Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:3009

2026-04-14 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/3396
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-04-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/3396
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2026/1478

Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijk

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.706 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/3396


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 april 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk, verbonden aan Juridisch adviesbureau Local Tax),


en




de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de invorderingsambtenaar.





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 28 mei 2025.



1.1.
De invorderingsambtenaar heeft bij een rentebeschikking aan belanghebbende invorderingsrente vergoed van € 30 (de rentebeschikking).



1.2.
De invorderingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de te vergoeden wettelijke rente vastgesteld op € 98.



1.3.
De invorderingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende. De invorderingsambtenaar is zonder kennisgeving aan de rechtbank niet verschenen.



1.5.
De invorderingsambtenaar is via het systeem Digitale Toegang, ook blijkens de loggegevens, op 12 februari 2026 om 13:37 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De rechtbank stelt daarmee vast dat de invorderingsambtenaar correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder aanwezigheid van de invorderingsambtenaar.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of tegen de beslissing om wettelijke rente te vergoeden beroep openstaat.

3. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiertegen geen beroep open. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten

4. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van rente in verband met vertraagde uitbetaling van een dwangsom.


4.1.
De invorderingsambtenaar heeft bij beschikking invorderingsrente vergoed aan belanghebbende.



4.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de rentebeschikking en gesteld dat ten onrechte invorderingsrente is vergoed. Tevens heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de wettelijke rente.



4.3.
De invorderingsambtenaar heeft bij een brief, met als onderwerp “uitspraak op bezwaar” de te vergoeden wettelijke rente vastgesteld op € 98. Daarbij is uitgegaan van een te vergoeden percentage van 6%. Daarnaast is een kostenvergoeding toegekend rekening houdend met een wegingsfactor 0,25. De brief bevat tevens een rechtsmiddelverwijzing.




Motivering


4.4.
Belanghebbende heeft primair gesteld dat de uitspraak op bezwaar ten onrechte is gedaan door de invorderingsambtenaar. Volgens belanghebbende had de uitspraak op bezwaar – nu het bezwaar betrekking had op de te vergoeden wettelijke rente in verband met de vertraagde uitbetaling van een dwangsom – gedaan moeten worden door de heffingsambtenaar.



4.5.
De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat de invorderingsambtenaar de wettelijke rente niet bij een uitspraak op bezwaar vast had mogen stellen, omdat er geen bezwaar en beroep openstaat tegen de beslissing om wettelijke rente te vergoeden. De aanwezigheid van een beroepsclausule kan op zichzelf geen rechtsmiddel openen dat de wet uitsluit. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier op 14 april 2026.












griffier


rechter








De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



Artikel 28a van de Invorderingswet 1990.


Artikel 4:18 van de Awb jo artikel 4:97 tot en met 4:100 van de Awb.


ECLI:NL:HR:2023:1121.