Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:3097
2026-03-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/445782 / JE RK 26-394
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Restant voorlopige ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.332 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/445782 / JE RK 26-394
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. Kerkhof te Gilze.
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 maart 2026, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- het door tussenkomst van mr. Nieland ontvangen e-mailbericht van de grootmoeder moederszijde;
- de ter zitting overgelegde schriftelijke verklaring van de vader.
1.2.
Op 17 maart 2026 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De advocaat, Mr. Van Kerkhof, was niet in de gelegenheid de zitting bij te wonen. Hij heeft tijdens de inhoudelijke behandeling van het verzoek ten aanzien van het halfbroertje van [minderjarige] zijn standpunt namens de vader kenbaar gemaakt.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij spoedbeschikking van 6 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt te beslissen op het verzoek zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
3.2.
De kinderrechter heeft op 6 maart 2026 deels beslist op dit verzoek. Thans is aan de orde de vraag of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven om de spoedbeschikking van 6 maart 2026 met ingang van heden te herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten de periode met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst naar de onderbouwing van het verzoek. Ondanks dat de rechtbankbij haar beschikking van 17 februari 2026 de moeder geen toestemming heeft verleend om met [persoon] en zijn halfzusje [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats 1] , heeft zij dit toch doorgezet. Dit heeft als gevolg dat de reisafstand tussen de ouders enorm is toegenomen en dit zet druk op de zorgregeling. De Raad is daarom van mening dat het het beste voor [minderjarige] is als de moeder zich zal vestigen in de regio Zeeland / Brabant in plaats van [woonplaats 1] . Een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader acht de Raad op dit moment niet passend, omdat dit een nieuwe verhuizing voor [minderjarige] zou betekenen. De Raad acht de verhuizing naar [woonplaats 1] niet in het belang van [minderjarige] , maar het is vanwege het ontbreken van zicht onduidelijk wat de exacte impact van de verhuizing op haar is. Bovendien loopt de omgang tussen de vader en [minderjarige] sinds de verhuizing onvoldoende. De Raad maakt zich hier zorgen over. Ook krijgt [minderjarige] op dit moment niet de hulpverlening die zij nodig heeft, namelijk fysiotherapie ten behoeve van haar ontwikkelingsafstand. Daarnaast zijn er zorgen over de relatie tussen de ouders. De spanningen lopen hoog op en er is tussen hen een impasse ontstaan. Vanuit het gedwongen kader moet zicht op [minderjarige] worden verkregen en keuzes worden gemaakt die in het belang van [minderjarige] zijn.
4.2.
De moeder kan zich vinden in een ondertoezichtstelling. De huidige situatie is niet alleen te wijten aan de moeder, maar is mede gecreëerd door de vader. De moeder heeft in afwachting van een beslissing van de rechtbank ten aanzien van haar verhuizing met de kinderen tijdelijk ingewoond bij oma. Dit was geen houdbare situatie en heeft er inmiddels toe geleid dat oma niet langer achter dit verblijf kon staan. De verhuizing naar [woonplaats 1] was dus in eerste instantie niet haar wens en noodgedwongen, maar ze heeft daar nu wel stabiliteit voor haar kinderen gecreëerd. De moeder begrijpt de boosheid van de vader en heeft gezocht naar een werkbare oplossing voor de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Ze probeert zich zo goed als mogelijk aan de omgangsregeling te houden en het lukt de ouders momenteel om afspraken met elkaar te maken. De moeder is bovendien hard op zoek naar een woning in de regio Zeeland - Brabant .
4.3.
De vader stemt in met het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling. De moeder trekt haar eigen plan, legt de recent gegeven beslissing van de rechtbank naast zich neer en geeft aan dat haar toekomst in Groningen ligt. De vader is het hier niet mee eens. De toekomst van [minderjarige] ligt in Zeeland of Brabant en niet in [woonplaats 1] . Er is op dit moment geen zicht op de situatie in [woonplaats 1] . De vader maakt zich grote zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is in een onrustige en onvoorspelbare situatie terechtgekomen. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is onder druk komen te staan, waarbij de vader onvoldoende zicht heeft op haar situatie in [woonplaats 1] . De vader moet zich al langere tijd aanpassen aan omstandigheden van de moeder en die afwijken van de gemaakte afspraken, terwijl er juist behoefte is aan stabiliteit en duidelijkheid. Het contact met de moeder is op dit moment lastig door een gebrek aan transparantie.
4.4.
De GI is het eens met het verzoek van de Raad. De jeugdbeschermer heeft recentelijk met beide ouders kennis gemaakt en hen kort uitgelegd wat de GI in de komende tijd gaat doen.
