Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:1763

2026-03-11 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11770820 \ CV EXPL 25-2279
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-11
Publicatiedatum
2026-03-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11770820 \ CV EXPL 25-2279
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geldleningsovereenkomst. Gedaagde erkent de betalingsachterstand, maar eiser heeft een deelbetaling niet op de hoofdsom in mindering gebracht. Het resterende deel van de hoofdsom wordt toegewezen. Omdat in de 14-dagenbrief uit is gegaan van een te hoge hoofdsom, worden de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.631 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Middelburg



Zaaknummer: 11770820 \ CV EXPL 25-2279




Vonnis van 11 maart 2026




in de zaak van




KOFRUKO B.V.,
te Wemeldinge,
eisende partij,
hierna te noemen: Kofruko,
gemachtigde: Invorderingsbedrijf B.V.,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025 met de daarin genoemde processtukken;
- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Kofruko heeft op de mondelinge behandeling bankafschriften overgelegd van overboekingen op 31 januari en 26 februari 2025. De kantonrechter heeft deze stukken met partijen besproken, waarna de griffier ze aan het dossier heeft toegevoegd.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Kofruko heeft op 6 september 2024 een bedrag van € 4.600,00 uitgeleend aan [gedaagde]. Partijen zijn schriftelijk met elkaar overeengekomen dat [gedaagde] het volledige bedrag uiterlijk op 15 oktober 2024 zou terugbetalen. Dat is niet gebeurd.



2.2.
In de overeenkomst is verder bepaald dat [gedaagde] in het geval van te late betaling 4% rente verschuldigd is.


2.3.
Op 1 mei 2025 heeft Kofruko een aanmaning verstuurd naar [gedaagde] voor een bedrag van € 4.000,00.





3Het geschil en de beoordeling


3.1.
Kofruko vordert betaling van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten en te verminderen met een deelbetaling van € 600,00. [gedaagde] voert hiertegen aan dat het bedrag van € 4.000,00 te hoog is, omdat Kofruko ten onrechte zijn deelbetalingen van 31 januari en 26 februari 2025 buiten beschouwing heeft gelaten.



3.2.
Omdat we hier te maken hebben met een rechtspersoon die geld heeft uitgeleend aan een natuurlijke persoon, moet ambtshalve worden getoetst of sprake is van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van titel 2A van Boek 7 BW en [gedaagde] om die reden extra wordt beschermd. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet het geval. Uit de standpunten van partijen en de overgelegde stukken is namelijk niet gebleken dat Kofruko een professionele kredietverstrekker is zoals bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder b BW.



3.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] het uitgeleende bedrag van € 4.600,00 uiterlijk op 15 oktober 2024 had moeten terugbetalen en dat hij dit niet heeft gedaan. Vanaf 16 oktober 2024 verkeert [gedaagde] dus in verzuim.



3.4.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] op 31 januari en 26 februari 2025 twee deelbetalingen heeft gedaan van € 300,00. Dit blijkt uit de stukken die Kofruko ter zitting heeft overgelegd en waar [gedaagde] geen verweer tegen heeft gevoerd. Verder heeft [gedaagde] op 4 november 2024 ook al een deelbetaling gedaan van € 600,00 (zie productie 4 bij dagvaarding). Die bedragen strekken in mindering van de hoofdsom. De resterende hoofdsom bedraagt dus slechts € 3.400,00. De kantonrechter zal dat bedrag toewijzen.



3.5.
De door Kofruko op 1 mei 2025 verstuurde aanmaning voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen. Daarin is zij namelijk ten onrechte uitgegaan van een te hoge hoofdsom. Haar vordering tot betaling van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 525,00 wordt daarom afgewezen.



3.6.
Zoals ter zitting is besproken, zal aan rente het in de overeenkomst opgenomen percentage van 4% worden toegewezen en wel zoals hierna onder de beslissing is vermeld.



3.7.

[gedaagde] heeft aangegeven dat hij graag een betalingsregeling wil treffen. De kantonrechter is niet bevoegd om die aan partijen op te leggen. Het is aan hen zelf om daar eventueel samen afspraken over te maken. [gedaagde] dient hiervoor contact op te nemen met de gemachtigde van Kofruko.



3.8.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Kofruko worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


120,78







- griffierecht


€


514,00







- salaris gemachtigde


€


506,00


(2 punten × € 253,00)




- nakosten


€


126,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.267,28











3.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






4De beslissing


De kantonrechter:



4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Kofruko te betalen een bedrag van € 3.400,00, te vermeerderen met de rente van 4% over:


€ 4.600,00 van 16 oktober 2024 tot 4 november 2024;


€ 4.000,00 van 4 november 2024 tot 31 januari 2025;


€ 3.700,00 van 31 januari 2025 tot 26 februari 2025;


€ 3.400,00 van 26 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;





4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.267,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;



4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.