Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4209
2026-04-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/ 419241 / FA RK 24-756
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoofdverblijf en kinderbijdrage
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.579 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/ 419241 / FA RK 24-756
(nadere) beschikking d.d. 17 april 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg, onttrokken, voorheen: mr. M. de Houck te Terneuzen.
Ouders van het navolgend, thans nog minderjarig, kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg (hierna: de Raad), de voorzieningenrecht van de rechtbank over de vordering geadviseerd.
De rechtbank merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Middelburg.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 8 januari 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier d.d. 8 mei 2025 van mr. Van den Branden;
- het op 9 mei 2025 ontvangen verweerschrift;
- de brief d.d. 2 juni 2025 van mr. Van den Branden;
- de brief d.d. 25 augustus 2025 van mr. Van den Branden, met producties;
- het F9-formulier d.d. 9 februari 2026 van mr. Van den Branden, met bijlage;
- de brief d.d. 18 maart 2026 van mr. Van den Branden, met producties;
- het (nader) rapport van de Raad van 16 maart 2026, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 19 maart 2026.
1.2 De zaak is nader behandeld op de mondelinge behandeling van 30 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad en een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met zaaknummers C/02/445895 / KG ZA 26-121 (vervangende toestemming vakantie) en C/02/446158 / JE RK 26-461 (ondertoezichtstelling). Op deze zaaknummers is per separate beschikking beslist.
1.4. In een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank is procesvertegenwoordiging door een advocaat verplicht; enkel een advocaat mag formele proceshandelingen verrichten. Echter geldt in verzoekschriftprocedures maar een beperkt procesvertegenwoordigingsplicht, die meebrengt dat, afgezien van onder andere het ondertekenen en het indienen van een verzoekschrift of verweerschrift, geen procesvertegenwoordiging door een advocaat vereist is voor handelingen zoals het overleggen van producties en/ of bijlagen. Daarnaast mag een verweerder zelf ter zitting mondeling verweer voeren.
1.5. Gebleken is dat mr. Tiggelaar zich op 17 maart 2026 van de zaak heeft onttrokken. De rechtbank is van oordeel dat de man gedurende een ruime periode in de gelegenheid is gesteld om een procesvertegenwoordiger te regelen. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij inmiddels contact heeft gelegd met een advocaat uit ’s-Gravenhage die bekend is met het familie- en jeugdrecht, maar momenteel op vakantie is. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat deze advocaat, gelet op het feit dat de man contact met hem heeft gehad in zijn vakantie, indien gewenst, tijdig had kunnen optreden, zich had kunnen stellen en zo nodig om aanhouding had kunnen verzoeken. Dat dit niet is gebeurd, komt voor rekening en risico van de man. De man heeft er voor gekozen om zonder procesvertegenwoordiger in persoon te verschijnen, ondanks dat hij wist dat zijn advocaat op vakantie was en daarnaast geen andere/ vervangende advocaat te hebben gezocht. Daarnaast is de man tijdens de zitting voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunt naar voren te brengen. Van schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde te hebben gehandeld door de zitting buiten aanwezigheid van een advocaat van de man doorgang te laten vinden.
2De nadere beoordeling
2.1.
Bij voormelde (tussen-)beschikking d.d. 8 januari 2025 van deze rechtbank is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 16 januari 2025 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De zaak is voor het overige aangehouden tot de nog in te plannen mondelinge behandeling.
2.2.
Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de minderjarige voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland gesteld, zulks met ingang van 20 januari 2026 tot 3 februari 2026. Het overige deel van het verzoek is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 30 januari 2026 is het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige toegewezen, te weten voor de periode van 3 februari 2026 en tot 20 april 2026.
2.4.
