Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2025:5287

2025-06-10 Strafrecht RK 24-027604
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2025-06-10
Publicatiedatum
2025-08-08
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Raadkamer
Zaaknummer
RK 24-027604
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

verzoekschrift 530 Sv. deels toewijzen, reiskosten adv. afwijzen en uren matigen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.459 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Locatie Breda


parketnummer: 02-015590-23
rk-nummer: 24-027604




Beslissing op het verzoek ex artikel 530 Sv van:






[verzoeker]

geboren op [geboortedag] 1993,woonplaats kiezende ten kantore van mr. J.A.J. Brahm, Mathenesserdijk 410 C, 3026 GV Rotterdam





1De procedure


De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

 het op 5 november 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:


€ 7.668,38, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;


€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;




de aantekening van het mondelinge vonnis van de politierechter van 5 augustus 2024 waarbij verzoeker is vrijgesproken;


de schriftelijke reactie van de officier van justitie;


de overige stukken in het raadkamerdossier.




Op 27 mei 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie gehoord.



Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.



De advocaat van verzoeker heeft op 27 mei 2025, voorafgaand de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer, de rechtbank bericht dat zij wegens verhindering niet aanwezig zal zijn.



Namens verzoeker wordt aangevoerd dat hij is vrijgesproken van de tegen hem heersende strafrechtelijke verdenking. Verzoeker heeft kosten van rechtsbijstand moeten maken vanwege deze strafrechtelijke verdenking ter hoogte van € 7.668,38. Daarnaast vraagt verzoeker de forfaitaire vergoeding voor onderhavig verzoekschrift ter hoogte van € 680,00. Verzoeker vraagt de rechtbank zijn verzoekschrift toe te wijzen.



De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verzochte kosten van rechtsbijstand kunnen worden toegewezen tot € 4.235,00. De officier van justitie meent dat de kosten voor intern overleg niet toewijsbaar zijn. Verder komt uit de stukken naar voren dat de kosten voor het aanwezig zijn van het getuigenverhoor niet geheel toegewezen kunnen worden omdat de advocaat bij één getuigenverhoor telefonisch aanwezig was en daarvoor toch reiskosten in rekening heeft gebracht. Er is eerder een verzoekschrift 530 Sv. toegewezen van de medeverdachte van verzoeker die werd bijgestaan door een kantoorgenoot van de raadsman van verzoeker. De officier van justitie meent dat de kosten voor het "opstellen onderzoekswensen" in die zaak zijn vergoed hetgeen ook van toepassing is op de studie van het dossier. Voorts voert de advocaat aan dat er vier uren aan voorbereiding nodig zijn geweest ten behoeve van de zitting. Het procesdossier bestaat uit 73 pagina's. Er worden ook de nodige uren gespendeerd aan de voorbereiding op de zitting en de intake met verzoeker. Al deze uren staan, volgens de officier van justitie, niet in verhouding tot de omvang van het (gehele) procesdossier. Tot slot refereert de officier van justitie zich aan de standaarduren zoals de Raad voor Rechtsbijstand rekent voor een politierechterzaak hetgeen er de officier van justitie toe brengt niet meer dan veertien uren in deze strafzaak toewijsbaar te achten voor vergoeding tegen een bedrag van € 4.235,00 te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding aangaande het verzoekschrift.





2De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.


De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.



Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.



Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.



Gelet op de aard en de omvang van de zaak en het aantal uren dat doorgaans met soortgelijke strafzaken is gemoeid, acht de rechtbank gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand bovenmatig. De rechtbank acht het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand tot een hoogte van € 3.781,25 in voldoende mate onderbouwd, waarbij de rechtbank aansluiting zoekt bij de uren in de zaak van de medeverdachte zijn toegekend en vergoed en met aftrek van de gedeclareerde reistijd (1,5 uur) die evident niet zijn gemaakt nu uit de stukken valt op te maken dat de advocaat hier telefonisch bij aanwezig was. Dit bedrag komt de rechtbank billijk voor. In het verzoek is niet onderbouwd dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de opgegeven, naar het oordeel van de rechtbank ruime, tijdsbesteding billijk zou zijn in een dergelijke strafzaak. Evenmin is dit na de schriftelijke reactie van de officier van justitie of in raadkamer (nader) onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek dan ook voor het overige afwijzen.



Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend.





3De beslissing


De rechtbank:



wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van

€ 4.121,25, bestaande uit:

- € 3.781,25 aan kosten van rechtsbijstand en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;


wijst het verzoek voor het overige af;



bepaalt dat een bedrag van € 4.121,25 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van Soest & Brahm Advocaten B.V., onder vermelding van “[kenmerk]”.



Deze beslissing is op 10 juni 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 juni 2025.






De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.






INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.