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2018:2722 Raad van State 15-08-2018
- ECLI:NL:RVS:2017:2015 Raad van State 26-07-2017
- ECLI:NL:RVS:2018:2722 Raad van State 15-08-2018
- ECLI:NL:RVS:2023:2075 Raad van State 31-05-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.672 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3156
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de geslachtsnaamwijziging van [persoon 1] , de zoon van eiser. De staatssecretaris heeft het verzoek om geslachtsnaamwijziging toegewezen. Eiser is het niet eens met deze beslissing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de geslachtsnaamwijziging van [persoon 1] doorgang kan vinden. De staatssecretaris heeft het bezwaar van eiser terecht ongegrond verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Op 22 januari 2025 heeft de staatssecretaris de geslachtsnaamwijziging van [persoon 1] toegewezen, op verzoek van de moeder. Eiser heeft op 25 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.
3. Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij het besluit tot toekenning van de geslachtsnaamwijziging gebleven.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Als belanghebbende is [persoon 2] , de moeder van [persoon 1] , aanwezig geweest.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat elementen die voortvloeien uit de verstoorde verstandhouding tussen ouders, zoals bijv. de afwezigheid van een omgangsregeling, geen rol spelen bij aanvragen om wijziging van de geslachtsnaam. Aan de voorwaarden van het Besluit geslachtsnaamwijziging (hierna: het Besluit) wordt voldaan. Hiervoor wordt gekeken naar de feitelijke situatie. Wat de belangenafweging betreft is gekeken naar wat in het belang is van [persoon 1] . De staatssecretaris acht het doorslaggevend dat [persoon 1] zich kan identificeren met zijn moeder en daarmee met het gezin waar hij in het dagelijks leven deel van uitmaakt.
Is voldaan aan de wettelijke eisen?
4.1.
Op grond van artikel 3, eerste en derde lid, van het Besluit kan de geslachtsnaam van een minderjarige worden gewijzigd als daartoe een verzoek wordt ingediend en wordt voldaan aan de voorwaarden. In geval van [persoon 1] stelt de wet dat de geslachtsnaam kan worden gewijzigd in de geslachtsnaam van zijn moeder, als zijn moeder hem in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed. Als zijn vader het niet eens is met deze wijziging, wordt het verzoek geweigerd, tenzij door de moeder kan worden aangetoond dat [persoon 1] en zijn vader voorafgaande aan de verzorgingstermijn van vijf jaren, niet meer dan een vierde deel van die periode in gezinsverband hebben samengeleefd. Om dit te beoordelen wordt in beginsel uitgegaan van informatie uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).
4.2.
De verzorgingstermijn van de moeder liep van 23 september 2019 tot en met 22 september 2024. De staatssecretaris had het verzoek moeten afwijzen als eiser ten minste een vierde deel van de periode vanaf de geboorte van [persoon 1] in 2016 tot 22 september 2019 in gezinsverband zou hebben samengeleefd met [persoon 1] . Uit het BRP-uittreksel en ter zitting blijkt dat de samenleving in gezinsverband is geëindigd op 9 januari 2017. Dat is ongeveer zes maanden na de geboorte van [persoon 1] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de uitzonderingsgrond. Eiser heeft dit als zodanig ook niet betwist. De staatssecretaris heeft dus, ondanks het ontbreken van instemming van eiser, het verzoek kunnen toewijzen.
4.3.
Eiser stelt evenwel dat in de situatie waar externe factoren ertoe hebben geleid dat eiser niet aan de verzorgingstermijn is toegekomen (de rechtbank begrijpt dat bedoeld is de termijn van samenleven in gezinsverband), het bestuursorgaan zou moeten toetsen of die termijn überhaupt in ogenschouw genomen zou moeten worden, dan wel buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. De staatssecretaris merkt in het verweer op dat eiser dit onvoldoende concreet heeft gemaakt, nu uit de gerechtelijke stukken over omgang en gezag blijkt dat het niet toekomen aan de verzorgingstermijn niet enkel te wijten is aan externe factoren. De staatssecretaris stelt dat omstandigheden die eiser zelf in de hand heeft gehad, er ook toe hebben geleid dat eiser slechts in zeer beperkte mate voor [persoon 1] heeft gezorgd.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toetsing of voldaan is aan de wettelijke eisen uit het Besluit geen beoordeling plaatsvindt van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat wel of niet aan de eisen wordt voldaan. De wet biedt enkel de ruimte om de feitelijke situatie te toetsen aan het Besluit, zodat daarom deze beroepsgrond niet kan slagen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser het betreurt dat er na het verbreken van de relatie geen omgangsregeling tot stand is gekomen, is dat (nog los van de vraag of er dan wèl sprake zou zijn geweest van samenleven in gezinsverband) geen omstandigheid die de staatssecretaris heeft moeten meewegen in deze toetsing.
