Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2295

2026-03-27 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE - 23 _ 11362
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-27
Publicatiedatum
2026-03-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE - 23 _ 11362
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bpm

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.955 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/11362


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] VOF, gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 3.975 en bij gelijktijdige beschikking € 5 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.822 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. De inspecteur heeft aan belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. De belastingrentebeschikking is ten onrechte vastgesteld en moet worden vernietigd. Ook de kostenvergoeding in bezwaar is te laag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 933 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig Peugeot 2008 met VIN nummer [VIN nummer] (de auto).



3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] B.V. van 14 februari 2022. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van € 14.715. Belanghebbende heeft in verband hiermee een bedrag van € 13.244, ofwel 90%, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde van € 20.287. Verder heeft belanghebbende nog een bedrag van € 2.000 extra in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in verband met ‘geen oordeel tellerstand RDW’.



3.2.
De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde bpm moet worden vastgesteld op € 4.908. De inspecteur heeft de verschuldigde bpm berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat naar zijn mening de taxatiemethode niet kon worden toegepast wegens essentiële gebreken. De naheffingsaanslag is met dagtekening 9 september 2022 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).



3.3.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur op verzoek van belanghebbende alsnog de koerslijstmethode toegepast, de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 3.755 en de naheffingsaanslag verminderd.




Motivering



Vooraf: artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)


4. De rechtbank heeft geconstateerd dat bijlage 10 bij het verweerschrift van de inspecteur zwartgelakte passages bevat. Het betreft de stukken die zien op het horen in de bezwaarfase. Uit de context van de stukken maakt de rechtbank op dat de zwartgelakte passages informatie over andere belastingplichtigen betreft, welke informatie niet relevant is voor deze zaak. Gelet hierop en het feit dat belanghebbende geen bezwaar heeft geuit tegen het inbrengen van de bijlage, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om aan de inbreng van die zwartgelakte passages gevolgen te verbinden.



Ontbreken inkoopfactuur en kennelijk onjuiste aangifte


5. De inspecteur stelt dat de inkoopfactuur ontbreek bij de stukken. Volgens de inspecteur moet het taxatierapport alleen al om die reden buiten beschouwing blijven.


5.1.
De rechtbank ziet in het ontbreken van de inkoopfactuur geen aanleiding om het taxatierapport in het geheel terzijde te schuiven. Wel kan het gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt.



Waardevermindering schade




5.2.
Belanghebbende stelt dat sprake is van schade aan de auto en dat daarom een waardevermindering in aanmerking moet worden genomen, onder verwijzing naar het taxatierapport. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.



5.3.
De rechtbank stelt voorop dat de verschuldigde bpm met betrekking tot gebruikte personenauto’s als uitgangspunt wordt berekend met inachtneming van een vermindering. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. Voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig die niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, wordt de verschuldigde bpm voldaan zonder toepassing van een vermindering. Verder geldt dat de verschuldigde bpm moet worden bepaald naar de (verwachte) staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van het belastbaar feit.



5.4.
Uit het taxatierapport van 14 februari 2022 volgt dat de auto op het moment van de keuring door de taxateur op 9 februari 2022 aanzienlijke gebreken vertoonde, waaronder geactiveerde airbags, defecten aan veiligheidssystemen, een motorstoring en een ernstig beschadigde voorruit. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank essentiële gebreken waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer. Indien de auto ten tijde van het belastbare feit nog in deze staat verkeerde, zoals belanghebbende in wezen bepleit, kan de taxatiemethode niet worden toegepast en geen vermindering in aanmerking worden genomen.



5.5.
Uit de stukken volgt echter dat de auto op 15 februari 2022 door de RDW is goedgekeurd voor toelating tot de weg. Dat wijst erop dat de auto op dat moment niet langer deze essentiële gebreken vertoonde. Het ligt dus voor de hand dat de auto tussen de taxatie en de RDW-keuring is hersteld. Indien de auto ten tijde van het belastbare feit reeds was hersteld, waar de rechtbank van uitgaat, geeft het taxatierapport geen juist beeld van de staat van de auto op dat moment en vormt het geen bruikbare grondslag voor het bepalen van de vermindering. Dus ook in dat geval kan geen vermindering in aanmerking worden genomen omdat het taxatierapport niet bruikbaar is en belanghebbende de aanwezigheid van schade en de vermindering vanwege ‘geen oordeel tellerstand RDW’ niet aannemelijk heeft gemaakt.



5.6.
Belanghebbende stelt dat het niet meenemen van een waardevermindering in verband met schade in strijd is met het Unierecht. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2021. De rechtbank ziet verder geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.



5.7.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. De naheffingsaanslag, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, blijft daarom in stand.



Belastingrente


6. Belanghebbende stelt in het nader stuk dat ten onrechte belastingrente aan haar in rekening is gebracht vanaf 1 januari 2022, omdat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan in 2022. De inspecteur geeft belanghebbende daarin gelijk. De rechtbank is het daar ook mee eens en zal de belastingrentebeschikking daarom vernietigen.



Kostenvergoeding bezwaarfase


7. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 en gesteld dat de kostenvergoeding te laag is vastgesteld. De inspecteur heeft dat op zitting erkend. De rechtbank acht dat terecht en zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief.



Vergoeding van immateriële schade


8. Belanghebbende heeft op 30 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



8.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 27 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.



8.2.
Omdat de bezwaarfase afgerond 13 maanden heeft geduurd en daarmee 7 maanden te lang, komt € 584 (7/18e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 916) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de belastingrentebeschikking wordt vernietigd en een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend. De naheffingsaanslag Bpm, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, blijft wel in stand. Verder heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade.



9.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht terug en krijgt zij krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt voor de bezwaarfase € 1.332. Voor de beroepsfase is de vergoeding in beginsel € 1.868. De rechtbank ziet echter aanleiding om de vergoeding voor de beroepsfase te matigen, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en het gewicht van de punten waarop belanghebbende gelijk heeft gekregen lichter is dan het gewicht van de zaak in zijn geheel. De rechtbank stelt daarom de vergoeding voor de beroepsfase daarom vast op € 934. De totale vergoeding bedraagt dan € 2.266.



9.2.
De rechtbank merkt op dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding is toegekend van € 592. Indien dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, komt het in mindering op de (nog) door de inspecteur te betalen proceskostenvergoeding.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend met betrekking tot de belastingrentebeschikking en de beslissing op de kostenvergoeding;


vernietigt de belastingrentebeschikking;


veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 584;


veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 916;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;


veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende.





Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 27 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


rechter







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.




Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 10 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1520.


Artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet Bpm.


Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.


Artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling BPM bewerkstelligt dat.


Vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415.


Gelet op hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen.


Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415.


ECLI:NL:HR:2024:1060.


Met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.


Vgl. Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283.


Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.