Bij beschikking van 9 februari 2026 heeft de rechtbank voornoemde voorlopige voorzieningenbeschikking van 5 maart 2024 gewijzigd ten aanzien van de daarin vastgestelde voorlopige zorgregeling en heeft bepaald dat er voorlopig geen omgang zal plaatsvinden tussen de man en de minderjarige [minderjarige] , dit met inachtneming van hetgeen hierover in r.o. 4.15. is overwogen. Verder heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder r.o. 4.17. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
2.5.
De rechtbank heeft een rapportage d.d. 16 maart 2026 van de Raad ontvangen op 19 maart 2026. Zakelijk weergegeven heeft de Raad geconstateerd dat de minderjarige en de man in de afgelopen jaren geen structureel (fysiek) contact hebben gehad, vanwege onenigheid tussen ouders over (de naleving van) de zorgregeling. Ook binnen de voorlopige ondertoezichtstelling is het realiseren van contact(herstel), tot nu toe (nog) niet van de grond gekomen. De GI heeft aangegeven dat zij eerst zicht wil krijgen op de gehele situatie tussen ouders. Hierdoor kan de GI, op dit moment, niet aangeven wat er passend is ten aanzien van de zorgregeling. In het raadsonderzoek zijn zorgen ten aanzien van het contact tussen de minderjarige en de man, de opvoedomgeving (bij de man) en het contact tussen ouders naar voren gekomen. De Raad maakt zich hier zorgen over en vindt zodoende dat er, binnen de ondertoezichtstelling, meer zicht dient te komen op de geconstateerde zorgen, voordat er een
definitieve zorgregeling vastgesteld kan worden. De Raad adviseert dan ook een definitieve beslissing op de zorgregeling aan te houden voor de duur van de ondertoezichtstelling. Desalniettemin is de Raad van mening dat dit niet ten koste hoeft en mag gaan van het contact tussen de minderjarige en de man. De Raad adviseert daarom begeleide contact tussen de man en de minderjarige, inhoudende twee keer per week (op een doordeweekse dag en een dag in het weekend). De invulling (en opbouw) hiervan vindt plaats onder regie
van de GI. Indien blijkt dat dit teveel is, kan de GI dit (tijdelijk) aanpassen. Ook de
verdere op- of uitbouw van contact, mits in het belang van de minderjarige, is aan de GI om op te pakken binnen de OTS. Voor wat betreft het hoofdverblijf adviseert de Raad om de hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw te bepalen. Dit komt immers overeen met de feitelijke situatie.
2.6.
Thans is aan de orde het gewijzigde verzoek van de vrouw om te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad:
II
Primair:
dat de bepalingen van het nog door partijen te ondertekenen ouderschapsplan deel
uitmaken van de te geven beschikking en het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten
Subsidiair:
dat het hoofdverblijf van de minderjarige zoon van partijen [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] bij de vrouw is;
de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 200,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zoon van partijen [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen, steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 16 januari 2025 althans met ingang van een zodanig datum als de rechtbank in redelijkheid zal bepalen;
III
de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen op een nog door de vrouw nader aan te voeren wijze en conform het nog door de vrouw over te leggen formulier "Verdelen en Verrekenen" en in het kader daarvan de man te veroordelen tot afgifte van de nog nader door de vrouw te specificeren (inboedel)goederen. althans de wijze, van verdeling vast te stellen op een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen wijze.
2.7.
De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die verzoeken.
Hoofdverblijf
2.8.
De vrouw heeft verzocht het hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen. De man heeft verweer gevoerd.
2.9.
Gebleken is dat de minderjarige sinds december 2023 tot en met heden bij de vrouw verblijft. Feitelijk heeft de minderjarige al zijn hoofdverblijf bij de vrouw. Hij is gewend en gehecht geraakt aan zijn huidige leefomgeving en ontwikkelt zich daar goed. De man heeft niet gesteld dan wel onderbouwd dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw niet in het belang van de minderjarige zou zijn. Zijn verweer lijkt te zijn ingegeven door de wens om zelf het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem te krijgen, zonder dat daarbij is gemotiveerd waarom dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk dan wel wenselijk is. Alles in aanmerking nemende, in het bijzonder de belangen van de minderjarige, is de rechtbank, net zoals de GI en de Raad, van oordeel dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw dient te worden bepaald. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat zijn juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met zijn feitelijke situatie. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw voor wat betreft het hoofdverblijf dan ook toewijzen.
