Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:3913

2026-04-09 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/440728 FA RK 25-5227
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-09
Publicatiedatum
2026-05-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/440728 FA RK 25-5227
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzen verzoek wijziging hoofdverblijf bij co-ouderschap; afwijzing verzoek vaststelling kinderalimentatie

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.786 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Breda


Zaaknummer: C/02/440728 FA RK 25-5227


9 april 2026



beschikking betreffende hoofdverblijf en levensonderhoud



in de zaak van




[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J.M. van der Borst,


en




[de man]
,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.B. de Bree.


1 Het procesverloop


1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 9 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 3 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de brieven van mr. Van der Borst van 3 november 2025 en 4 maart 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. De Bree van 3 maart 2026 met bijlage;
- het ouderschapsplan van partijen van 22 juni 2022.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 9 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.


1.3 Na te noemen minderjarige [minderjarige 1] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.



2De feiten


2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016 (hierna: [minderjarige 1] ),
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019 (hierna: [minderjarige 2] );
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de man erkend;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de man;
- uit de huidige relatie van de man en mevrouw [persoon] is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedag 3] 2025 (hierna: [minderjarige 3] ).



2.2
In voormeld ouderschapsplan van 22 juni 2022 zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ingeschreven op het adres van de man en dat er sprake is van een co-ouderschap.



2.3
Partijen hebben in het ouderschapsplan van 22 juni 2022 verder opgenomen welke kostenposten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor eigen rekening dan wel gezamenlijke rekening komen.





3Het verzoek


De vrouw verzoekt, samengevat:

- bepaling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar en op haar adres in de BRP zullen worden ingeschreven en dat zij gerechtigd zal zijn de kinderbijslag ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan te vragen;
- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 200,= per maand per kind, met ingang van de maand mei 2025.




4De beoordeling



Hoofdverblijf/inschrijving BRP en aanvragen kinderbijslag




4.1
De vrouw legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. Sinds februari 2025 ontvangt de man het kindgebonden budget niet meer vanwege de samenwoning met zijn huidige partner. De kinderen lijden schade zolang [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zijn ingeschreven en de man geen aanspraak kan maken op het kindgebonden budget. Het is in het belang van de kinderen dat het kindgebonden budget voor hen beschikbaar is. Wanneer het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw wordt vastgesteld, kan zij het kindgebonden budget voor de kinderen aanvragen en ontvangen.



4.2

De man voert verweer en stelt het volgende. Enkel financiële redenen kunnen geen reden zijn voor een wijziging van het hoofdverblijf van kinderen. Daarnaast betwist de man dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] schade lijden doordat de man het kindgebonden budget niet meer ontvangt. De kinderen krijgen alles wat zij nodig hebben. De man is bovendien bereid om alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voor zijn rekening te nemen of een bijdrage te betalen in de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw indien de vrouw die bijdrage nodig heeft.
De kinderen hebben dus geen belang bij een wijziging van hun hoofdverblijf.




4.3
De Raad heeft het ter zitting aangegeven dat de Raad niet adviseert over financiële kwesties. De Raad heeft in pedagogisch opzicht niets gehoord dat een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rechtvaardigt.



4.4

De rechtbank overweegt als volgt. Door de vrouw is onvoldoende gesteld dat het
belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt geschaad door het wegvallen van het kindgebonden budget
aan de zijde van de man. De vrouw heeft op zitting erkend dat de kinderen niets tekort
komen. Daarnaast heeft de vrouw niet inzichtelijk gemaakt dat het belang van de kinderen
meer zou worden gediend in het geval de kinderen bij haar worden ingeschreven en zij het
kindgebonden budget voor de kinderen kan aanvragen. Daarbij wordt opgemerkt dat de vrouw sinds 2025 de kinderbijslag voor [minderjarige 2] ontvangt. Naar het oordeel van de rechtbank is
er dan ook geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die
aanleiding geeft tot een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het verzoek van
de vrouw ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen, het adres van inschrijving van
de kinderen en het aanvragen van kinderbijslag ten behoeve van de kinderen zal daarom
worden afgewezen.




