Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2752

2026-04-08 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11002042 CV EXPL 24-1427 (T)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-08
Publicatiedatum
2026-04-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11002042 CV EXPL 24-1427 (T)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

In het tussenvonnis van 29 januari 2025 is gedaagde opgedragen tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat het paard bij aflevering een gebrek had en daardoor niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde niet geslaagd is in de bewijslevering (van het tegendeel). Verder is zij voornemens een deskundigenonderzoek te gelasten met betrekking tot de waarde van het paard.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.124 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Tilburg



Zaaknummer: 11002042 \ CV EXPL 24-1427




Vonnis van 8 april 2026




in de zaak van





1 [eiseres 1] ,

te [plaats 1] ,2. [eiseres 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. R.P. van den Broek,



tegen





[gedaagde partij]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.





De zaak in het kort




In het tussenvonnis van 29 januari 2025 is [gedaagde partij] opgedragen tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat het [paard] op bij aflevering een gebrek had en daardoor niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] niet geslaagd is in de bewijslevering (van het tegendeel). De kantonrechter zal dat hierna verder toelichten. Verder is zij voornemens een deskundigenonderzoek te gelasten met betrekking tot de waarde van het paard.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 januari 2025- de akte uitlaten bewijsopdracht van [gedaagde partij]
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 juni 2025- de conclusie na enquête en antwoordakte uitlaten bewijsopdracht van [eisende partij]- de conclusie na enquête en akte overlegging producties van [gedaagde partij]
- de antwoordakte uitlaten bewijsopdracht van [eisende partij] .



1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling





2.1.
In het tussenvonnis van 29 januari 2025 is, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Partijen zijn het erover eens dat [eisende partij] het paard als wedstrijdpaard voor de dochter van [eisende partij] heeft gekocht en dat zij een gezond paard wensten, geschikt voor de (hogere) dressuur- en wedstrijdsport. Ook is niet in geschil dat in ieder geval medio juli 2022 kreupelheid bij het paard is geconstateerd. Daarom wordt als gevolg van de werking van artikel 7:18 BW vermoed dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordde ten tijde van de levering op 23 februari 2022. Aan [gedaagde partij] is gelegenheid gegeven om bewijs van het tegendeel te leveren.



2.2.
Voor dit bewijs van het tegendeel kan [gedaagde partij] niet volstaan met het ontzenuwen van het vermoeden (door tegenbewijs te leveren). Bewijs van het tegendeel wil namelijk zeggen dat minst genomen aannemelijk wordt gemaakt dat de afwijking van het overeengekomene (in dit geval de kreupelheid) na de levering is ontstaan.



2.3.
In verband met deze bewijslevering heeft [gedaagde partij] schriftelijke verklaringen ingebracht en heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden.



2.4.


[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat tijdens het proefrijden met het paard en uit de keuringsrapporten die in de periode van aankoop zijn opgemaakt, niet blijkt dat het paard
kreupel was. De [trainster 1] heeft verklaard dat er tussen maart 2016 en 23 februari 2022 geen sprake was van kreupelheid (productie 20 bij de conclusie van antwoord), wat [naam 1] die destijds commissionair bij de verkoop was (productie 22 bij de conclusie van antwoord) en [trainster 2] als trainster van dressuurpaarden (productie 43 bij de akte uitlaten bewijsopdracht) hebben bevestigd. Tot slot heeft [gedaagde partij] verwezen naar de verklaringen van [naam 2] (productie 25 conclusie van antwoord en productie 50 bij de akte uitlaten bewijsopdracht), waarin zij heeft verklaard dat er geen kreupelheid was geconstateerd tussen augustus 2022 en april 2024.




2.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert dit alles nog geen concreet bewijs van het tegendeel op. Tijdens de keuringen zijn geen MRI-beelden gemaakt, zodat mogelijk het letsel en/of dat de oorzaak van de kreupelheid dat (mede) ligt in een overvuld hoefgewricht toen niet is gezien. Daarnaast is niet uit te sluiten dat het paard tijdens de eerste keuring onder invloed van medicatie was en heeft ook [eisende partij] onweersproken aangegeven dat de kreupelheid niet altijd even aanwezig was. Bovendien wordt aan de verklaringen van

[trainster 1] , [naam 1] en [trainster 2] minder waarde gehecht omdat zij zijn ingeschakeld door [gedaagde partij] in het kader van het optrainen en begeleiden van het paard en ook de verkoop.