Kinderbijdrage
2.10.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige met € 200,- per maand, zulks met ingang van 16 januari 2025, bij vooruitbetaling per maand aan haar te voldoen. De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage ten grondslag dat de minderjarige behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat de man de financiële draagkracht heeft die te voldoen. De man heeft verweer gevoerd en stelt geen draagkracht te hebben om enige bijdrage te voldoen.
Behoefte;
2.11.
Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank in beginsel de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
2.12.
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.
2.13.
Door de vrouw is gesteld dat partijen eind 2023 uiteen zijn gegaan. Zij heeft stukken, onder meer haar jaaropgave 2023, overgelegd, waaruit blijkt dat zij op het moment van uiteengaan eind 2023 een inkomen uit loondienst en een ziektewetuitkering had. Uit deze gegevens volgt een netto besteedbaar inkomen van € 2.138,- per maand. Wegens gebrek aan inkomensgegevens van de man heeft de vrouw het inkomen van de man in het jaar van uiteengaan geschat op € 1.750,- netto per maand. Uitgaande van voormeld inkomens en een kindgebondenbudget van € 138,- per maand, volgt een behoefte van de minderjarige volgens de tabel van € 554,- per maand. Geïndexeerd naar het heden bedraagt de behoefte van de minderjarige in 2026 op een bedrag van € 655,- per maand.
2.14.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft de door de vrouw berekende behoefte niet (gemotiveerd) bestreden. Hij heeft slechts opgemerkt dat hij nooit een dergelijk hoog inkomen van € 1.750,- netto per maand heeft gehad, maar weerlegt dit niet met (financiële) stukken en verbindt daaraan (ook) geen consequenties. De rechtbank zal derhalve de berekening van de vrouw als uitgangspunt nemen en uitgaan van een behoefte van € 655,- per maand in 2026.
Draagkracht onderhoudsplichtigen;
2.15.
Beoordeeld dient vervolgens te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient het huidig netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen te worden bepaald. De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule, zoals deze in 2026 geldt: 70% x (NBI – (0,3 NBI + 1.365,-)). Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.365,- aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
Draagkracht vrouw
2.16.
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat haar NBI becijferd kan worden op een bedrag van € 3.028,-. De rechtbank zal aldus dienovereenkomstig beslissen. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 528,- per maand.
Draagkracht man
2.17.
Wegens gebrek aan inkomensgegevens van de man, is de vrouw voor haar berekening voor de draagkracht van de man uitgegaan van een inkomen van € 3.000,- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag), nu zij heeft gehoord dat hij fulltime werkzaam is als buschauffeur bij [bedrijf] . Zijn NBI kan aldus becijferd worden op € 2.756,- per maand, hetgeen volgens de formule een draagkracht oplevert van € 395,- per maand.
2.18.
De man voert verweer. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in het geheel geen draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen. De man werkt momenteel 24 uur per week als buschauffeur bij [bedrijf] . Daarvoor ontvangt hij een inkomen van € 300,- tot € 350,- per week netto. Daarnaast komt hij niet meer in aanmerking voor een Wajong-uitkering; daarvoor is zijn inkomen te hoog. Daarbij komt dat de man hoge schulden heeft opgebouwd en deze ook moet aflossen.