Kinderalimentatie





Grondslag verzoek





4.5
De vrouw verzoekt om vaststelling van een door de man aan haar te betalen kinderalimentatie. Ter zitting heeft zij desgevraagd aangegeven dat zij daarnaast de door partijen in hun ouderschapsplan neergelegde afspraken over de verdeling van de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in stand wenst te laten.



4.6
De man stelt dat het alimentatierekensysteem ervan uitgaat dat kinderalimentatiegerechtigde ouder, alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voldoet. Indien de rechtbank bepaalt dat hij kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen, moet de vrouw dus alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor haar rekening nemen. In dat geval kunnen de in het ouderschapsplan van partijen vastgelegde afspraken over de verdeling van de kosten van de kinderen niet in stand worden gehouden.



4.7

De rechtbank overweegt dat de omstandigheden sinds de ondertekening van het ouderschapsplan op 22 juni 2022 zijn gewijzigd als gevolg van (onder meer) het wegvallen van het kindgebonden budget aan de zijde van de man in 2025 en de geboorte van [minderjarige 3] op

[geboortedag 3] 2025. Gelet op het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW is er daarom aanleiding om te bezien of de door partijen in het ouderschapsplan neergelegde afspraken over de verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten worden gewijzigd. Zoals de rechtbank partijen ook ter zitting heeft voorgehouden, hanteert de rechtbank bij de becijfering van kinderalimentatie het uitgangspunt dat de ouder bij wie de kinderen zijn ingeschreven, alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen betaalt. Aangezien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het adres van de man ingeschreven blijven staan, zal de rechtbank er in haar alimentatieberekening dus van uitgaan dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor zijn rekening neemt. Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat de man een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, is die kinderalimentatie een bijdrage in de verblijfskosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw. De door partijen in hun ouderschapsplan gemaakte afspraken over de verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden dan komen te vervallen.

Ingangsdatum





4.8
De vrouw verzoekt een door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de maand mei 2025, omdat de man vanaf mei 2025 weet dat de vrouw kinderalimentatie van hem wil ontvangen. De advocaat van de vrouw heeft de man immers bij bericht van 23 april 2025 gevraagd om financiële gegevens te verstrekken, zodat een alimentatieberekening kan worden gemaakt.



4.9
De man is van mening dat een eventuele kinderalimentatie niet eerder dan per de datum van deze beschikking moet worden vastgesteld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan nog steeds bij hem ingeschreven en heeft hij tot heden het grootste deel van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voldaan. Als hij met terugwerkende kracht kinderalimentatie zou moeten voldoen, zou hij dubbel voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betalen.



4.10
De rechtbank overweegt dat partijen tot heden uitvoering hebben gegeven aan de in hun ouderschapsplan neergelegde afspraken over de verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tussen partijen staat vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot heden niets tekort zijn gekomen. De rechtbank acht dan ook geen reden aanwezig om met terugwerkende kracht kinderalimentatie vast te stellen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een eventuele kinderalimentatie laten ingaan per de datum van deze beschikking.



Uitgangspunten bij de berekening van kinderalimentatie





4.11
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.



Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]





4.12
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2021, uitgaande van een netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen van € 4.719,= per maand, € 1.070,= per maand bedroeg. Inclusief de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu € 1.334,= per maand, zijnde € 667,= per maand per kind.



Verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]





4.13
Het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.



4.14
Om in het navolgende te kunnen bepalen in welke verhouding de draagkracht van partijen moet worden verdeeld over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , moet tevens de behoefte van [minderjarige 3] worden vastgesteld.



Behoefte [minderjarige 3]





4.15

De man heeft de huidige behoefte van [minderjarige 3] berekend op een bedrag van € 824,= per maand. De vrouw heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de behoefte van [minderjarige 3] .
Aangezien de rechtbank de berekening van de man ten aanzien van de behoefte van [minderjarige 3] kan volgen en niet onredelijk voorkomt, zal de rechtbank conform die berekening uitgaan van een behoefte van [minderjarige 3] van € 824,= per maand.




Draagkracht vrouw





4.16

Aangezien de kinderalimentatie wordt vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking, acht de rechtbank het aangewezen om de draagkracht van de vrouw te becijferen aan de hand van haar meest recente inkomensgegevens, te weten haar loonstroken over januari en februari 2026. Volgens die loonstroken heeft de vrouw een salaris van
€ 3.213,= bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, 8% eindejaarsuitkering en een zorgkostenvergoeding van € 8,= bruto per maand.