Belangenafweging
5. Naast een toetsing aan de wettelijke eisen dient de staatssecretaris een belangenafweging te maken, waarbij de belangen van het kind voorop staan. Bij deze afweging moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. Als niet of nauwelijks in gezinsverband is samengeleefd, wordt er, gelet op de bedoeling van de regeling zoals neergelegd in het Besluit, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel, van uitgegaan dat het in het belang van het kind is dat deze de naam draagt van degene met wie hij een bestendige gezinssituatie heeft.Bij de belangenafweging vindt, gelet op de aard en de beoordeling van een aanvraag om geslachtsnaamswijziging, geen beoordeling plaats van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat [persoon 1] bij de moeder woont en niet of nauwelijks contact heeft met eiser.
5.1.
Eiser voert aan dat niet is gebleken dat [persoon 1] is voorgelicht over zijn afkomst. Daarnaast zou in de beslissing op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd dat de rol van de vader in de toekomst geborgd is. Het had op de weg van de staatssecretaris gelegen om terughoudend te toetsen en te wachten tot [persoon 1] twaalf is, zodat hij zelf een mening kan geven. In de besluitvorming is onvoldoende meegenomen wat de rol van de ouders is in het leven van [persoon 1] en hoe de contacten lopen. Daarbij is [persoon 1] zijn mening over de geslachtsnaamwijziging onvoldoende meegenomen.
5.2.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat om tot een zorgvuldige belangenafweging te komen. Hierbij wordt gewicht toegekend aan de gerechtelijke uitspraken ten aanzien van gezag en omgang. Daarbij wordt benadrukt dat de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat een ouder geen contact heeft met het kind, geen rol spelen in de belangenafweging. Hoewel het niet is gelukt omgang en contact tussen [persoon 1] en zijn vader te bewerkstelligen, is geen sprake van verduistering van de afkomst van [persoon 1] .
5.3.
De rechtbank ziet geen aanwijzingen waaruit blijkt dat de naamswijziging niet in het belang van [persoon 1] zou zijn. Tussen eiser en [persoon 1] is niet of nauwelijks aantoonbaar in gezinsverband samengeleefd. Hoewel eiser opmerkt dit niet zo te hebben gewild, spreekt hij de feitelijke situatie ook niet tegen. De staatssecretaris heeft vastgesteld dat [persoon 1] weet wie zijn vader is. Een geslachtsnaamwijziging zal er niet toe leiden dat [persoon 1] niet meer weet wie zijn vader is. De staatssecretaris acht het doorslaggevend dat [persoon 1] zich met zijn moeder kan identificeren en met het gezin waar hij in het dagelijkse leven deel van uitmaakt. Het Besluit strekt er verder niet toe de staatssecretaris de taak of bevoegdheid te geven beslissingen te nemen ten aanzien van het contact tussen ouder en kind in de toekomst of ten aanzien van de statusvoorlichting. Uit het bestreden besluit en het verweerschrift volgt dat de staatssecretaris relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij deze belangenafweging. Het bestreden besluit is dan ook goed gemotiveerd en geeft blijk van een redelijke weging van belangen.
5.4.
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris, in samenhang met de toetsing aan de wettelijke eisen, in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de geslachtsnaamwijziging toe te wijzen.
5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onzorgvuldigheid van het besluit
6. Door eiser is aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de voorzitter van de hoorzitting onvoldoende was voorbereid. In de motivering van de beslissing op bezwaar blijkt niet dat de staatssecretaris dit bij zijn besluit heeft betrokken.
6.1.
Uit het dossier volgt dat de hoorzitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2025. Uit het verslag blijkt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift toe te lichten. Door de rechtbank kan verder niet worden vastgesteld hoe de hoorzitting precies is verlopen en of de voorzitter al dan niet voldoende voorbereid was, maar uit de beslissing op bezwaar blijkt dat er een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden en die beslissing is, zoals hiervoor geoordeeld, goed gemotiveerd. Hetgeen eiser heeft aangevoerd leidt daarom niet tot het oordeel dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek dan wel zorgvuldigheidsgebrek.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarin de staatssecretaris de geslachtsnaamwijziging toekent, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 20 mei 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Artikel 7
1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.
(…)
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.
Besluit geslachtsnaamwijziging
Artikel 3
1. Op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, wordt de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd:
a. in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed;
(…)
3. Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.
(…)
5. Het verzoek wordt afgewezen, indien:
(…)
een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij:
1. de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent of mede ontleent, onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht dan wel de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht BES, waarbij onder misdrijf mede wordt begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf; of
2. verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent of mede ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het derde lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2722).
Zie de uitspraak van de afdeling van 16 juli 2025 (RVS:2025:3235).
