Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2220

2026-03-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/443645 / KG ZA 26-1 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-03
Publicatiedatum
2026-03-26
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/02/443645 / KG ZA 26-1 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

geen spoedeisend belang bij vorderingen tot afgifte stukken ter berekening legitieme portie en afleggen rekening en verantwoording door gevolmachtigde.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.212 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats Breda



Zaaknummer: C/02/443645 / KG ZA 26-1




Vonnis in kort geding van 3 maart 2026




in de zaak van





[eiseres]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S. Meeuwsen,



tegen





1 [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]
beiden in de in de hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater] ,
beiden te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat mr. W. H.F.L. Rademakers.






1De zaak in het kort


1.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn benoemd tot executeurs/afwikkelingsbewindvoerders van de nalatenschap van erflater. [gedaagde 2] is daarnaast bij levenstestament van erflater benoemd tot algemeen gevolmachtigde. [eiseres] is een van de erfgenamen, en zij vordert afgifte van diverse gegevens om haar aanvullende legitieme portie te kunnen berekenen. Ook vordert zij dat [gedaagde 2] overgaat tot afgifte van de afgelegde rekening en verantwoordingen over de jaren dat zij gebruik heeft gemaakt van de aan haar verleende volmacht en tot afgifte van de dechargeverklaringen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de producties van [eiseres] ,- de conclusie van antwoord,
- de producties van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.




3De feiten


3.1.
Op [datum] 2025 is de heer [erflater] (hierna: erflater) , vader van [eiseres] en de opa van [gedaagde 1] , overleden.



3.2.
Erflater heeft bij testament van 20 januari 2025 [eiseres] voor ½ deel tot erfgenaam benoemd en zijn kleinzonen [gedaagde 1] en zijn [broer] , ieder voor ¼ deel. [gedaagde 1] en zijn partner [gedaagde 2] zijn tezamen benoemd tot executeur. Daarnaast zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] benoemd tot afwikkelingsbewindvoerders.



3.3.
Uit de aan de verklaring van erfrecht van 26 november 2025 vastgehechte onderhandse verklaringen volgt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun benoeming tot executeurs/afwikkelings- bewindvoerders hebben aanvaard.



3.4.
Erflater had op 23 april 2020 een levenstestament opgemaakt, waarin hij [gedaagde 2] als zijn algemeen gevolmachtigde heeft aangewezen. Aan [gedaagde 2] is volmacht verleend om al de bankzaken en overige financiële zaken te regelen. In het levenstestament is bepaald dat de gevolmachtigde verplicht was tijdens het leven van erflater jaarlijks aan hem rekening en verantwoording af te leggen over het voorgaande jaar, en aan [gedaagde 1] als erflater niet meer in staat was om de rekening en verantwoording in ontvangst te nemen. Opgenomen is dat na goedkeuring van de rekening en verantwoording aan de gevolmachtigde décharge zal worden verleend. Daarnaast is bepaald dat de erfgenamen kunnen verlangen dat de gevolmachtigde aan hen rekening en verantwoording aflegt over de periode waarover tijdens het leven van erflater geen rekening en verantwoording is afgelegd en in ieder geval over het laatste jaar voorafgaand aan zijn overlijden.



3.5.

[gedaagde 2] heeft op basis van de aan haar verleende volmacht de woning van erflater verkocht. Deze is op 20 juni 2025 aan de koper geleverd. Op 22 juni 2025 is uit het vermogen van erflater aan [gedaagde 1] een schenking gedaan van € 150.000,00. [eiseres] betwist deze schenking. Voor het geval deze in stand blijft heeft zij een beroep gedaan op de aanvullende legitieme.



3.6.

[eiseres] heeft bij email van haar advocaat van 15 augustus 2025 aan de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzocht tot overlegging van een deugdelijke boedelbeschrijving met onderliggende bescheiden.



3.7.
Tussen de advocaten van partijen heeft vervolgens correspondentie plaatsgevonden, waarbij namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aantal van de door [eiseres] verzochte gegevens is verstrekt. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt met betrekking tot de overige door [eiseres] verzochte gegevens.





4Het geschil


4.1.


[eiseres] vordert - samengevat –I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot afgifte van de in het petitum van de dagvaarding omschreven bescheiden,
II [gedaagde 2] te veroordelen tot afgifte van de afgelegde rekeningen en verantwoordingen over de jaren dat zij gebruik heeft gemaakt van de volmacht tot en met 2025, de afgegeven dechargeverklaringen dan wel het afleggen van rekening en verantwoording voor zover zij die stukken niet kan overleggen.