2.6.

Ten aanzien van de verklaring van [naam 2] stelt de kantonrechter met [eisende partij] vast dat [naam 2] enerzijds betwist dat er kreupelheid is geconstateerd, maar zij anderzijds uitvoerig ingaat op het trainingsschema na de geboorte van het veulen op
27 juli 2023 en na de laatste MRI op 7 februari 2024. [naam 2] heeft niets verklaard over de training vóór die periode, terwijl [dierenarts 1] heeft verklaard dat “het revalidatieplan voor [paard] voorzag tijdens het verblijf bij mevrouw [naam 2] alleen beweging in stap.(…) Door haar eigenmachtige beslissing om [paard] in de stapmolen te draven terwijl de kliniek en mevrouw [eisende partij] hadden voorgeschreven alleen te stappen, heeft mevrouw [naam 2] de kans op genezing verkleind.”Ook uit productie 33 bij de akte overlegging producties blijkt dat [dierenarts 2] op de ontslagbrief van 12 augustus 2022 een trainingsschema heeft opgesteld voor [paard] , met alleen stapbewegingen, eerst in een kleine paddock en dan geleidelijk uit te breiden. De kantonrechter volgt hiermee de stelling van [eisende partij] dat het paard reeds bij aanvang van de stalling bij [naam 2] sprake was van revalidatie, zodat aan haar verklaring weinig waarde wordt gehecht.




2.7.


[gedaagde partij] heeft zich verder beroepen op de verklaringen van
drs. [paardendierenarts] , paardendierenarts, en professor dr. [professor] , hoogleraar en Hoofd Chirurgie en Orthopedie aan de Universiteit van Lyon.




2.8.


[professor] heeft voor zover van belang het volgende verklaard:

De meest waarschijnlijke oorzaak van de kreupelheid die voor het eerst veterinair werd vastgesteld op 19 juli 2022, zijn de simultane blessures van het podotrochleair apparaat (combinatie van straalbeen en pees letsels) in de linker ondervoet. (…). Zowel het bot oedeem van het straalbeen, als de oppervlakkige erosie van de buigpees en de proliferatieve ontsteking van de bursa mogen verwacht worden van in gelijke mate bij te dragen tot het kreupelheidsbeeld van het paard. De andere milde afwijkingen in de voet zijn hoogst waarschijnlijk niet van klinisch belang.


2. Geen enkel van deze letsels geeft uitsluitsel over de duur van de blessure, al kan met redelijk vermoeden geponeerd worden dat de gecombineerde blessure van het podotrochleair apparaat, op basis van het licht proliferatieve karakter van de weefselreactie in de bursa navicularis,
in ieder geval twee tot vier weken aanwezig moet zijn geweest tijdens het MRI-onderzoek van 5 augustus 2022, maar niet per definitie veel langer
. Dit is compatible met de datum waarop de kreupelheid voor het eerst werd waargenomen door een dierenarts (19 juli 2022).
Ten gevolge is het onmogelijk te stellen dat of het peesletsel, of het straalbeen letsel, of beiden aanwezig zouden geweest zijn op het ogenblik van de levering op 23 februari 2022
. Desalniettemin maakt de afwezigheid van enige kreupelheid tot 19 juli 2022, dat dit scenario hoogst onwaarschijnlijk blijft vermits de zulke letsels mogen verwacht worden van te leiden tot zichtbare kreupelheid eens ze aanwezig zijn.”






2.9.


[paardendierenarts] heeft tijdens het getuigenverhoor van 27 juni 2025 onder meer het volgende verklaard:
“(…) Ik ben in mijn verklaring ervanuit gegaan dat het paard pas in juli 2022 door een dierenarts gediagnostiseerd is met kreupelheid. (...) U houdt me ook voor dat in de hypothetische situatie dat het paard wel eerder klachten zou hebben gehad of ik dan ook zou hebben verklaard dat er hooguit een paar weken voor de MRI kan worden geantedateerd. Dat denk ik niet, maar is hier niet het geval. (…) U houdt me voor dat [professor] de problemen met betrekking tot het straalbeen antedateert op 2 tot 4 weken. Ik vind dat [professor] heel strak antedateert. Hij is wel professor maar ik zou zelf ook rekening houden met de bevindingen van [dierenarts 1] en kom zelf uit op 6 tot 8 weken. (…)”




