Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2925

2026-04-10 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 24/4736
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-10
Publicatiedatum
2026-04-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 24/4736
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet betalen van griffierecht. De stelling van belanghebbende dat de brieven zijn verzonden naar een onjuist adres, wordt door de rechtbank verworpen. Immers geeft belanghebbende aan dat het adres sinds begin 2025 is gewijzigd en de brieven zijn daarvoor verzonden. Nu is vastgesteld dat de betalingsherinnering naar het juiste adres is verzonden, leidt de omstandigheid dat de handtekening op het bewijs van ontvangst niet van de geadresseerde zelf is - zoals belanghebbende stelt -, op zichzelf niet tot het oordeel dat de ontvangst van de betalingsherinnering moet worden betwijfeld. Belanghebbende heeft verder geen omstandigheden aangevoerd of stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de brief aan een ander onbekend persoon is afgegeven. De rechtbank ziet daarom geen reden eraan te twijfelen dat de betalingsherinnering door belanghebbende is ontvangen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.095 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 24/4736


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 op het verzet van



[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,


tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2025 in het geding tussen



belanghebbende



en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.



Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.



Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 24 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

4. Belanghebbende stelt dat de brief is verzonden naar een onjuist postadres, omdat hij sinds begin 2025 niet meer op dat adres ingeschreven staat. Belanghebbende heeft de aangetekende brief nooit ontvangen of afgehaald. De handtekening op de track-and-trace informatie van PostNL is niet van hem.

5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

6. Belanghebbende heeft op 17 mei 2024 een beroepschrift ingediend en daarbij het adres [adres] vermeld. De griffier heeft belanghebbende vervolgens bij brief van 12 juni 2024 (nota) en bij aangetekende brief van 11 juli 2024 (betalingsherinnering) in de gelegenheid gesteld het griffierecht te voldoen. Beide brieven zijn verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. De rechtbank heeft van belanghebbende geen adreswijziging ontvangen. De brieven zijn ook niet retour ontvangen.

7. De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet betalen van griffierecht. De stelling van belanghebbende dat de brieven zijn verzonden naar een onjuist adres, wordt door de rechtbank verworpen. Immers geeft belanghebbende aan dat het adres sinds begin 2025 is gewijzigd en de brieven zijn daarvoor verzonden.

8. Nu is vastgesteld dat de betalingsherinnering naar het juiste adres is verzonden, leidt de omstandigheid dat de handtekening op het bewijs van ontvangst niet van de geadresseerde zelf is – zoals belanghebbende stelt –, op zichzelf niet tot het oordeel dat de ontvangst van de betalingsherinnering redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Belanghebbende heeft verder geen omstandigheden aangevoerd of stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de brief aan een ander onbekend persoon is afgegeven. De rechtbank ziet daarom geen reden eraan te twijfelen dat de betalingsherinnering door belanghebbende is ontvangen.



Conclusie en gevolgen


9. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 24 oktober 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier, op 10 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.









Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.





Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Vgl. Gerechtshof Den Haag 18 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2368, r.o. 4.4.