2.19.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft nagelaten zijn financiële situatie te onderbouwen met relevante, verifieerbare stukken, en wel zodanig dat een compleet beeld van zijn financiële situatie ontstaat. De enige informatie die de rechtbank heeft is de mondelinge toelichting ter zitting van de man dat hij vanwege de hoogte van zijn inkomen uit loondienst, geen aanspraak meer maakt op een aanvullende Wajong-uitkering en dat hij € 300,- tot € 350,- netto per week (24 uur) zou verdienen. Dit is echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het NBI van de man te becijferen. Temeer omdat door de vrouw wordt betwist dat de man een 24-urige werkweek zou hebben. Ook hiervan heeft de man geen bewijs overgelegd. Dit komt voor de man zijn risico, nu het op zijn weg had gelegen om zijn standpunt/verweer deugdelijk te onderbouwen, nu hij daartoe ook voldoende in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank zal derhalve de berekening van de vrouw als uitgangspunt nemen en uitgaan van een draagkracht aan de zijde van de man van € 395,- per maand.
2.20.
Daarnaast stelt de man rekening te houden met een bedrag aan aflossingen van schulden, waarmee zijn draagkrachtloos inkomen dient te worden verhoogd. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting van de vrouw, het op de weg van de man had gelegen om met relevante financiële bescheiden inzichtelijk te maken dat hij daadwerkelijk een schuld heeft. Het ontbreken van voldoende financiële stukken ter onderbouwing van zijn stelling komt voor rekening en risico van de man, omdat hij ook daartoe voldoende in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met aflossingen van de schulden aan de zijde van de man.
Draagkrachtvergelijking;
2.21.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt derhalve € 923,- per maand. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de man bedraagt: 395 / 923 x 655 = € 280, -
het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 528 / 923 x 655 = € 375,-
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarige een gedeelte van € 280,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 375,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting;
2.22.
Op het aandeel van de man dient in beginsel de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting wordt uitgedrukt in een percentage van de behoefte
2.23.
Momenteel hebben de man en de minderjarigen geen contact met elkaar, maar de GI is voornemens begeleide omgang tussen de man en de minderjarige op te starten. Gelet hierop zal de rekening houden met een zorgkortingpercentage van 5 %. Nu de behoefte van de minderjarige € 655,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (afgerond) € 33,- per maand.
2.24.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 247,- per maand. Nu de vrouw slechts een bijdrage van € 200,- per maand heeft verzocht, ligt het in de rede de bijdrage op dit lagere bedrag vast te stellen, nu niet meer kan worden toegewezen dan is verzocht.
Ingangsdatum;
2.25.
De vrouw stelt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te worden bepaald op 16 januari 2025. Door het vervroegd uitspreken van de echtscheiding stelt het LBIO zich op het standpunt dat de voorlopige voorziening ten aanzien van de kinderalimentatie is komen te vervallen als gevolg van de inschrijving van de echtscheiding. Sinds 16 januari 2025 betaalt de man dan ook geen kinderalimentatie meer.
2.26.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken.
2.27.
De rechtbank ziet in de omstandigheden aanleiding om de betaling van de berekende kinderbijdrage in te laten gaan per de datum van de beschikking. Ondanks dat het verzoek tot kinderbijdrage er al sinds februari 2024 ligt en ook de man er rekening mee heeft kunnen (en moeten) houden dat een eventuele kinderbijdrage aan hem kan worden opgelegd (ook nadat de verplichting bij het LBIO is komen te vervallen), acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat de man vanaf januari 2025 geen € 200,- per maand heeft vrijgehouden voor de kinderbijdrage. De rechtbank acht het niet in het belang van de minderjarige dat de man onmiddellijk geconfronteerd wordt met een hoge achterstand aan kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank de bijdrage doen ingaan op de datum van deze beschikking.
Verdeling van de gemeenschap
2.28.
Namens de vrouw heeft mr. Van den Branden bij brief van 2 juni 2025 medegedeeld dat de vrouw haar verzoek betreffende de verdeling van de gemeenschap van goederen intrekt. De rechtbank kan dit verzoek dan ook niet meer onderzoeken, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.29.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing moet worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. Het is namelijk voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk dat de beslissing ondanks een eventueel hoger meteen uitgevoerd kan worden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] bij de vrouw;
5.2.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] , voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw een bedrag van € 200,- per maand te voldoen;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. De Haard, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/ 419241 / FA RK 24-756
(nadere) beschikking d.d. 17 april 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg, onttrokken, voorheen: mr. M. de Houck te Terneuzen.
