Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:2216
2026-03-18
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/443268/ KG ZA 25-689
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
medewerking aan verkoop gezamenlijke woning erfgenamen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2024:810 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.714 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/443268 / KG ZA 25-689
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 18 maart 2026
in de zaak van
1 [eiseres] ,
te [plaats 1] ,
2. [eiser],
te [plaats 2] ,
eisers,
advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 3] ,
gedaagde,
advocaat: mr. H.A. Stein.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C.H.D.M. van de Kar als griffier.
Aanwezig zijn:
-eiser sub 2, bijgestaan door mr. Carli-Lodder,
-gedaagde, bijgestaan door mr. Stein.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 januari 2026,
- de producties 1 t/m 22 van de eisers,
- de conclusie van antwoord met productie, - de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van de zijde van eisers.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
2Waar gaat de zaak over?
Op [datum] 2012 is overleden de heer [erflater] (hierna te noemen: erflater), respectievelijk de zoon en broer van eisers en broer van gedaagde. Eisers en gedaagde zijn erfgenamen van erflater. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
Tot de nalatenschap behoort de woning (appartement) aan de [adres] te [plaats 3] (hierna: de woning). De nalatenschap is tot op heden niet verdeeld. Eisers en gedaagden zijn eider voor 1/3 deel eigenaar van de woning. Gedaagde bewoont per 1 januari 2015 de woning. Inmiddels woont hij daar met zijn gezin, waaronder twee minderjarige kinderen. Daarnaast hebben beide eisers met gedaagde een overeenkomst van geldlening gesloten. En heeft eiseres sub 1 afgelost op de hypotheek van de woning, wat volgens haar is te duiden als een schuld aan de nalatenschap van. Eisers willen uit de onverdeeldheid met betrekking tot de woning. Eiseres sub 1 stelt dat zij haar eigen woning dreigt te verliezen als zij niet spoedig kan beschikken over de liquiditeit uit de verkoop van de woning, omdat de opnamelimiet van de zogenaamde opeethypotheek voor haar eigen woning het maximum heeft bereikt en eiser sub 2 omdat hij noodzakelijke werkzaamheden moet verrichten aan zijn eigen woning. Bovendien heeft ING bank bij brief van 16 januari 2026 aan de erfgenamen bericht dat om te voldoen aan de wet- en regelgeving het haar beleid is om de hypotheek binnen 2 jaar over te zetten op naam van de erfgenaam/erfgenamen of te beëindigen., en dat zij tot uiterlijk 24 maart 2026 tijd krijgen om dit te regelen.
De vorderingen van eisers strekken ertoe dat gedaagde meewerkt aan de verkoop van de woning als hij deze niet zelf kan financieren en tot ontruiming van de woning, waarbij de aan gedaagde verstrekte schulden moeten worden afgelost.
3De beoordeling
3.1.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en overweegt daartoe het volgende.
3.2.
Eisers hebben voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen. Dat is door gedaagde ook niet betwist. Hij beroept zich op een belangenafweging, waarbij het spoedeisend belang bij het beschikken over liquiditeiten niet opweegt tegen zijn dringend belang om met zijn gezin in de woning te kunnen blijven wonen.
3.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarbij een inschatting maken van wat in een bodemprocedure door de bodemrechter zal worden geoordeeld.
3.4.
De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de bodemrechter het belang van gedaagde om met zijn gezin met minderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen zwaarder dient te wegen dan het belang van eisers bij verdeling van de gemeenschappelijke woning. Gedaagde heeft na zijn echtscheiding in 20214 tijdelijk bij eisers sub 1 ingewoond. De woning was destijds bewoond door studenten. Na hun vertrek uit de woning heeft eiseres sub 1 op de hypothecaire geldlening voor de woning afgelost om de maandelijkse lasten daarvoor te verlagen en deze ter beschikking te stellen aan gedaagde. Gedaagde heeft vervolgens vanaf 1 januari 2015 alle vaste lasten - waaronder ook de kosten van onderhoud die normaal voor rekening van de eigenaar/verhuurder komen en de lasten volgend uit de hypothecaire lening - met betrekking tot de woning voldaan en doet dat nog steeds. Daarmee voldoet gedaagde naar het oordeel geen vergoeding voor uitesluitend het gebruik van de woning. De omstandigheid dat er sprake is van mede-eigendom van gedaagde van de woning betekent niet dat hij niet de huurder kan zijn van de woning die tot de nalatenschap behoort. Anders dan in het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2024:810) waarop eisers zich beroepen was hier geen sprake van een andere rechtsverhouding tussen partijen op grond waarvan het gebruik van de woning door gedaagde was toegelaten. Dit alles maakt dat aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat er sprake is van huur en dus van huurbescherming
3.5.
