Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:3767

2026-05-04 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/2280 en 25/2281
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-04
Publicatiedatum
2026-05-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/2280 en 25/2281
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

8:54; De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen bezwaar openstaat tegen een voorlopige aanslag. De rechtbank zal beoordelen of deze beslissing juist is. Op grond van artikel 26, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan belanghebbende slechts bezwaar maken en beroep instellen tegen belastingaanslagen en beschikkingen die in de wet als “voor bezwaar vatbaar worden aangemerkt”. Een voorlopige aanslag is op grond van artikel 9.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet voor bezwaar vatbaar. De inspecteur heeft de bezwaren tegen de voorlopige aanslagen dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond. Aangezien de rechtbank alleen een schadevergoeding kan uitspraken als het beroep gegrond is, komt de rechtbank verder niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding. Aangezien de gronden van belanghebbende ook zien op de afwijzing van de verzoeken om herziening, merkt de rechtbank het beroepschrift i

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.549 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Belastingrecht


zaaknummers: BRE 25/2280 en 25/2281


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaken tussen



[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. Belanghebbende heeft op 12 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2023 en 2024 met aanslagnummers [aanslagnummer] .H.30.02 en [aanslagnummer] .H.40.01. De inspecteur heeft op 17 april 2025 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en de verzoeken om ambtshalve herziening afgewezen. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 17 april 2025.



1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Voor zover belanghebbende opkomt tegen de beslissingen van de inspecteur om de voorlopige aanslagen niet te herzien, draagt de rechtbank de inspecteur op om het beroepschrift in behandeling te nemen als bezwaarschrift.




Beoordeling door de rechtbank


2. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen bezwaar openstaat tegen een voorlopige aanslag. De rechtbank zal beoordelen of deze beslissing juist is. Op grond van artikel 26, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan belanghebbende slechts bezwaar maken en beroep instellen tegen belastingaanslagen en beschikkingen die in de wet als “voor bezwaar vatbaar worden aangemerkt”. Een voorlopige aanslag is op grond van artikel 9.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet voor bezwaar vatbaar. De inspecteur heeft de bezwaren tegen de voorlopige aanslagen dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond. Aangezien de rechtbank alleen een schadevergoeding kan uitspraken als het beroep gegrond is, komt de rechtbank verder niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding.



2.1.
Aangezien de gronden van belanghebbende ook zien op de afwijzing van de verzoeken om herziening, merkt de rechtbank het beroepschrift in zoverre aan als bezwaarschrift. De rechtbank zal de inspecteur opdragen om deze bezwaren te beoordelen. Omdat de inspecteur al over het beroepschrift beschikt, zal de rechtbank het beroepschrift niet nogmaals doorzenden.




Conclusie en gevolgen


3. De beroepen zijn ongegrond. De rechtbank draagt de inspecteur op om het beroepschrift als bezwaren tegen de afwijzing van de verzoeken om herziening in behandeling te nemen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank wijst het verzoek om een schadevergoeding af.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart de beroepen ongegrond;


wijst het verzoek om een schadevergoeding af;


draagt de inspecteur op om het beroepschrift als bezwaren tegen de afwijzing van de verzoeken om herziening in behandeling te nemen.





Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.







griffier rechter




De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505.


Dit volgt uit artikel 8:73 Awb (oud), in samenhang met Artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50.