Zie RVS:2025:3235 en de eerdere uitspraken van de Afdeling waarnaar daarin wordt verwezen: de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2015) in samenhang met de uitspraken van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2722) en 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2075).
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3156
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de geslachtsnaamwijziging van [persoon 1] , de zoon van eiser. De staatssecretaris heeft het verzoek om geslachtsnaamwijziging toegewezen. Eiser is het niet eens met deze beslissing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de geslachtsnaamwijziging van [persoon 1] doorgang kan vinden. De staatssecretaris heeft het bezwaar van eiser terecht ongegrond verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Op 22 januari 2025 heeft de staatssecretaris de geslachtsnaamwijziging van [persoon 1] toegewezen, op verzoek van de moeder. Eiser heeft op 25 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.
3. Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij het besluit tot toekenning van de geslachtsnaamwijziging gebleven.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Als belanghebbende is [persoon 2] , de moeder van [persoon 1] , aanwezig geweest.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat elementen die voortvloeien uit de verstoorde verstandhouding tussen ouders, zoals bijv. de afwezigheid van een omgangsregeling, geen rol spelen bij aanvragen om wijziging van de geslachtsnaam. Aan de voorwaarden van het Besluit geslachtsnaamwijziging (hierna: het Besluit) wordt voldaan. Hiervoor wordt gekeken naar de feitelijke situatie. Wat de belangenafweging betreft is gekeken naar wat in het belang is van [persoon 1] . De staatssecretaris acht het doorslaggevend dat [persoon 1] zich kan identificeren met zijn moeder en daarmee met het gezin waar hij in het dagelijks leven deel van uitmaakt.
Is voldaan aan de wettelijke eisen?
4.1.
Op grond van artikel 3, eerste en derde lid, van het Besluit kan de geslachtsnaam van een minderjarige worden gewijzigd als daartoe een verzoek wordt ingediend en wordt voldaan aan de voorwaarden. In geval van [persoon 1] stelt de wet dat de geslachtsnaam kan worden gewijzigd in de geslachtsnaam van zijn moeder, als zijn moeder hem in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed. Als zijn vader het niet eens is met deze wijziging, wordt het verzoek geweigerd, tenzij door de moeder kan worden aangetoond dat [persoon 1] en zijn vader voorafgaande aan de verzorgingstermijn van vijf jaren, niet meer dan een vierde deel van die periode in gezinsverband hebben samengeleefd. Om dit te beoordelen wordt in beginsel uitgegaan van informatie uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).
4.2.
De verzorgingstermijn van de moeder liep van 23 september 2019 tot en met 22 september 2024. De staatssecretaris had het verzoek moeten afwijzen als eiser ten minste een vierde deel van de periode vanaf de geboorte van [persoon 1] in 2016 tot 22 september 2019 in gezinsverband zou hebben samengeleefd met [persoon 1] . Uit het BRP-uittreksel en ter zitting blijkt dat de samenleving in gezinsverband is geëindigd op 9 januari 2017. Dat is ongeveer zes maanden na de geboorte van [persoon 1] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de uitzonderingsgrond. Eiser heeft dit als zodanig ook niet betwist. De staatssecretaris heeft dus, ondanks het ontbreken van instemming van eiser, het verzoek kunnen toewijzen.
4.3.
Eiser stelt evenwel dat in de situatie waar externe factoren ertoe hebben geleid dat eiser niet aan de verzorgingstermijn is toegekomen (de rechtbank begrijpt dat bedoeld is de termijn van samenleven in gezinsverband), het bestuursorgaan zou moeten toetsen of die termijn überhaupt in ogenschouw genomen zou moeten worden, dan wel buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. De staatssecretaris merkt in het verweer op dat eiser dit onvoldoende concreet heeft gemaakt, nu uit de gerechtelijke stukken over omgang en gezag blijkt dat het niet toekomen aan de verzorgingstermijn niet enkel te wijten is aan externe factoren. De staatssecretaris stelt dat omstandigheden die eiser zelf in de hand heeft gehad, er ook toe hebben geleid dat eiser slechts in zeer beperkte mate voor [persoon 1] heeft gezorgd.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toetsing of voldaan is aan de wettelijke eisen uit het Besluit geen beoordeling plaatsvindt van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat wel of niet aan de eisen wordt voldaan. De wet biedt enkel de ruimte om de feitelijke situatie te toetsen aan het Besluit, zodat daarom deze beroepsgrond niet kan slagen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser het betreurt dat er na het verbreken van de relatie geen omgangsregeling tot stand is gekomen, is dat (nog los van de vraag of er dan wèl sprake zou zijn geweest van samenleven in gezinsverband) geen omstandigheid die de staatssecretaris heeft moeten meewegen in deze toetsing.
