Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2096

2026-02-20 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/411928 / FA RK 23-3388
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-02-20
Publicatiedatum
2026-03-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/411928 / FA RK 23-3388
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning. Pools recht kent geen vervangende toestemming. Daarom i.p.v. Pools rechts Nederlands recht toegepast o.b.v. art. 8 EVRM en 10:6 BW. Aanhouding gezag en omgang en verwijzing KAL naar cluster familie.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.202 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummer: C/02/411928 / FA RK 23-3388
Datum uitspraak: 20 februari 2026




beschikking over vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding




in de zaak van





[de man]
,
hierna: de man,
wonende in [plaats] ,
advocaat: voorheen mr. M.M.M. Minkels in Tilburg thans haar kantoorgenoot
mr. J.M. Molkenboer,



tegen





[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. D. Abd Rabou in Den Haag,



over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, roepnaam [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .



Ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt als belanghebbende in deze zaak aangemerkt de minderjarige [minderjarige] , vertegenwoordigd door mr. L.E. Swart in haar hoedanigheid van bijzondere curator.



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.





1Het verdere procesverloop


1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:


de in deze zaak gegeven beschikking van 12 augustus 2025 van de rechtbank en alle daarin vermelde stukken;


het F2-formulier van 10 september 2025 van de nieuwe advocaat van de man;


de brief van Verilabs van 28 oktober 2025;


het rapport van Verilabs van 18 november 2025;


het F9-formulier van 9 december 2025 van de bijzondere curator;


het F9-formulier van 6 januari 2026 van de advocaat van de vrouw;


het F9 formulier van 2 februari 2026 van de advocaat van de man.







2De nadere beoordeling


2.1
Bij voormelde beschikking van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader is van [minderjarige] . Zij heeft Verilabs als deskundige benoemd ter beantwoording van voormelde vraag. Daarnaast heeft de rechtbank het voorschot bepaald op € 755,= (zevenhonderd en vijfenvijftig euro) (inclusief BTW) en bepaald dat voornoemd voorschot vooralsnog ten laste komt van ’s Rijks kas. Ten aanzien van de kosten van het DNA-onderzoek heeft de rechtbank nog in het bijzonder overwogen dat de rechtbank al tijdens de mondelinge behandeling van 31 juli 2025 heeft aangegeven, dat zij, als uit het DNA-onderzoek mocht blijken dat de man de biologische vader is van [minderjarige] , de man zal veroordelen in de definitieve kosten van het deskundigenonderzoek en als uit dit onderzoek mocht blijken dat de man niet de biologische vader is, de vrouw zal veroordelen in de definitieve kosten van dit onderzoek. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden, zulks in afwachting van het rapport van de deskundige en zich iedere verdere beslissing voorbehouden.



2.2
Aan de orde is nog het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [minderjarige] , om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] en tot vaststelling van een contactregeling.



2.3
Daarnaast is nog aan de orde het zelfstandig verzoek van de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


te bepalen dat de man, met ingang van 10 januari 2024, dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ten bedrag van € 74,- per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste dagen van iedere kalendermaand aan de vrouw te voldoen;


althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank juist acht.





2.4
Verilabs heeft in het rapport van 18 november 2025 geconcludeerd dat met een waarschijnlijkheid van meer dan 99,99 % is aangetoond dat de man de biologische vader is van [minderjarige] .



2.5
De bijzondere curator heeft in reactie op het rapport van Verilabs het volgende aangevoerd. Naar Pools recht kan bij de rechtbank geen verzoek worden gedaan om vervangende toestemming tot erkenning. De rechtbank kan wat dit betreft aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Amsterdam van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:1974). Hierin heeft het hof, met toepassing van artikel 8 EVRM, het Poolse recht buiten toepassing gelaten vanwege strijd met de Nederlandse openbare orde op grond van artikel 10:6 van het Burgerlijke Wetboek (BW) en het verzoek beoordeeld naar Nederlands recht. Mede gelet op de gewone verblijfplaats van de vrouw en [minderjarige] in Nederland en hun nauwe betrokkenheid met Nederland kan de rechtbank in dit geval het verzoek ook beoordelen naar Nederlands recht. Indien op het verzoek Nederlands recht wordt toegepast, kan naar de mening van de bijzondere curator het verzoek worden toegewezen. Indien de rechtbank echter van oordeel is dat Pools recht op de erkenning van toepassing is, dan verzoekt de bijzondere curator het verzoek af te wijzen, nu naar Pools recht gezamenlijk gezag ontstaat bij erkenning. De uitoefening van het gezamenlijk gezag acht de bijzondere curator gezien de proceshouding van de man feitelijk onmogelijk. De belangen van de vrouw en [minderjarige] zouden in dat geval ook worden geschaad en dat staat een erkenning in de weg.


2.6
Namens de moeder is in reactie op het DNA-rapport aangegeven dat de uitkomst van het DNA-onderzoek haar standpunt bevestigt dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de definitieve kosten van het DNA-onderzoek overeenkomstig hetgeen de rechtbank reeds tijdens de mondelinge behandeling van 31 juli 2025 heeft overwogen.



2.7
Namens de man is in reactie op het DNA-rapport aangegeven dat de rapportage voor zich spreekt en de man de beschikking afwacht.



Internationaal privaatrecht




2.8
Vanwege het feit dat de man, de vrouw en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.



Internationale bevoegdheid ten aanzien van verzoek vervangende toestemming erkenning




2.9
In artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.


Nu de man, de vrouw en [minderjarige] in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd in deze zaak te beslissen.




Relatieve bevoegdheid




2.10
Op grond van artikel 265 Rv is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De vrouw en [minderjarige] zijn woonachtig in de gemeente Tilburg, zodat deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het verzoek.