Daar komt bij dat de voorzieningenrechter een inschatting dient te maken hoe een eventuele bodemprocedure zich zal ontwikkelen. In lid 3 van artikel 3:178 BW is bepaald dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling kan uitsluiten. De voorzieningenrechter acht een dergelijke beroep op deze bepaling door gedaagde kansrijk, gelet op de aanwezigheid van zijn minderjarige kinderen in de woning.
3.6.
Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat ook bij verwerping van de overige verweren, een belangenafweging, mede op grond van het IVRK, het belang van de minderjarige kinderen om met hun ouders in de woning te kunnen blijven wonen zwaarder dient te wegen dan het belang van eisers om te kunnen beschikken over liquiditeiten. Weliswaar is liquiditeit niet gelijk aan vermogen, maar door eiseres sub 1 is niet aannemelijk gemaakt zij mogelijk niet met enige inspanning vermogen zou kunnen omzetten naar liquiditeit. Het belang van eiser sub 2 om over liquiditeiten te kunnen beschikken in verband met dringend onderhoud aan zijn woning is minder zwaarwegend dan het belang van gedaagde om met zijn gezin met minderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen. Voor wat betreft de brief van de ING bank ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen serieuze kans op executoriale maatregelen, nu de bank aangeeft een termijn van twee jaar te hanteren en er inmiddels 14 jaar na het overlijden van erflater zijn verstreken en er daarnaast geen sprake is van een betalingsachterstand.
3.7.
Nu de vorderingen als een samenhangend geheel zijn gepresenteerd leidt het vorenstaande ertoe dat deze alle worden afgewezen. Gelet op de materiele beslissing is er geen belang meer bij een beslissing over de processuele bezwaren gericht tegen de gestelde declaratoire vorderingen.
3.8.
Gelet op de familierechtelijke betrekkingen tussen partijen zullen de kosten van de procedure, in navolging van de conclusie van gedaagde, worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
4De beslissing
de voorzieningenrechter:
4.1
wijst de vorderingen af,
4.2
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/443268 / KG ZA 25-689
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 18 maart 2026
in de zaak van
1 [eiseres] ,
te [plaats 1] ,
2. [eiser],
te [plaats 2] ,
eisers,
advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 3] ,
gedaagde,
advocaat: mr. H.A. Stein.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C.H.D.M. van de Kar als griffier.
Aanwezig zijn:
-eiser sub 2, bijgestaan door mr. Carli-Lodder,
-gedaagde, bijgestaan door mr. Stein.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 januari 2026,
- de producties 1 t/m 22 van de eisers,
- de conclusie van antwoord met productie, - de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van de zijde van eisers.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
2Waar gaat de zaak over?
Op [datum] 2012 is overleden de heer [erflater] (hierna te noemen: erflater), respectievelijk de zoon en broer van eisers en broer van gedaagde. Eisers en gedaagde zijn erfgenamen van erflater. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
Tot de nalatenschap behoort de woning (appartement) aan de [adres] te [plaats 3] (hierna: de woning). De nalatenschap is tot op heden niet verdeeld. Eisers en gedaagden zijn eider voor 1/3 deel eigenaar van de woning. Gedaagde bewoont per 1 januari 2015 de woning. Inmiddels woont hij daar met zijn gezin, waaronder twee minderjarige kinderen. Daarnaast hebben beide eisers met gedaagde een overeenkomst van geldlening gesloten. En heeft eiseres sub 1 afgelost op de hypotheek van de woning, wat volgens haar is te duiden als een schuld aan de nalatenschap van. Eisers willen uit de onverdeeldheid met betrekking tot de woning. Eiseres sub 1 stelt dat zij haar eigen woning dreigt te verliezen als zij niet spoedig kan beschikken over de liquiditeit uit de verkoop van de woning, omdat de opnamelimiet van de zogenaamde opeethypotheek voor haar eigen woning het maximum heeft bereikt en eiser sub 2 omdat hij noodzakelijke werkzaamheden moet verrichten aan zijn eigen woning. Bovendien heeft ING bank bij brief van 16 januari 2026 aan de erfgenamen bericht dat om te voldoen aan de wet- en regelgeving het haar beleid is om de hypotheek binnen 2 jaar over te zetten op naam van de erfgenaam/erfgenamen of te beëindigen., en dat zij tot uiterlijk 24 maart 2026 tijd krijgen om dit te regelen.