5De nadere beoordeling
Spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling
5.1.
Bij spoedbeslissing van 6 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Naar aanleiding daarvan constateert de kinderrechter dat zich geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat deze beslissing moet worden herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur, met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat [minderjarige] acuut en ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Ondanks dat de rechtbank geen toestemming heeft verleend, heeft de moeder toch besloten om de verhuizing met [minderjarige] en haar halfbroertje [persoon] naar [woonplaats 1] door te zetten. De verhuizing naar de andere kant van het land leidt ertoe dat er geen zicht meer is op [minderjarige] . De huidige situatie, waarbij de vader in [woonplaats 2] woont en de moeder in [woonplaats 1] , is ingewikkeld. Het handelen van de moeder heeft de verstandhouding tussen ouders nog meer onder druk gezet. Door de forse toename van reistijd wordt het contact tussen de vader en [minderjarige] bemoeilijkt. De omgang is al meerdere malen niet doorgegaan. Ook gaat [minderjarige] nu niet meer naar een kinderdagverblijf en krijgt zij niet langer de hulpverlening die zij nodig heeft ter ondersteuning van haar ontwikkelingsachterstand. In de huidige omstandigheden is het naar het oordeel van de kinderrechter hard nodig dat de Raad onderzoek gaat doen naar wat de impact is van de verhuizing op [minderjarige] en welke stappen in dit kader nodig zijn. Duidelijk is dat [minderjarige] door een onrustige tijd heen gaat, waarin ze wordt blootgesteld aan een nieuwe opvoedomgeving en de voor haar noodzakelijke hulpverlening abrupt is weggevallen. Bovendien krijgt [minderjarige] , al dan niet bewust, de opgelopen spanningen tussen de ouders mee. Door de impasse die is ontstaan tussen de ouders is de situatie binnen het vrijwillig kader niet op korte termijn op te lossen.
5.4.
Voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling is dus noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te kunnen nemen alsmede om ervoor te zorgen dat er in de komende periode beslissingen in het belang van [minderjarige] worden genomen. Het resterende deel van het hiertoe strekkende verzoek zal daarom worden toegewezen tot 6 juni 2026. De kinderrechter geeft de ouders mee om goed in gesprek te blijven en het belang van [minderjarige] voorop te blijven stellen.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst toe het restantverzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 31 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/445782 / JE RK 26-394
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. Kerkhof te Gilze.
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
1Het nadere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 maart 2026, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- het door tussenkomst van mr. Nieland ontvangen e-mailbericht van de grootmoeder moederszijde;
- de ter zitting overgelegde schriftelijke verklaring van de vader.
1.2.
Op 17 maart 2026 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De advocaat, Mr. Van Kerkhof, was niet in de gelegenheid de zitting bij te wonen. Hij heeft tijdens de inhoudelijke behandeling van het verzoek ten aanzien van het halfbroertje van [minderjarige] zijn standpunt namens de vader kenbaar gemaakt.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij spoedbeschikking van 6 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt te beslissen op het verzoek zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
3.2.
De kinderrechter heeft op 6 maart 2026 deels beslist op dit verzoek. Thans is aan de orde de vraag of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven om de spoedbeschikking van 6 maart 2026 met ingang van heden te herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten de periode met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst naar de onderbouwing van het verzoek. Ondanks dat de rechtbankbij haar beschikking van 17 februari 2026 de moeder geen toestemming heeft verleend om met [persoon] en zijn halfzusje [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats 1] , heeft zij dit toch doorgezet. Dit heeft als gevolg dat de reisafstand tussen de ouders enorm is toegenomen en dit zet druk op de zorgregeling. De Raad is daarom van mening dat het het beste voor [minderjarige] is als de moeder zich zal vestigen in de regio Zeeland / Brabant in plaats van [woonplaats 1] . Een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader acht de Raad op dit moment niet passend, omdat dit een nieuwe verhuizing voor [minderjarige] zou betekenen. De Raad acht de verhuizing naar [woonplaats 1] niet in het belang van [minderjarige] , maar het is vanwege het ontbreken van zicht onduidelijk wat de exacte impact van de verhuizing op haar is. Bovendien loopt de omgang tussen de vader en [minderjarige] sinds de verhuizing onvoldoende. De Raad maakt zich hier zorgen over. Ook krijgt [minderjarige] op dit moment niet de hulpverlening die zij nodig heeft, namelijk fysiotherapie ten behoeve van haar ontwikkelingsafstand. Daarnaast zijn er zorgen over de relatie tussen de ouders. De spanningen lopen hoog op en er is tussen hen een impasse ontstaan. Vanuit het gedwongen kader moet zicht op [minderjarige] worden verkregen en keuzes worden gemaakt die in het belang van [minderjarige] zijn.