Ouders van het navolgend, thans nog minderjarig, kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg (hierna: de Raad), de voorzieningenrecht van de rechtbank over de vordering geadviseerd.
De rechtbank merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Middelburg.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 8 januari 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier d.d. 8 mei 2025 van mr. Van den Branden;
- het op 9 mei 2025 ontvangen verweerschrift;
- de brief d.d. 2 juni 2025 van mr. Van den Branden;
- de brief d.d. 25 augustus 2025 van mr. Van den Branden, met producties;
- het F9-formulier d.d. 9 februari 2026 van mr. Van den Branden, met bijlage;
- de brief d.d. 18 maart 2026 van mr. Van den Branden, met producties;
- het (nader) rapport van de Raad van 16 maart 2026, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 19 maart 2026.
1.2 De zaak is nader behandeld op de mondelinge behandeling van 30 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad en een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met zaaknummers C/02/445895 / KG ZA 26-121 (vervangende toestemming vakantie) en C/02/446158 / JE RK 26-461 (ondertoezichtstelling). Op deze zaaknummers is per separate beschikking beslist.
1.4. In een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank is procesvertegenwoordiging door een advocaat verplicht; enkel een advocaat mag formele proceshandelingen verrichten. Echter geldt in verzoekschriftprocedures maar een beperkt procesvertegenwoordigingsplicht, die meebrengt dat, afgezien van onder andere het ondertekenen en het indienen van een verzoekschrift of verweerschrift, geen procesvertegenwoordiging door een advocaat vereist is voor handelingen zoals het overleggen van producties en/ of bijlagen. Daarnaast mag een verweerder zelf ter zitting mondeling verweer voeren.
1.5. Gebleken is dat mr. Tiggelaar zich op 17 maart 2026 van de zaak heeft onttrokken. De rechtbank is van oordeel dat de man gedurende een ruime periode in de gelegenheid is gesteld om een procesvertegenwoordiger te regelen. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij inmiddels contact heeft gelegd met een advocaat uit ’s-Gravenhage die bekend is met het familie- en jeugdrecht, maar momenteel op vakantie is. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat deze advocaat, gelet op het feit dat de man contact met hem heeft gehad in zijn vakantie, indien gewenst, tijdig had kunnen optreden, zich had kunnen stellen en zo nodig om aanhouding had kunnen verzoeken. Dat dit niet is gebeurd, komt voor rekening en risico van de man. De man heeft er voor gekozen om zonder procesvertegenwoordiger in persoon te verschijnen, ondanks dat hij wist dat zijn advocaat op vakantie was en daarnaast geen andere/ vervangende advocaat te hebben gezocht. Daarnaast is de man tijdens de zitting voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunt naar voren te brengen. Van schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde te hebben gehandeld door de zitting buiten aanwezigheid van een advocaat van de man doorgang te laten vinden.
2De nadere beoordeling
2.1.
Bij voormelde (tussen-)beschikking d.d. 8 januari 2025 van deze rechtbank is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 16 januari 2025 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De zaak is voor het overige aangehouden tot de nog in te plannen mondelinge behandeling.
2.2.
Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de minderjarige voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland gesteld, zulks met ingang van 20 januari 2026 tot 3 februari 2026. Het overige deel van het verzoek is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 30 januari 2026 is het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige toegewezen, te weten voor de periode van 3 februari 2026 en tot 20 april 2026.
2.4.
Bij beschikking van 9 februari 2026 heeft de rechtbank voornoemde voorlopige voorzieningenbeschikking van 5 maart 2024 gewijzigd ten aanzien van de daarin vastgestelde voorlopige zorgregeling en heeft bepaald dat er voorlopig geen omgang zal plaatsvinden tussen de man en de minderjarige [minderjarige] , dit met inachtneming van hetgeen hierover in r.o. 4.15. is overwogen. Verder heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder r.o. 4.17. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
2.5.