2.10.
De kantonrechter stelt vast dat beiden verklaren dat het - gelet op de beelden van de MRI van 25 augustus 2022 en het overige materiaal dat hen ter beschikking is gesteld - onmogelijk lijkt om de letsels die te zien zijn, te antedateren over een periode van twee tot vier weken (volgens [professor] ) of 6-8 weken ( [paardendierenarts] ). Beiden verklaren dit in de veronderstelling dat [dierenarts 1] pas in juli 2022 kreupelheid heeft geconstateerd. Echter, door fysiotherapeut en tevens dierenarts [dierenarts 3] is dit al op 1 juni 2022 geconstateerd en ook [eisende partij] heeft verklaard dat toen zij begon met de dagelijkse training van het paard, zij gelijk steeds weer onregelmatigheden in de gang merkte. Dat [professor] en [paardendierenarts] het “onmogelijk” lijkt langer terug te antedateren kan een aanwijzing opleveren dat de kreupelheid later is ontstaan, maar dit levert nog geen bewijs op dat dit daadwerkelijk zo is. Daarbij komt dat [paardendierenarts] heeft verklaard dat hij, als het paard eerder al klachten van kreupelheid had (vóór juli 2022), hij dan niet zou hebben verklaard dat er hooguit een paar weken voor de MRI kan worden geantedateerd.



2.11.

Ook staat tegenover de verklaring van [professor] en [paardendierenarts] de verklaring van dierenartsen [dierenarts 1] en [dierenarts 2] die vermoeden dat het gaat om chronische problemen die er al tijdens de aankoop waren:

“24. Mevrouw [dierenarts 2] en ik gaan ervan uit dat het probleem al vóór de aankoop bestond, omdat uit onze ervaring blijkt dat het klinische beeld van kreupelheid bij een verstuiking niet geleidelijk begint (zoals bij [paard] het geval was), maar dat het paard van het ene op het andere moment sterk kreupel is (kreupelheidsgraad 3-4 op een schaal van 5, soms zelfs 5).



29. Er is echter ook geen bewijs dat de veranderingen die alleen op de MRI en niet op de röntgenfoto te zien zijn, niet al op de dag van aankoop aanwezig waren. Wat voor chroniciteit spreekt, is dat het sluipend is gekomen. Spanning, nervositeit, soms een beetje kreupel, op een gegeven moment permanent en duidelijk kreupel. Zoals al beschreven: als [paard] zich acuut had verwond, zou ze van het ene op het andere moment duidelijk kreupel zijn geweest.


30. Wat betreft de manifestatie van de kreupelheid ben ik het volledig eens met professor [professor] . Daarom is het voor mij net zo goed denkbaar dat de kreupelheid van [paard] tijdelijk met succes is behandeld. Ik heb echter al in mijn eerste lezing uitgelegd dat naar mijn ervaring het soort kreupelheid dat [paard] heeft, moeilijk blijvend te behandelen is en tot chroniciteit neigt.”





2.12.
Uit de verklaringen van [professor] en [paardendierenarts] zou dus wellicht kunnen volgen dat de blessure van het paard is ontstaan na 23 februari 2022, maar deze verklaringen vormen naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende bewijs in de zin van het vereiste tegendeelbewijs. Er blijft immers onduidelijk van welke omstandigheid, die zich na aflevering van het paard heeft voorgedaan, de kreupelheid het gevolg is of zijn oorsprong in vindt.



2.13.

[gedaagde partij] heeft zich ook nog beroepen op de aanvullende verklaring van [professor] die is opgesteld naar aanleiding van de opmerkingen van de zijde van [eisende partij] / [dierenarts 1] , productie 53 bij de conclusie na enquête en akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde partij] . [professor] schrijft hierin onder meer dat “De aanwezigheid van de gebreken ten tijde van de levering op 23 februari 2022 kan inderdaad niet uitgesloten worden maar blijft in mijn opinie hoogst onwaarschijnlijk gezien:

1. Er op de MRI onderzoeken geen bewijzen kunnen worden gevonden van langdurig ziekteverloop (zoals bot resorptie of densificatie).