Toepasselijke recht




2.11
In artikel 10:95, eerste lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.



2.12
De man heeft de Poolse nationaliteit. Daarom zal de rechtbank op de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, het Poolse recht toepassen.



2.13
Op basis van artikel 73 van het Poolse Familie-en Voogdijwetboek kan een man een kind erkennen. Erkenning komt tot stand door verklaringen van de erkenner en de moeder bij de bevoegde instantie. In alle gevallen moet de moeder de erkenning bevestigen en deze bevestiging kan niet worden vervangen door een rechterlijke beslissing.



2.14
De rechtbank stelt op basis van de uitkomst van het DNA-onderzoek van Verilabs vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De vrouw heeft al eerder in de procedure aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een erkenning van [minderjarige] door de man. Sterker nog, zij heeft samen met de man geprobeerd om de erkenning van [minderjarige] bij de gemeente in orde te maken. Dit is niet gelukt omdat de man zijn geboorteakte niet kon overleggen. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat voor hem duidelijk wordt wie zijn biologische vader is en dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische, maar ziet geen reden om vervangende toestemming voor erkenning te verlenen, nu de vrouw geen bezwaar heeft tegen de erkenning van [minderjarige] door de man. Dat de erkenning niet heeft plaatsgevonden ligt immers niet aan het ontbreken van toestemming van de vrouw. De man is nog steeds in de gelegenheid om [minderjarige] te erkennen met de - naar Pools recht - vereiste bevestiging van de vrouw. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.



2.15
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.



2.16
De kosten van het onderzoek door de deskundige Verilabs bedragen € 755,= (inclusief btw). De rechtbank zal, zoals zij al in de beschikking van 12 augustus 2025 heeft overwogen, bepalen dat de man de kosten van de deskundige dient te voldoen. Deze kosten dienen op grond van artikel 244 Rv te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank. De man zal hiervoor een factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).



Internationale bevoegdheid ten aanzien van verzoeken gezag en omgang




2.17
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter Verordening bevoegd van deze verzoeken kennis te nemen, omdat de man, de vrouw en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Zoals al in rechtsoverweging 2.10 is overwogen is deze rechtbank bevoegd om van deze verzoeken kennis te nemen, omdat de vrouw en [minderjarige] in [plaats] wonen. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 op de verzoeken met betrekking tot het gezag en de omgang het Nederlandse recht van toepassing.



Gezag en omgang




2.18
In artikel 1:253c BW staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.



2.19
In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen.



2.20

De rechtbank stelt vast dat de Raad in zijn rapport van 20 juni 2024 heeft geadviseerd om de verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een contactregeling tussen hem en [minderjarige] af te wijzen. De Raad heeft dit geadviseerd omdat er op dat moment geen enkel contact was tussen de man en de vrouw laat staan tussen de man en [minderjarige] .
Inmiddels zijn er ruim anderhalf jaar verstreken. De man heeft in deze periode meegewerkt aan een DNA-onderzoek en zekerheid gekregen over zijn biologisch vaderschap ten aanzien van [minderjarige] . De rechtbank kan zich voorstellen dat de man, nu hij deze zekerheid heeft gekregen, alsnog een rol in het leven van [minderjarige] wil gaan spelen. Hij heeft zijn verzoeken om gezamenlijk gezag en vaststelling van een contactregeling ook niet ingetrokken.




2.21
Gelet hierop zal de rechtbank de man en de vrouw in de gelegenheid stellen om zich in de komende periode te wenden tot het [hulpverlening] in de woonplaats van de vrouw om in het kader van een vrijwillig hulpverleningstraject de mogelijkheden van contact tussen de man en [minderjarige] en van uitoefening van gezamenlijk gezag over hem te onderzoeken. Daartoe zal de rechtbank de beslissingen op de verzoeken van de man tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een contactregeling aanhouden voor de duur van een half jaar pro forma. De rechtbank verzoekt de man en de vrouw om uiterlijk op na te noemen pro forma datum aan te geven hoe deze verzoeken moeten worden afgedaan. Daarnaast verzoekt de rechtbank om aan te geven of de erkenning van [minderjarige] door de man inmiddels heeft plaatsgevonden.



Bijdrage kosten in de verzorging en opvoeding van [minderjarige]




2.21
Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal worden verwezen naar cluster familierecht van deze de rechtbank. De rechtbank zal de behandeling van dit verzoek aanhouden en partijen in de gelegenheid stellen een standpunt in te nemen over het verdere gewenste procesverloop ten aanzien van dit verzoek tot na te melden pro forma datum op de rol van het cluster familierecht van deze rechtbank.



2.22
Dit betekent dat de rechtbank als volgt beslist Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.





3De beslissing


De rechtbank



3.1
wijst het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, af;



3.2
stelt de kosten van de deskundige vast op € 755,= (inclusief btw);



3.3
veroordeelt de man in de kosten van de deskundige, zijnde een bedrag van € 755,= (inclusief btw), welk bedrag na ontvangt van de nota met betaalinstructies van het LDCR door de man moet worden voldaan;



3.4
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;



3.5
houdt de behandeling van de verzoeken om gezamenlijk gezag en vaststelling van een contactregeling aan tot 4 september 2026 PRO FORMA met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.20 is overwogen;



3.6
verwijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding naar cluster familierecht van deze rechtbank en houdt de behandeling van dit verzoek aan (op de rol van het cluster familierecht van deze rechtbank) tot 14 april 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het standpunt van partijen over het verdere gewenste procesverloop;



3.7
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.


Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026, in aanwezigheid van de griffier.

































































Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.


















verzonden op:








In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.