De rechtbank heeft een rapportage d.d. 16 maart 2026 van de Raad ontvangen op 19 maart 2026. Zakelijk weergegeven heeft de Raad geconstateerd dat de minderjarige en de man in de afgelopen jaren geen structureel (fysiek) contact hebben gehad, vanwege onenigheid tussen ouders over (de naleving van) de zorgregeling. Ook binnen de voorlopige ondertoezichtstelling is het realiseren van contact(herstel), tot nu toe (nog) niet van de grond gekomen. De GI heeft aangegeven dat zij eerst zicht wil krijgen op de gehele situatie tussen ouders. Hierdoor kan de GI, op dit moment, niet aangeven wat er passend is ten aanzien van de zorgregeling. In het raadsonderzoek zijn zorgen ten aanzien van het contact tussen de minderjarige en de man, de opvoedomgeving (bij de man) en het contact tussen ouders naar voren gekomen. De Raad maakt zich hier zorgen over en vindt zodoende dat er, binnen de ondertoezichtstelling, meer zicht dient te komen op de geconstateerde zorgen, voordat er een
definitieve zorgregeling vastgesteld kan worden. De Raad adviseert dan ook een definitieve beslissing op de zorgregeling aan te houden voor de duur van de ondertoezichtstelling. Desalniettemin is de Raad van mening dat dit niet ten koste hoeft en mag gaan van het contact tussen de minderjarige en de man. De Raad adviseert daarom begeleide contact tussen de man en de minderjarige, inhoudende twee keer per week (op een doordeweekse dag en een dag in het weekend). De invulling (en opbouw) hiervan vindt plaats onder regie
van de GI. Indien blijkt dat dit teveel is, kan de GI dit (tijdelijk) aanpassen. Ook de
verdere op- of uitbouw van contact, mits in het belang van de minderjarige, is aan de GI om op te pakken binnen de OTS. Voor wat betreft het hoofdverblijf adviseert de Raad om de hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw te bepalen. Dit komt immers overeen met de feitelijke situatie.
2.6.
Thans is aan de orde het gewijzigde verzoek van de vrouw om te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad:
II
Primair:
dat de bepalingen van het nog door partijen te ondertekenen ouderschapsplan deel
uitmaken van de te geven beschikking en het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten
Subsidiair:
dat het hoofdverblijf van de minderjarige zoon van partijen [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] bij de vrouw is;
de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 200,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zoon van partijen [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen, steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 16 januari 2025 althans met ingang van een zodanig datum als de rechtbank in redelijkheid zal bepalen;
III
de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen op een nog door de vrouw nader aan te voeren wijze en conform het nog door de vrouw over te leggen formulier "Verdelen en Verrekenen" en in het kader daarvan de man te veroordelen tot afgifte van de nog nader door de vrouw te specificeren (inboedel)goederen. althans de wijze, van verdeling vast te stellen op een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen wijze.
2.7.
De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die verzoeken.
Hoofdverblijf
2.8.
De vrouw heeft verzocht het hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen. De man heeft verweer gevoerd.
2.9.
Gebleken is dat de minderjarige sinds december 2023 tot en met heden bij de vrouw verblijft. Feitelijk heeft de minderjarige al zijn hoofdverblijf bij de vrouw. Hij is gewend en gehecht geraakt aan zijn huidige leefomgeving en ontwikkelt zich daar goed. De man heeft niet gesteld dan wel onderbouwd dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw niet in het belang van de minderjarige zou zijn. Zijn verweer lijkt te zijn ingegeven door de wens om zelf het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem te krijgen, zonder dat daarbij is gemotiveerd waarom dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk dan wel wenselijk is. Alles in aanmerking nemende, in het bijzonder de belangen van de minderjarige, is de rechtbank, net zoals de GI en de Raad, van oordeel dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw dient te worden bepaald. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat zijn juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met zijn feitelijke situatie. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw voor wat betreft het hoofdverblijf dan ook toewijzen.
