Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2392

2026-03-30 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/4346
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-30
Publicatiedatum
2026-03-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
24/4346
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | Viditax (FutD) 2026060303 | FutD 2026-0989

Inhoudsindicatie

Ongegrond. De inspecteur heeft een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte omzetbelasting. De verzuimboete is passend en geboden.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.636 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 24/4346


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 april 2024.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 3.500 opgelegd. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag zijn aan belanghebbende een verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte van € 68 en een verzuimboete wegens het niet betalen van omzetbelasting van € 105 opgelegd.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende deels gegrond verklaard. Daarbij is de naheffingsaanslag omzetbelasting verminderd tot nihil en is de verzuimboete wegens het niet betalen van omzetbelasting vernietigd. De boete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte is gehandhaafd door de inspecteur.



1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur mr. drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].



1.5.
Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. De griffier heeft op 7 januari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende voor de onderhavige zaak is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van belanghebbende.





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Feiten


3. Belanghebbende dreef in het jaar 2023 een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] en was daarmee ondernemer voor de omzetbelasting.



3.1.
Bij brief met dagtekening 31 maart 2023 is belanghebbende geïnformeerd over haar aangifteplicht voor de omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in het jaar 2023. In de brief staat vermeld dat de aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal van het jaar 2023 uiterlijk op 31 januari 2024 moet zijn ontvangen door de inspecteur. Verder staat daarin vermeld dat een verzuimboete kan worden opgelegd indien geen of niet tijdig aangifte wordt gedaan.



3.2.
De inspecteur heeft geen tijdige aangifte ontvangen over het tijdvak 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 en heeft vervolgens de naheffingsaanslag met dagtekening 28 februari 2024 opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur de verzuimboetes vastgesteld.



3.3.
Belanghebbende heeft de aangifte op 1 april 2024 ingediend. De door haar aangegeven omzet bedraagt nihil.



Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?




3.4.
Aan de belastingplichtige die de aangifte omzetbelasting niet binnen de in artikel 10 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) bedoelde termijn heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd van maximaal € 136. Ter zake van een aangifteverzuim betreffende omzetbelasting legt de inspecteur in beginsel een verzuimboete op van vijftig procent van het wettelijk maximum.



3.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de aangifte voor het vierde kwartaal van het jaar 2023 te laat heeft ingediend. In dat geval is sprake van een verzuim. De inspecteur heeft de verzuimboete in beginsel dan ook terecht opgelegd.



3.6.
De mate van verwijtbaarheid speelt bij het opleggen van een verzuimboete geen rol, tenzij sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) of als sprake is van een pleitbaar standpunt. In dat geval dient het opleggen van een verzuimboete achterwege te blijven. Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verweten feit te voorkomen.



3.7.
Belanghebbende voert aan dat de eenmanszaak destijds al enkele kwartalen geen activiteiten meer had en de aangifte daardoor per abuis niet (tijdig) is ingediend. Verder voert belanghebbende aan dat de voorgaande aangiften omzetbelasting (en betalingen) altijd tijdig zijn gedaan. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om de menselijke maat toe te passen en de boete te vernietigen.



3.8.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van avas, aangezien niet vaststaat dat belanghebbende geen enkel verwijt treft dat de aangifte niet (tijdig) is ingediend. Belanghebbende was bekend met haar aangifteplicht en is ook gewezen op haar aangifteplicht voor de tijdvakken in het jaar 2023. De feiten en omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd geven aan dat de aangifte door omstandigheden is vergeten, maar dat leidt niet tot avas. Van belanghebbende mocht worden verwacht dat zij de aangifte wel tijdig had ingediend. De boete is dan ook terecht opgelegd.



3.9.
De rechtbank ziet in de door belanghebbende aangevoerde gronden ook geen aanleiding om de boete te matigen. Een verzuimboete van € 68 acht de rechtbank in dit geval niet disproportioneel voor het verzuim van het niet doen van een tijdige aangifte. De rechtbank acht de verzuimboete dan ook passend en geboden.





Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verzuimboete van € 68 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 30 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Artikel 67b van de AWR.


Paragraaf 22 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.


Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:844.