Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2695

2026-03-26 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE - 25 _ 6095
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-26
Publicatiedatum
2026-04-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE - 25 _ 6095
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2026/774

Inhoudsindicatie

Mondeling uitspraak, afvalstoffenheffing

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.699 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/6095


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 oktober 2025.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 juli 2025 aan belanghebbende een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd naar een bedrag van € 12,87. De aanslag is opgelegd voor de woning aan [adres] (de woning).



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon 1] , vergezeld door [persoon 2] , en namens de heffingsambtenaar mr. A.G. Hendriks.



1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Overwegingen


2. Belanghebbende stelt – kort samengevat – dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is om een aanslag afvalstoffenheffing aan hem op te leggen, omdat hij een nakomeling is van Ambonese ex-K.N.I.L.-militairen en staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, die op grond van de Regeling Militaire aangelegenheden tijdelijk in Nederland verblijft, waarbij het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen van toepassing is. Dit betekent volgens belanghebbende dat hij geen ingezetene van Nederland is en dat de wettelijke regelingen waarop de aanslag afvalstoffenheffing is gebaseerd op hem niet van toepassing zijn. Verder stelt belanghebbende dat de aanslag afvalstoffenheffing ten onrechte aan hem is opgelegd en aan zijn broer, [persoon 1] , als hoofdbewoner, had moeten worden opgelegd.



2.1.
In de kern vindt belanghebbende dat hem en zijn familie onrecht is aangedaan door de Staat der Nederlanden. De rechtbank heeft daar begrip voor, maar in deze zaak kan de rechtbank dat niet ten volle aan de orde laten komen en kan zij geen oordeel geven of door de Staat onrechtmatig is gehandeld jegens ex-KNIL-militairen en hun nakomelingen. De rechtbank kan in deze zaak alleen een antwoord geven op de vraag of de heffingsambtenaar bevoegd is om een aanslag afvalstoffenheffing aan belanghebbende op te leggen als nakomeling van ex-KNIL-militairen.



2.2.
Daar is al veel rechtspraak over. In een vergelijkbare zaak van de broer van belanghebbende hebben de rechtbank en het gerechtshof uitgebreid uitgelegd waarom de gemeente wel bevoegd is om een aanslag afvalstoffenheffing op te leggen. De Hoge Raad heeft dit in stand gelaten. Ook in zaken van anderen is dat uitgelegd. De rechtbank sluit zich bij deze rechtspraak aan en volstaat hier met een verwijzing daarnaar. Dat betekent dat de grond dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is om een aanslag afvalstoffenheffing op te leggen aan nakomelingen van ex-KNIL-militairen niet slaagt.



2.3.
Omdat vaststaat dat belanghebbende gebruiker is van de woning (het perceel) en dat ten aanzien van dit perceel een inzamelplicht geldt, mocht de heffingsambtenaar een aanslag afvalstoffenheffing aan belanghebbende opleggen. Het is daarbij niet van belang of belanghebbende in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven.



2.4.
De rechtbank heeft ook geen reden om te oordelen dat de aanslag niet aan belanghebbende, maar aan zijn broer had moeten worden opgelegd. De heffingsambtenaar mag – kort gezegd – kiezen aan welke gebruiker van een perceel waarvoor een inzamelplicht geldt, hij de aanslag afvalstoffenheffing oplegt. Dat de heffingsambtenaar in de voorgaande jaren de aanslag afvalstoffenheffing steeds aan de broer van belanghebbende heeft opgelegd, maakt dat niet anders.




Conclusie en gevolgen


3. Het voorgaande betekent dat de aanslag afvalstoffenheffing terecht aan belanghebbende is opgelegd. De hoogte van de aanslag is niet in geschil. Het beroep is dus ongegrond. De aanslag afvalstoffenheffing blijft in stand.



3.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten en krijg hij het griffierecht ook niet terug.



3.2.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 26 maart 2026 en gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
















rechter







Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee dit proces-verbaal aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.





Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2889.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1207.


Hoge Raad 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1746.


Zie bijv. Gerechtshof Amsterdam 8 augustus 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2882 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9379.


Artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer.