Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:1461

2026-03-06 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht 25/3634
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-06
Publicatiedatum
2026-03-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/3634
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

pkv-uitspraak, beroep ntb ingetrokken, alsnog beslist na onvolledige beslissing op bezwaar

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.783 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 25/3634


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen



[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. C. van der Ent),


en




de minister van Financiën.




Inleiding


1. In het besluit van 16 juli 2024 staat dat de schuldenlijst van verzoekster te laat is ontvangen en dat daarom haar schulden niet in behandeling kunnen worden genomen. Verzoekster heeft op 31 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ze heeft verweerder op 20 november 2024 in gebreke gesteld, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 31 juli 2024. De minister heeft de ingebrekestelling op 25 november 2024 ontvangen.



1.1.
Op 3 december 2024 wijst de minister het bezwaar van verzoekster toe, wat betekent dat Sociale Banken Nederland (SBN) de aangemelde schulden alsnog inhoudelijk zal beoordelen.



1.2.
Verzoekster heeft op 22 juli 2025 beroep ingesteld omdat verweerder nog steeds niet heeft beslist op haar bezwaar, omdat de inhoudelijke beoordeling van de aangemelde schulden uitblijft. De rechtbank heeft dit beroep op 23 juli 2025 ontvangen.



1.3.
De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 3 december 2024 een onvolledige beslissing op bezwaar bevat. Op grond van artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had de minister tegelijk met het herroepen van het besluit van 16 juli 2024 een beslissing moeten nemen over alle door eiseres aangemelde schulden. Nadat verzoekster beroep heeft ingesteld, beslist de minister op 31 oktober 2025 alsnog volledig op het bezwaar van verzoekster. Op dat moment zijn namelijk alle aangemelde schulden van verzoekster inhoudelijk beoordeeld. Naar aanleiding van de volledige beslissing op bezwaar heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van verzoeksters proceskosten.



1.4.
In zijn brief van 11 december 2025 heeft de minister aan de rechtbank meegedeeld dat hij van mening is dat de beslistermijn van één jaar niet is overschreden. De minister is namelijk van mening dat hier sprake is van een aanvraagsituatie en hiervoor geldt de maximumtermijn van één jaar, zoals opgenomen in artikel 6.2, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze termijn was op het moment van het instellen van het beroep, op 23 juli 2025, nog niet verstreken. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister van mening is dat hij niet veroordeeld dient te worden tot betaling van de proceskosten van verzoekster.



1.5.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.



Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?


3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.



Is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen?


4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.


4.1.
Op 22 juli 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet op tijd beslissen door de minister op het bezwaar van verzoekster van 31 juli 2024. De minister heeft op 31 oktober 2025 alsnog volledig beslist op het bezwaar van verzoekster. Hiermee is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Het laatste besluit waarmee op alle aangemelde schulden is beslist, is namelijk bepalend voor de vraag of op tijd op het bezwaar van verzoekster is beslist. Er is hier geen sprake van een aanvraagsituatie.



Welk bedrag aan proceskosten moet de minister aan verzoekster vergoeden?


5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.



Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?


6. De rechtbank wijst erop dat de minister verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden.





Beslissing


De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten en € 53 aan griffierecht aan verzoekster.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 6 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 22 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2020:219, rechtsoverwegingen 4 tot en met 4.2.


Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).


Uitspraak van de AbRvS van 22 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2020:219, rechtsoverweging 4.1.


Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.