De vorderingen van eisers strekken ertoe dat gedaagde meewerkt aan de verkoop van de woning als hij deze niet zelf kan financieren en tot ontruiming van de woning, waarbij de aan gedaagde verstrekte schulden moeten worden afgelost.
3De beoordeling
3.1.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en overweegt daartoe het volgende.
3.2.
Eisers hebben voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen. Dat is door gedaagde ook niet betwist. Hij beroept zich op een belangenafweging, waarbij het spoedeisend belang bij het beschikken over liquiditeiten niet opweegt tegen zijn dringend belang om met zijn gezin in de woning te kunnen blijven wonen.
3.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarbij een inschatting maken van wat in een bodemprocedure door de bodemrechter zal worden geoordeeld.
3.4.
De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de bodemrechter het belang van gedaagde om met zijn gezin met minderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen zwaarder dient te wegen dan het belang van eisers bij verdeling van de gemeenschappelijke woning. Gedaagde heeft na zijn echtscheiding in 20214 tijdelijk bij eisers sub 1 ingewoond. De woning was destijds bewoond door studenten. Na hun vertrek uit de woning heeft eiseres sub 1 op de hypothecaire geldlening voor de woning afgelost om de maandelijkse lasten daarvoor te verlagen en deze ter beschikking te stellen aan gedaagde. Gedaagde heeft vervolgens vanaf 1 januari 2015 alle vaste lasten - waaronder ook de kosten van onderhoud die normaal voor rekening van de eigenaar/verhuurder komen en de lasten volgend uit de hypothecaire lening - met betrekking tot de woning voldaan en doet dat nog steeds. Daarmee voldoet gedaagde naar het oordeel geen vergoeding voor uitesluitend het gebruik van de woning. De omstandigheid dat er sprake is van mede-eigendom van gedaagde van de woning betekent niet dat hij niet de huurder kan zijn van de woning die tot de nalatenschap behoort. Anders dan in het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2024:810) waarop eisers zich beroepen was hier geen sprake van een andere rechtsverhouding tussen partijen op grond waarvan het gebruik van de woning door gedaagde was toegelaten. Dit alles maakt dat aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat er sprake is van huur en dus van huurbescherming
3.5.
Daar komt bij dat de voorzieningenrechter een inschatting dient te maken hoe een eventuele bodemprocedure zich zal ontwikkelen. In lid 3 van artikel 3:178 BW is bepaald dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling kan uitsluiten. De voorzieningenrechter acht een dergelijke beroep op deze bepaling door gedaagde kansrijk, gelet op de aanwezigheid van zijn minderjarige kinderen in de woning.
3.6.
Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat ook bij verwerping van de overige verweren, een belangenafweging, mede op grond van het IVRK, het belang van de minderjarige kinderen om met hun ouders in de woning te kunnen blijven wonen zwaarder dient te wegen dan het belang van eisers om te kunnen beschikken over liquiditeiten. Weliswaar is liquiditeit niet gelijk aan vermogen, maar door eiseres sub 1 is niet aannemelijk gemaakt zij mogelijk niet met enige inspanning vermogen zou kunnen omzetten naar liquiditeit. Het belang van eiser sub 2 om over liquiditeiten te kunnen beschikken in verband met dringend onderhoud aan zijn woning is minder zwaarwegend dan het belang van gedaagde om met zijn gezin met minderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen. Voor wat betreft de brief van de ING bank ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen serieuze kans op executoriale maatregelen, nu de bank aangeeft een termijn van twee jaar te hanteren en er inmiddels 14 jaar na het overlijden van erflater zijn verstreken en er daarnaast geen sprake is van een betalingsachterstand.
3.7.
Nu de vorderingen als een samenhangend geheel zijn gepresenteerd leidt het vorenstaande ertoe dat deze alle worden afgewezen. Gelet op de materiele beslissing is er geen belang meer bij een beslissing over de processuele bezwaren gericht tegen de gestelde declaratoire vorderingen.
3.8.
Gelet op de familierechtelijke betrekkingen tussen partijen zullen de kosten van de procedure, in navolging van de conclusie van gedaagde, worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
4De beslissing
de voorzieningenrechter:
4.1
wijst de vorderingen af,
4.2
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.