2. Het paard twee aankoop onderzoeken heeft ondergaan zonder vermelding van enig teken van kreupelheid.


3. Het paard naar verluid voor de levering uitvoerig bereden is geweest door de aankoper


4. Het paard na de levering verschillende malen met succes in competitie is verschenen zonder vermelding van kreupelheid.


5. Het paard op 13 juni tijdens een veterinair onderzoek vrij van kreupelheid is bevonden door


Dr. [dierenarts 1] .


6. Het paard pas voor het eerst op 1 juni, tijdens een fysiotherapeutisch onderzoek met een lichte onregelmatigheid van het linker voorbeen is bevonden, en pas later, op 19 juli, tijdens een volledig veterinair orthopedisch onderzoek met een laaggradige kreupelheid van het linker voorbeen is gesignaleerd.”




2.14.
De kantonrechter stelt echter met [eisende partij] vast dat de door [professor] genoemde lichte onregelmatigheid op 1 juni 2022 wel door een erkend dierenarts is vastgesteld, namelijk [dierenarts 3] , zodat deze constatering wel degelijk relevant is. Vervolgens heeft [dierenarts 1] op 19 juli 2022, ruim zes weken later, geconstateerd dat sprake was van een laaggradige kreupelheid. Er zat derhalve al een zeker verloop in. De diagnose van 13 juni 2022 van [dierenarts 1] dat het paard vrij was van kreupelheid, doet daaraan niet af.



2.15.


[professor] heeft zijn conclusie dat de aanwezigheid van de gebreken tijdens de levering onwaarschijnlijk is, ook getrokken op het feit dat er op de MRI-beelden geen bewijzen kunnen worden gevonden van langdurig ziekteverloop zoals botresorptie of densificatie.

[eisende partij] heeft bij antwoordakte van 11 februari 2026 erkend dat op de MRI-beelden geen botresorptie of botdensificatie is waargenomen, zelfs niet tijdens het tweede MRI-onderzoek op 7 februari 2024 terwijl toen de overige gebreken nog steeds zichtbaar waren. [eisende partij] heeft daarbij verwezen naar de verklaring van [dierenarts 2] : “Sinds het eerste MRI-onderzoek in augustus 2022 is de merrie in de wei geweest en is ze niet belast gedurende deze periode. Desondanks is er nog steeds botoedeem zichtbaar in het gebied van het axiale straalbeen. Dit betekent dat dit gebeid zelfs na 1,5 jaar nog niet volledig tot rust is gekomen. De fibrilatie van de diepe buigpees en de desmitis van het mediale collaterale ligament van het hoefgewricht zijn niet veranderd ten opzichte van het eerste onderzoek.” [eisende partij] stelt dat hiermee duidelijk is dat ook na 1,5 jaar geen sprake was van botresorptie of botdensificatie, terwijl wel sprake was en is van een langdurig ziekteverloop. De afwezigheid van botresorptie of botdensificatie op de beelden geven volgens [eisende partij] geen duidelijkheid over de vraag of de gebreken op het tijdstip van de levering in februari 2022 aanwezig waren. De kantonrechter volgt deze redenering; niet kan worden uitgesloten dat de gebreken op het tijdstip van de levering niet aanwezig waren.




2.16.

[professor] verwijst verder nog naar de aankooponderzoeken en dat [eisende partij] het paard voor de aankoop uitvoerig heeft bereden. [eisende partij] heeft daarbij echter terecht opgemerkt dat de eerste keuring (en het proefrijden) is beïnvloed door het aangetroffen medicijn Flunixine, zodat niet met zekerheid kan worden aangenomen dat de tred van het paard hierdoor destijds is beïnvloed. [eisende partij] heeft [paard] op 7,8 en 16 januari 2022 proefgereden, derhalve voordat het paard positief werd getest op doping. Bovendien sluit dit niet uit dat het paard kort voorafgaand aan de levering van 23 februari 2022 door een omstandigheid kreupel is geworden.



2.17.