4.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet ontvankelijk verklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans deze af te wijzen.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





5De beoordeling


5.1.

[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij, van de gevorderde gegevens, tot op heden nog niet heeft ontvangen:


de bankafschriften van de Rabo-rekening van erflater met [rekeningnummer 1] over de periode 1 januari 2020 tot heden


de bankafschriften van de ING-rekening van erflater met [rekeningnummer 2] over de periode 1 januari 2020 tot 1 januari 2025 en van 24 september 2025 tot heden.


Volgens [eiseres] lijkt kort voor het overlijden van erflater diens vermogen te zijn weggeschonken en zij wil kunnen nagaan of er nog meer schenkingen hebben plaatsgevonden.
- Daarnaast is aan haar geen overzicht verstrekt van alle lijfrentepolissen en /of lijfrenteverzekeringen en/of eventuele uitgekeerde lijfrentes en levensverzekeringen alsmede polissen en correspondentie over gedane uitkeringen.
Zij heeft de gegevens nodig voor de berekening van haar aanvullende aanspraak op de legitieme portie voor het geval de door haar betwiste schenking in stand blijft. Zij stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de gegevens aan haar moeten overleggen op grond van artikel 4:148 BW, artikel 4:78 lid 1 BW, dan wel artikel 194 Rv. Daarnaast heeft zij op grond van de redelijkheid en billijkheid belang bij de afgifte van de gevraagde stukken.



5.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dit verweer slaagt. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.



5.3.
Anders dan [eiseres] stelt vloeit de spoedeisendheid niet voort uit de aard van de vordering. De aard van de vordering in deze zaak is afgifte van gegevens. Hieruit vloeit niet zonder meer spoedeisendheid voort.



5.4.

[eiseres] heeft verder aangevoerd dat van haar niet kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure tussen partijen afwacht omdat bankafschriften door bankinstellingen maximaal 7 jaar bewaard worden. Ervan uitgaande dat het 1,5 jaar duurt eer er een uitspraak zal zijn gedaan in een bodemzaak, zou dit volgens haar ertoe kunnen leiden dat een deel van de bankafschriften waarin zij inzage wenst niet meer beschikbaar is.



5.5.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij beschikken over de bankafschriften waarvan [eiseres] afgifte vordert. Zij willen deze op dit moment echter nog niet aan [eiseres] verstrekken omdat zij nog bezig zijn met het in kaart brengen van de nalatenschap. De omvang van de nalatenschap staat nog niet vast en ze hebben zich nog niet uitgelaten over de erfdelen van iedere erfgenaam, zodat een eventuele aanspraak van [eiseres] op de aanvullende legitieme portie op dit moment niet kan worden gemaakt. Zij zijn niet weigerachtig om [eiseres] alle relevante informatie over het beheer van de nalatenschap te geven, maar zij willen dit pas doen op een door henzelf te kiezen moment. Bovendien willen zij eerst duidelijkheid krijgen van [eiseres] omtrent diverse geldopnames van de bankrekening van erflater tussen 2016 en 2019. De vordering van [eiseres] is volgens hen dus prematuur.



5.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu door [eiseres] niet is betwist dat de bankafschriften van de bankrekeningen van erflater in het bezit zijn van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , zij niet hoeft te vrezen dat de bankafschriften na verloop van tijd voor haar niet meer beschikbaar zullen zijn. Daarbij komt dat de verklaring van erfrecht dateert van 26 november 2025. Aannemelijk is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog bezig zijn met het vaststellen van de omvang van de nalatenschap en de erfdelen van iedere erfgenaam, waarbij het wel de vraag is in hoeverre dat aan de weg staat aan het verstrekken van desbetreffende gegevens aan [eiseres] .
Voor wat betreft de lijfrentepolissen en levensverzekeringen hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bovendien gesteld dat erflater die niet had.Door [eiseres] zijn verder geen omstandigheden gesteld waaruit het spoedeisend belang bij haar vordering I blijkt.




5.7.

[eiseres] heeft met betrekking tot het spoedeisend belang bij de door haar onder II gevorderde afgifte van de rekening en verantwoordingen en dechargeverklaringen slechts gesteld dat deze door [gedaagde 2] moeten worden overgelegd en dat zij dat niet zal doen. Het spoedeisend belang moet zijn gelegen in feiten en omstandigheden die behoren tot de sfeer van [eiseres] . [eiseres] heeft daarover niets gesteld.



5.8.
Dit alles leidt ertoe dat de vorderingen I en II worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang en dat de overige standpunten van partijen niet meer hoeven te worden besproken.



5.9.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





6De beslissing


De voorzieningenrechter



6.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,



6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.