Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2298

2026-03-25 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11521260 \ CV EXPL 25-450
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-25
Publicatiedatum
2026-03-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11521260 \ CV EXPL 25-450
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis. Opzegging van de overeenkomst. Bij voortijdige beëindiging van de opdracht heeft de opdrachtnemer recht op “een redelijk loon” en gemaakte onkosten, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.830 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Bergen op Zoom



Zaaknummer: 11521260 \ CV EXPL 25-450




Vonnis van 25 maart 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand,



tegen




PMA NEDERLAND BV,
gevestigd te Dinteloord,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PMA,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 december 2025 en de daarin genoemde stukken;- de akte van PMA met één productie;- de antwoordakte van [eiser] .




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling


2.1.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 24 december 2025 onder meer bepaald dat de studieovereenkomst tussen partijen gekwalificeerd wordt als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. Daarnaast moet de mededeling van [eiser] in oktober 2020, gelet op de omstandigheden zoals geschetst in het tussenvonnis, gezien worden als een opzegging van de overeenkomst. Dit brengt met zich dat door de opzegging van [eiser] de overeenkomst tot een einde is gekomen. Bij voortijdige beëindiging van de opdracht heeft de opdrachtnemer (PMA) recht op “een redelijk loon” en gemaakte onkosten, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen.



2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter PMA in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken in het geding te brengen en een gemotiveerde toelichting daarop te geven ten aanzien van de daadwerkelijk gemaakte onkosten en een redelijk loon, welke specifiek voor [eiser] zijn gemaakt. Vervolgens is [eiser] in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte reageren.



2.3.
PMA heeft bij akte aangevoerd dat een bedrag van € 2.700,00 een redelijk loon is. Daarnaast heeft zij kosten gemaakt, zijnde licentiekosten voor de digitale leeromgeving en administratieve werkzaamheden. Zij begroot deze kosten op € 400,00. Het gaat dus om een totaalbedrag van € 3.100,00. [eiser] betwist de hoogte van de gemaakte kosten en stelt dat het redelijk loon niet is onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter is PMA er niet in geslaagd om aan te tonen welke kosten en redelijk loon zij daadwerkelijk voor [eiser] heeft gemaakt. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.



2.4.
PMA heeft geen stukken in het geding heeft gebracht voorzien van een gemotiveerde toelichting waarom zij recht heeft op een redelijk loon van € 2.700,00. Zij kan niet volstaan met een schatting van een redelijk loon. Ook heeft PMA geen handvatten gegeven voor de kantonrechter om zelf een redelijk loon te begroten. Er zijn geen relevante stukken overgelegd, zoals bijvoorbeeld een overzicht van gemaakte uren, een uurloon of het aantal deelnemers per docent. Het voorgaande heeft tot gevolg dat er geen bedrag kan worden vastgesteld of begroot als redelijk loon.



2.5.
Ook ten aanzien van de daadwerkelijk gemaakte onkosten heeft PMA niet voldoende gesteld dat zij € 400,00 aan onkosten voor [eiser] heeft gemaakt. PMA heeft slechts een factuur van [naam] , LLC van $ 399 (dollar) overgelegd. Zij heeft geen toelichting gegeven waar deze factuur op ziet en nergens blijkt uit dat deze factuur ziet op gemaakte onkosten voor [eiser] . Ook wordt door PMA niet onderbouwd welke administratieve werkzaamheden zij heeft verricht ten behoeve van [eiser] en welke onkosten hiervoor zijn gemaakt. Uit het voorgaande volgt dat PMA geen aanspraak heeft op ten behoeve van [eiser] gemaakte onkosten.



2.6.
Het gevolg is dat [eiser] recht heeft op terugbetaling van het volledige cursusgeld van € 4.500,00.



2.7.

[eiser] vordert onder punt 1 van het petitum de dagvaarding een verklaring voor recht dat nu PMA niet aan haar verklaringen uit de overeenkomst heeft kunnen voldoen [eiser] ook niet is gehouden om haar kant van de overeenkomst na te komen. De kantonrechter begrijpt uit hetgeen ter zitting is besproken, dat beslissing op dit punt niet nodig is.



2.8.
PMA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


148,04







- griffierecht


€


257,00







- salaris gemachtigde


€


720,00


(2,5 punten × € 288,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.269,04













3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
veroordeelt PMA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.500,00,



3.2.
veroordeelt PMA in de proceskosten van € 1.269,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als PMA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.



3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.