4.17
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.



4.18
Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.128,= per maand.



4.19
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 578,= per maand. Deze draagkracht is volledig beschikbaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



Draagkracht man





4.20
Partijen zijn het erover eens dat voor wat betreft het NBI van de man kan worden aangesloten bij de door de man overgelegde berekening die op basis van de loonstroken over januari en februari 2026 uitkomt op een NBI van € 4.806,= per maand.



4.21
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.399,= per maand. Deze draagkracht moet worden verdeeld over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .



4.22
Hoewel de behoefte van [minderjarige 3] hoger is dan de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vindt de man het redelijk om zijn draagkracht gelijkelijk te verdelen over zijn drie kinderen. Dit betekent dat het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen € 933,= per maand en in de behoefte van [minderjarige 3] € 466,= per maand bedraagt.



Draagkracht mevrouw [persoon]





4.23

[persoon] , de huidige partner van de man, had volgens haar jaaropgaaf in 2025 een fiscaal jaarloon van € 32.262,=. Aangezien de man heeft aangegeven dat mevrouw [persoon] nu tijdelijk een Ziektewetuitkering ontvangt, acht de rechtbank geen reden aanwezig om het verzoek van de vrouw te volgen om mevrouw [persoon] alsnog inkomensgegevens over 2026 in het geding te laten brengen. De rechtbank zal conform het standpunt van de man in de draagkrachtberekening van mevrouw [persoon] uitgaan van het loon volgens haar jaaropgaaf 2025.



4.24
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.



4.25
Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van mevrouw [persoon] op een bedrag ter hoogte van € 2.674,= per maand.



4.26
De draagkracht van mevrouw [persoon] is dan volgens de formule € 355,= per maand. Deze draagkracht is volledig beschikbaar voor [minderjarige 3] .



Gezamenlijke draagkracht





4.27
Aangezien de gezamenlijke draagkracht van de vrouw, de man en mevrouw [persoon] hoger is dan de totale behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , ziet de rechtbank geen aanleiding om te bezien of de woonlasten van de man en mevrouw [persoon] duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag waarmee in de formule rekening is gehouden.



Draagkrachtvergelijking





4.28
Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dat de vrouw met € 510,= per maand (€ 578,=/€ 1.511,= x € 1.334,=) en de man met € 824,= per maand (€ 933,=/€ 1.511,= x € 1.334,=) moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.334,= per maand.



4.29

Een draagkrachtvergelijking tussen de man en mevrouw [persoon] blijft achterwege, omdat hun gezamenlijke (beschikbare) draagkracht voor de kosten van [minderjarige 3] , te weten
€ 821,= per maand, lager is dan de behoefte van [minderjarige 3] van € 824,= per maand.




4.30
Uit het voorgaande volgt dat de man € 109,= per maand minder hoeft bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan zijn berekende beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat man en mevrouw [persoon] € 3,= per maand tekort komen om volledig te voorzien in de behoefte van [minderjarige 3] . De man kan met het deel van zijn beschikbare draagkracht die hij niet benut voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in ieder geval dit tekort aanvullen zodat ook volledig in de behoefte van [minderjarige 3] wordt voorzien. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een correctie toe te passen op de uitkomst van de draagkrachtvergelijking.



Zorgkorting





4.31
Gelet op het co-ouderschap heeft de vrouw recht op toepassing van een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.334,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 467,= per maand.



4.32
Het aandeel van de vrouw in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 510,= per maand is hoger dan de zorgkorting waar zij recht op heeft. Dit betekent dat er bij de vrouw geen sprake is van een tekort om volledig in de dagelijkse zorgkosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen voorzien en dat de man geen kinderalimentatie aan de vrouw hoeft te betalen.



Conclusie





4.33
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie zal daarom worden afgewezen.



De rechtbank geeft de vrouw mee dat, voor zover zij (alsnog) meent dat er een wijziging moet plaatsvinden in de wijze waarop de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tussen partijen worden verdeeld in het ouderschapsplan, zij hierover met de man in overleg zal moeten treden.




Berekeningen





4.34
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.





5De beslissing


De rechtbank



5.1
wijst de verzoeken van de vrouw af.


Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.




Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.


Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.