Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2927

2026-04-10 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/4755 en 25/5449
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-10
Publicatiedatum
2026-04-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/4755 en 25/5449
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank concludeert dat met betrekking tot de door de ontvanger gedane verrekening slechts een vordering bij de burgerlijk rechter kan worden ingesteld en dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er geen aanleiding voor de ontvanger om bij belanghebbende te vragen of het bezwaar zich uitsluitend richtte tegen de verrekening of ook (of alleen) tegen de invorderingsrente of tegen andere inhoudelijke gronden. Nu in de beschikking van 7 mei 2025 alleen een verrekening binnen vier weken wordt aangekondigd en hierin geen invorderingsrente is vermeld, treft de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie geen doel.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.795 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Belastingrecht


zaaknummers: BRE 25/4755 en 25/5449



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 op het verzet van



[belanghebbende]
, uit [woonplaats] , belanghebbende,


tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 december 2025 in het geding tussen



belanghebbende



en





de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.




Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 5 december 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van de beroepen van belanghebbende kennis te nemen.

2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.



Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 5 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

4. Belanghebbende voert in verzet aan dat uit de beschikking van 7 mei 2025 blijkt dat bezwaar mogelijk is. Belanghebbende verwijst ook naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2023. Belanghebbende stelt dat de ontvanger de vraag had kunnen stellen of het bezwaar zich uitsluitend richtte tegen de verrekening of ook (of alleen) tegen de invorderingsrente of tegen andere inhoudelijke gronden. Belanghebbende geeft verder aan waarom hij het niet eens is met de (totstandkoming van de) uitspraak op bezwaar van 6 november 2025. Belanghebbende stelt dat de rechtbank wel bevoegd is en dat een dwangsom verschuldigd is.

5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


6. De rechtbank heeft in de uitspraak van 5 december 2025 terecht overwogen dat het mogelijk is om bezwaar te maken tegen de beschikking tot teruggaaf vanwege middeling van 7 mei 2025. Belanghebbende heeft op 28 mei 2025 ook bezwaar gemaakt en daarbij verwezen naar de beschikking van 7 mei 2025. Belanghebbende komt echter niet in bezwaar tegen de teruggaaf, maar enkel tegen (het uitblijven van een beslissing op bezwaar tegen) de verrekening door de ontvanger en (het uitblijven van een beslissing over) de in dat verband verzochte dwangsom.

7. Een beslissing over het verrekenen van uit te betalen en te innen bedragen wordt genomen door de ontvanger op grond van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 (IW). In de IW is verder bepaald dat onder andere de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb niet op de IW van toepassing zijn. Dit betekent dat tegen beslissingen tot verrekening van de ontvanger geen beroep bij belastingrechter mogelijk is. Dit volgt ook uit artikel 8:5, eerste lid van de Awb dat bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij de Awb behoort. In die bijlage wordt de IW genoemd. Dit betekent dat ook geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. Dat geldt ook voor een daarmee verband houdend beroep wegens niet tijdig beslissen en een in dat verband verzochte dwangsom.

8. De rechtbank concludeert dat met betrekking tot de door de ontvanger gedane verrekening slechts een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld en dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren. De rechtbank heeft geen mogelijkheid om hier van af te wijken. Het oordeel van de rechtbank van 5 december 2025 dat het buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is, is dus terecht. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er geen aanleiding voor de ontvanger om bij belanghebbende te vragen of het bezwaar zich uitsluitend richtte tegen de verrekening of ook (of alleen) tegen de invorderingsrente of tegen andere inhoudelijke gronden. Nu in de beschikking van 7 mei 2025 alleen een verrekening binnen vier weken wordt aangekondigd en hierin geen invorderingsrente is vermeld, treft de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie geen doel.

9. De rechtbank overweegt tot slot dat belanghebbende in verzet aangeeft het ook niet eens te zijn met de uitspraak op bezwaar van 6 november 2025. Nu de uitspraak van de rechtbank van 5 december 2025 niet ziet op de uitspraak op bezwaar van 6 november 2025, neemt de rechtbank dat in de verzetsprocedure niet mee. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 6 november 2025 ook afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/6422. Belanghebbende kan klachten over de uitspraak op bezwaar van 6 november 2025 in die beroepsprocedure aanvoeren.



Conclusie en gevolgen


10. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 december 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 10 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.







griffier rechter




De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.









Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


ECLI:NL:GHAMS:2023:409.


Met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a IW.


Vgl. Gerechtshof Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3640.