Kinderbijdrage
2.10.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige met € 200,- per maand, zulks met ingang van 16 januari 2025, bij vooruitbetaling per maand aan haar te voldoen. De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage ten grondslag dat de minderjarige behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat de man de financiële draagkracht heeft die te voldoen. De man heeft verweer gevoerd en stelt geen draagkracht te hebben om enige bijdrage te voldoen.
Behoefte;
2.11.
Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank in beginsel de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
2.12.
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.
2.13.
Door de vrouw is gesteld dat partijen eind 2023 uiteen zijn gegaan. Zij heeft stukken, onder meer haar jaaropgave 2023, overgelegd, waaruit blijkt dat zij op het moment van uiteengaan eind 2023 een inkomen uit loondienst en een ziektewetuitkering had. Uit deze gegevens volgt een netto besteedbaar inkomen van € 2.138,- per maand. Wegens gebrek aan inkomensgegevens van de man heeft de vrouw het inkomen van de man in het jaar van uiteengaan geschat op € 1.750,- netto per maand. Uitgaande van voormeld inkomens en een kindgebondenbudget van € 138,- per maand, volgt een behoefte van de minderjarige volgens de tabel van € 554,- per maand. Geïndexeerd naar het heden bedraagt de behoefte van de minderjarige in 2026 op een bedrag van € 655,- per maand.
2.14.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft de door de vrouw berekende behoefte niet (gemotiveerd) bestreden. Hij heeft slechts opgemerkt dat hij nooit een dergelijk hoog inkomen van € 1.750,- netto per maand heeft gehad, maar weerlegt dit niet met (financiële) stukken en verbindt daaraan (ook) geen consequenties. De rechtbank zal derhalve de berekening van de vrouw als uitgangspunt nemen en uitgaan van een behoefte van € 655,- per maand in 2026.
Draagkracht onderhoudsplichtigen;
2.15.
Beoordeeld dient vervolgens te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient het huidig netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen te worden bepaald. De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule, zoals deze in 2026 geldt: 70% x (NBI – (0,3 NBI + 1.365,-)). Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.365,- aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
Draagkracht vrouw
2.16.
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat haar NBI becijferd kan worden op een bedrag van € 3.028,-. De rechtbank zal aldus dienovereenkomstig beslissen. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 528,- per maand.
Draagkracht man
2.17.
Wegens gebrek aan inkomensgegevens van de man, is de vrouw voor haar berekening voor de draagkracht van de man uitgegaan van een inkomen van € 3.000,- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag), nu zij heeft gehoord dat hij fulltime werkzaam is als buschauffeur bij [bedrijf] . Zijn NBI kan aldus becijferd worden op € 2.756,- per maand, hetgeen volgens de formule een draagkracht oplevert van € 395,- per maand.
2.18.
De man voert verweer. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in het geheel geen draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen. De man werkt momenteel 24 uur per week als buschauffeur bij [bedrijf] . Daarvoor ontvangt hij een inkomen van € 300,- tot € 350,- per week netto. Daarnaast komt hij niet meer in aanmerking voor een Wajong-uitkering; daarvoor is zijn inkomen te hoog. Daarbij komt dat de man hoge schulden heeft opgebouwd en deze ook moet aflossen.