[gedaagde partij] heeft ten slotte nog verzocht om tegendeelbewijs te leveren middels een deskundigenbericht. De kantonrechter ziet daartoe echter geen aanleiding, omdat [gedaagde partij] er in eerste instantie zelf voor heeft gekozen om bewijs te leveren middels schriftelijk bewijs en het horen van getuigen. Daarnaast behoren tot het dossier al verklaringen van een tweetal deskundigen van de zijde van [gedaagde partij] , te weten [professor] en [paardendierenarts] , zodat ook daarom er onvoldoende reden bestaat voor benoeming van nog een andere deskundige.




Conclusie





2.18.
De kantonrechter concludeert op basis van het voorgaande dat [gedaagde partij] er niet in geslaagd is om het vereiste tegendeelbewijs te leveren. De kantonrechter gaat dus uit van het vermoeden dat het [paard] op het moment van de levering een gebrek had (kreupelheid) en het paard niet aan de koopovereenkomst heeft beantwoord.



Gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst en gedeeltelijke terugbetaling van de koopprijs





2.19.
Op grond van artikel 6:265 jo 6:270 BW kan een overeenkomst geheel of gedeeltelijk worden ontbonden indien sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, waarbij een gedeeltelijke ontbinding inhoudt een evenredige vermindering in van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid. Omdat in dit geval sprake is van een gebrek op grond van artikel 7:18 BW, acht de kantonrechter de primaire vordering tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst toewijsbaar.



2.20.
Resteert de vraag of er grond is voor gedeeltelijke terugbetaling van de koopprijs van een bedrag van € 132.900,00 op grond van artikel 6:74 jo 6:277 BW. [eisende partij] stelt daartoe dat zij het paard heeft laten taxeren voor een bedrag van € 12.100,00 inclusief btw per 23 februari 2022, zodat de aankoopprijs tot dit bedrag moet worden verminderd. [gedaagde partij] heeft de taxatiewaarde gemotiveerd weersproken, omdat hij twijfelt aan de onpartijdigheid van de taxateur. Daarnaast stelt hij dat het paard ten onrechte alleen is fokmerrie is aangemerkt en dat er onvoldoende rekening is gehouden met de afstamming van het paard.



2.21.
De kantonrechter overweegt om voor de bepaling van de waarde van het [paard] op de datum van verkoop en levering in februari 2022 een onderzoek door een deskundige/deskundigen in te laten stellen. De kantonrechter is voornemens als deskundige te benoemen: [deskundige] van [bedrijf] te [plaats 3] .



2.22.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van de waardebepaling van voor de paardendressuur in wedstrijdverband geschikte paarden en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:



Op welke vrije verkoopwaarde taxeert u [paard] op 23 februari 2022, ervan uitgaande dat het paard met kreupelheid is behept?


Wilt u bij uw antwoord betrekken het door u gebruikte referentiemateriaal bijvoorbeeld fokdieren of recreatiepaarden?


Wilt u bij uw antwoord betrekken wat de verkoopprijzen waren van paarden met vergelijkbare leeftijd, afstamming en uitzicht op het door training bereiken van het niveau van de hogere dressuursport?


Wilt u in uw taxatie en de toelichting daarop onder meer betrekken tevens de afstamming van het paard en de wedstrijdresultaten die het paard na de verkoop en levering op 23 februari 2022 heeft behaald?


Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de kantonrechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?





2.23.
De kantonrechter ziet in de bewijslastverdeling aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de gedaagde partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door [gedaagde partij] worden betaald. De deskundige heeft deze kosten begroot op € 3.630,00 exclusief btw (uurtarief € 100,00 exclusief btw, verwachte tijdsbesteding 20-30 uur).



2.24.
In het eindvonnis zal de kantonrechter beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.



2.25.
De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de voorgestelde deskundige, de aan de deskundige voor te leggen vragen en de hoogte van het voorschot.



2.26.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 22 april 2026 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,



3.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,



3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.








Zie o.a. HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666


productie 42 bij de conclusie na getuigenverhoor van de zijde van [eisende partij] .


productie 46 bij de akte uitlaten bewijsopdracht van de zijde van [gedaagde partij] .


productie 44 bij de conclusie na getuigenverhoor van de zijde van [eisende partij] .


productie 42 bij de conclusie na getuigenverhoor en antwoordakte uitlaten bewijsopdracht van de zijde van [eisende partij] .


productie 41 bij de akte overleggen producties van de zijde van [eisende partij]