4.2.
De moeder kan zich vinden in een ondertoezichtstelling. De huidige situatie is niet alleen te wijten aan de moeder, maar is mede gecreëerd door de vader. De moeder heeft in afwachting van een beslissing van de rechtbank ten aanzien van haar verhuizing met de kinderen tijdelijk ingewoond bij oma. Dit was geen houdbare situatie en heeft er inmiddels toe geleid dat oma niet langer achter dit verblijf kon staan. De verhuizing naar [woonplaats 1] was dus in eerste instantie niet haar wens en noodgedwongen, maar ze heeft daar nu wel stabiliteit voor haar kinderen gecreëerd. De moeder begrijpt de boosheid van de vader en heeft gezocht naar een werkbare oplossing voor de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Ze probeert zich zo goed als mogelijk aan de omgangsregeling te houden en het lukt de ouders momenteel om afspraken met elkaar te maken. De moeder is bovendien hard op zoek naar een woning in de regio Zeeland - Brabant .
4.3.
De vader stemt in met het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling. De moeder trekt haar eigen plan, legt de recent gegeven beslissing van de rechtbank naast zich neer en geeft aan dat haar toekomst in Groningen ligt. De vader is het hier niet mee eens. De toekomst van [minderjarige] ligt in Zeeland of Brabant en niet in [woonplaats 1] . Er is op dit moment geen zicht op de situatie in [woonplaats 1] . De vader maakt zich grote zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is in een onrustige en onvoorspelbare situatie terechtgekomen. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is onder druk komen te staan, waarbij de vader onvoldoende zicht heeft op haar situatie in [woonplaats 1] . De vader moet zich al langere tijd aanpassen aan omstandigheden van de moeder en die afwijken van de gemaakte afspraken, terwijl er juist behoefte is aan stabiliteit en duidelijkheid. Het contact met de moeder is op dit moment lastig door een gebrek aan transparantie.
4.4.
De GI is het eens met het verzoek van de Raad. De jeugdbeschermer heeft recentelijk met beide ouders kennis gemaakt en hen kort uitgelegd wat de GI in de komende tijd gaat doen.
5De nadere beoordeling
Spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling
5.1.
Bij spoedbeslissing van 6 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Naar aanleiding daarvan constateert de kinderrechter dat zich geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat deze beslissing moet worden herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur, met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat [minderjarige] acuut en ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Ondanks dat de rechtbank geen toestemming heeft verleend, heeft de moeder toch besloten om de verhuizing met [minderjarige] en haar halfbroertje [persoon] naar [woonplaats 1] door te zetten. De verhuizing naar de andere kant van het land leidt ertoe dat er geen zicht meer is op [minderjarige] . De huidige situatie, waarbij de vader in [woonplaats 2] woont en de moeder in [woonplaats 1] , is ingewikkeld. Het handelen van de moeder heeft de verstandhouding tussen ouders nog meer onder druk gezet. Door de forse toename van reistijd wordt het contact tussen de vader en [minderjarige] bemoeilijkt. De omgang is al meerdere malen niet doorgegaan. Ook gaat [minderjarige] nu niet meer naar een kinderdagverblijf en krijgt zij niet langer de hulpverlening die zij nodig heeft ter ondersteuning van haar ontwikkelingsachterstand. In de huidige omstandigheden is het naar het oordeel van de kinderrechter hard nodig dat de Raad onderzoek gaat doen naar wat de impact is van de verhuizing op [minderjarige] en welke stappen in dit kader nodig zijn. Duidelijk is dat [minderjarige] door een onrustige tijd heen gaat, waarin ze wordt blootgesteld aan een nieuwe opvoedomgeving en de voor haar noodzakelijke hulpverlening abrupt is weggevallen. Bovendien krijgt [minderjarige] , al dan niet bewust, de opgelopen spanningen tussen de ouders mee. Door de impasse die is ontstaan tussen de ouders is de situatie binnen het vrijwillig kader niet op korte termijn op te lossen.
5.4.
Voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling is dus noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te kunnen nemen alsmede om ervoor te zorgen dat er in de komende periode beslissingen in het belang van [minderjarige] worden genomen. Het resterende deel van het hiertoe strekkende verzoek zal daarom worden toegewezen tot 6 juni 2026. De kinderrechter geeft de ouders mee om goed in gesprek te blijven en het belang van [minderjarige] voorop te blijven stellen.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst toe het restantverzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 31 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).