2.19.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft nagelaten zijn financiële situatie te onderbouwen met relevante, verifieerbare stukken, en wel zodanig dat een compleet beeld van zijn financiële situatie ontstaat. De enige informatie die de rechtbank heeft is de mondelinge toelichting ter zitting van de man dat hij vanwege de hoogte van zijn inkomen uit loondienst, geen aanspraak meer maakt op een aanvullende Wajong-uitkering en dat hij € 300,- tot € 350,- netto per week (24 uur) zou verdienen. Dit is echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het NBI van de man te becijferen. Temeer omdat door de vrouw wordt betwist dat de man een 24-urige werkweek zou hebben. Ook hiervan heeft de man geen bewijs overgelegd. Dit komt voor de man zijn risico, nu het op zijn weg had gelegen om zijn standpunt/verweer deugdelijk te onderbouwen, nu hij daartoe ook voldoende in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank zal derhalve de berekening van de vrouw als uitgangspunt nemen en uitgaan van een draagkracht aan de zijde van de man van € 395,- per maand.
2.20.
Daarnaast stelt de man rekening te houden met een bedrag aan aflossingen van schulden, waarmee zijn draagkrachtloos inkomen dient te worden verhoogd. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting van de vrouw, het op de weg van de man had gelegen om met relevante financiële bescheiden inzichtelijk te maken dat hij daadwerkelijk een schuld heeft. Het ontbreken van voldoende financiële stukken ter onderbouwing van zijn stelling komt voor rekening en risico van de man, omdat hij ook daartoe voldoende in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met aflossingen van de schulden aan de zijde van de man.
Draagkrachtvergelijking;
2.21.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt derhalve € 923,- per maand. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de man bedraagt: 395 / 923 x 655 = € 280, -
het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 528 / 923 x 655 = € 375,-
Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarige een gedeelte van € 280,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 375,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting;
2.22.
Op het aandeel van de man dient in beginsel de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting wordt uitgedrukt in een percentage van de behoefte
2.23.
Momenteel hebben de man en de minderjarigen geen contact met elkaar, maar de GI is voornemens begeleide omgang tussen de man en de minderjarige op te starten. Gelet hierop zal de rekening houden met een zorgkortingpercentage van 5 %. Nu de behoefte van de minderjarige € 655,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (afgerond) € 33,- per maand.
2.24.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 247,- per maand. Nu de vrouw slechts een bijdrage van € 200,- per maand heeft verzocht, ligt het in de rede de bijdrage op dit lagere bedrag vast te stellen, nu niet meer kan worden toegewezen dan is verzocht.
Ingangsdatum;
2.25.
De vrouw stelt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te worden bepaald op 16 januari 2025. Door het vervroegd uitspreken van de echtscheiding stelt het LBIO zich op het standpunt dat de voorlopige voorziening ten aanzien van de kinderalimentatie is komen te vervallen als gevolg van de inschrijving van de echtscheiding. Sinds 16 januari 2025 betaalt de man dan ook geen kinderalimentatie meer.
2.26.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken.
2.27.
De rechtbank ziet in de omstandigheden aanleiding om de betaling van de berekende kinderbijdrage in te laten gaan per de datum van de beschikking. Ondanks dat het verzoek tot kinderbijdrage er al sinds februari 2024 ligt en ook de man er rekening mee heeft kunnen (en moeten) houden dat een eventuele kinderbijdrage aan hem kan worden opgelegd (ook nadat de verplichting bij het LBIO is komen te vervallen), acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat de man vanaf januari 2025 geen € 200,- per maand heeft vrijgehouden voor de kinderbijdrage. De rechtbank acht het niet in het belang van de minderjarige dat de man onmiddellijk geconfronteerd wordt met een hoge achterstand aan kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank de bijdrage doen ingaan op de datum van deze beschikking.
Verdeling van de gemeenschap
2.28.
Namens de vrouw heeft mr. Van den Branden bij brief van 2 juni 2025 medegedeeld dat de vrouw haar verzoek betreffende de verdeling van de gemeenschap van goederen intrekt. De rechtbank kan dit verzoek dan ook niet meer onderzoeken, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.29.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing moet worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. Het is namelijk voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk dat de beslissing ondanks een eventueel hoger meteen uitgevoerd kan worden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] bij de vrouw;
5.2.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] , voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw een bedrag van € 200,- per maand te voldoen;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. De Haard, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.