Belangenafweging
5. Naast een toetsing aan de wettelijke eisen dient de staatssecretaris een belangenafweging te maken, waarbij de belangen van het kind voorop staan. Bij deze afweging moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. Als niet of nauwelijks in gezinsverband is samengeleefd, wordt er, gelet op de bedoeling van de regeling zoals neergelegd in het Besluit, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel, van uitgegaan dat het in het belang van het kind is dat deze de naam draagt van degene met wie hij een bestendige gezinssituatie heeft.Bij de belangenafweging vindt, gelet op de aard en de beoordeling van een aanvraag om geslachtsnaamswijziging, geen beoordeling plaats van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat [persoon 1] bij de moeder woont en niet of nauwelijks contact heeft met eiser.
5.1.
Eiser voert aan dat niet is gebleken dat [persoon 1] is voorgelicht over zijn afkomst. Daarnaast zou in de beslissing op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd dat de rol van de vader in de toekomst geborgd is. Het had op de weg van de staatssecretaris gelegen om terughoudend te toetsen en te wachten tot [persoon 1] twaalf is, zodat hij zelf een mening kan geven. In de besluitvorming is onvoldoende meegenomen wat de rol van de ouders is in het leven van [persoon 1] en hoe de contacten lopen. Daarbij is [persoon 1] zijn mening over de geslachtsnaamwijziging onvoldoende meegenomen.
5.2.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat om tot een zorgvuldige belangenafweging te komen. Hierbij wordt gewicht toegekend aan de gerechtelijke uitspraken ten aanzien van gezag en omgang. Daarbij wordt benadrukt dat de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat een ouder geen contact heeft met het kind, geen rol spelen in de belangenafweging. Hoewel het niet is gelukt omgang en contact tussen [persoon 1] en zijn vader te bewerkstelligen, is geen sprake van verduistering van de afkomst van [persoon 1] .
5.3.
De rechtbank ziet geen aanwijzingen waaruit blijkt dat de naamswijziging niet in het belang van [persoon 1] zou zijn. Tussen eiser en [persoon 1] is niet of nauwelijks aantoonbaar in gezinsverband samengeleefd. Hoewel eiser opmerkt dit niet zo te hebben gewild, spreekt hij de feitelijke situatie ook niet tegen. De staatssecretaris heeft vastgesteld dat [persoon 1] weet wie zijn vader is. Een geslachtsnaamwijziging zal er niet toe leiden dat [persoon 1] niet meer weet wie zijn vader is. De staatssecretaris acht het doorslaggevend dat [persoon 1] zich met zijn moeder kan identificeren en met het gezin waar hij in het dagelijkse leven deel van uitmaakt. Het Besluit strekt er verder niet toe de staatssecretaris de taak of bevoegdheid te geven beslissingen te nemen ten aanzien van het contact tussen ouder en kind in de toekomst of ten aanzien van de statusvoorlichting. Uit het bestreden besluit en het verweerschrift volgt dat de staatssecretaris relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij deze belangenafweging. Het bestreden besluit is dan ook goed gemotiveerd en geeft blijk van een redelijke weging van belangen.
5.4.
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris, in samenhang met de toetsing aan de wettelijke eisen, in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de geslachtsnaamwijziging toe te wijzen.
5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onzorgvuldigheid van het besluit
6. Door eiser is aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de voorzitter van de hoorzitting onvoldoende was voorbereid. In de motivering van de beslissing op bezwaar blijkt niet dat de staatssecretaris dit bij zijn besluit heeft betrokken.
6.1.
Uit het dossier volgt dat de hoorzitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2025. Uit het verslag blijkt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift toe te lichten. Door de rechtbank kan verder niet worden vastgesteld hoe de hoorzitting precies is verlopen en of de voorzitter al dan niet voldoende voorbereid was, maar uit de beslissing op bezwaar blijkt dat er een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden en die beslissing is, zoals hiervoor geoordeeld, goed gemotiveerd. Hetgeen eiser heeft aangevoerd leidt daarom niet tot het oordeel dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek dan wel zorgvuldigheidsgebrek.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarin de staatssecretaris de geslachtsnaamwijziging toekent, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 20 mei 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Artikel 7
1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.
(…)
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.
Besluit geslachtsnaamwijziging
Artikel 3
1. Op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, wordt de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd:
a. in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed;
(…)
3. Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.
(…)
5. Het verzoek wordt afgewezen, indien:
(…)
een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij:
1. de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent of mede ontleent, onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht dan wel de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht BES, waarbij onder misdrijf mede wordt begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf; of
2. verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent of mede ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het derde lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2722).
Zie de uitspraak van de afdeling van 16 juli 2025 (RVS:2025:3235).
Zie RVS:2025:3235 en de eerdere uitspraken van de Afdeling waarnaar daarin wordt verwezen: de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2015) in samenhang met de uitspraken van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2722) en 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2075).