Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:3818

2026-04-07 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/437596 / FA RK 25-3593
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-07
Publicatiedatum
2026-05-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/437596 / FA RK 25-3593
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervroegd uitspreken ES

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.128 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Familie- en Jeugdrecht



locatie Middelburg



Zaak- / rekestnummer: C/02/437596 / FA RK 25-3593


beschikking d.d. 7 april 2026


in de zaak van





[de vrouw]
(hierna te noemen: de vrouw),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
verzoekster,
advocaat: mr. H. Devkinandan, kantoorhoudende te Zoetermeer,
voorheen mr. Ç. Bayrak, kantoorhoudende te Bergen op Zoom.



tegen





[de man]
(hierna te noemen: de man),
wonende te [plaats 1] ,
verweerder,
advocaat mr. M.S. Yap, kantoorhoudende te Bergen op Zoom.





1De procedure


1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, met producties, ingekomen op 9 juli 2025;
- een betekeningsexploot, ingekomen op 18 juli 2025;
- het F9-formulier d.d. 12 september 2025 van mr. Devkinandan, met bijlage(n);
- het F9-formulier d.d. 12 november 2025 van mr. Yap;
- het F9-formulier d.d. 1 december 2025 van mr. Devkinandan;
- het F9-formulier d.d. 7 januari 2026 van mr. Devkinandan;
- de brief d.d. 13 januari 2026 van de Raad;
- het F9-formulier d.d. 12 februari 2026 van mr. Yap;
- het op 13 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- de brief d.d. 5 februari 2026 van de Raad.





2De feiten


2.1.
Partijen zijn op [datum] 1999 te Rijswijk met elkaar gehuwd.


2.2

Uit het huwelijk van partijen is geboren de nu nog minderjarige:
- [minderjarige 1] (roepnaam en hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011.




2.3.
Partijen zijn daarnaast de ouders van de inmiddels meerderjarige dochter [minderjarige 2] (roepnaam en hierna: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022.



2.4.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .



2.5.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.





3De beoordeling



Echtscheiding (bij vervroeging)




3.1.
De rechtbank begrijpt dat namens de vrouw wordt verzocht de echtscheiding bij vervroeging en zonder mondelinge behandeling uit te spreken, omdat zij daarbij een belang heeft. Zij stelt hiertoe dat zij de echtscheidingsbeschikking nodig heeft zodat zij in de schuldsanering kan. Zij is namelijk belast met diverse schulden van de man en een loonbeslag als gevolg van de schulden van de man, aldus de vrouw. De man verzet zich niet tegen het bij vervroeging uitspreken van de echtscheiding.



Ontvankelijkheid;





3.2.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtswetvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoek tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).



3.3.
De rechtbank constateert dat er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat partijen niet in staat zijn om gezamenlijk afspraken over de minderjarige te maken die in een ouderschapsplan kunnen worden opgenomen. Tijdens het huwelijk van partijen was er sprake van spanningen, met fysiek geweld gepaard gaande ruzies, bedreiging en dwingende controle door de man jegens de vrouw. De minderjarige is hier getuige van geweest en er zijn dan ook op dit moment de nodige zorgen rondom de minderjarige. Gelet op deze zorgen is heeft de voorzieningenrechter in de procedure met kenmerk C/02/439166 / KG ZA 25-441 verzocht om een raadsonderzoek in te stelen.



3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen. Het is voldoende aannemelijk dat de verhouding tussen partijen zodanig verslechterd is, dat zij op dit moment niet in staat zijn om gezamenlijk afspraken over de minderjarige te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw voldoende heeft toegelicht waarom redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij binnen een redelijke termijn alsnog een ouderschapsplan overlegt dat voldoet aan alle vereisten van artikel 815 lid 3 Rv.




3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het verzoek tot echtscheiding van de vrouw ontvankelijk.



3.6.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat partijen, gelet op het tijdsverloop en hetgeen de vrouw daarover heeft aangevoerd, een wezenlijk belang hebben bij het vervroegd uitspreken van de echtscheiding. Gelet hierop en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het echtscheidingsverzoek, zal het verzoek tot echtscheiding, gelet op de referte van de man, als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.



Overige verzoeken





3.7.
De rechtbank houdt de zaak ten aanzien van de overige verzoeken die nog voorliggen aan de rechtbank aan en verwijst deze naar een nader te bepalen mondelinge behandeling.



3.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende tussenbeslissing.





4De beslissing


4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1999 te [plaats 2] ;



4.2.
verwijst de zaak voor wat betreft de overige verzoeken aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling;



4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in tegenwoordigheid mr. De Haard, griffier.

SdH





























































Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.