Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2025:2776

2025-05-07 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11383412 \ CV EXPL 24-3726 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2025-05-07
Publicatiedatum
2025-05-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11383412 \ CV EXPL 24-3726 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Partijen hebben een fatale termijn afgesproken en deze termijn is verstreken. Eiseres heeft daarom bevoegd de overeenkomst ontbonden. Gedaagde moet het door eiseres betaalde voorschot terugbetalen. De wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.221 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Middelburg



Zaaknummer: 11383412 \ CV EXPL 24-3726




Vonnis van 7 mei 2025




in de zaak van



de vennootschap onder firma [eiser],
gevestigd in [plaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. N. Kuil,



tegen





[gedaagde] handelend onder de naam [bedrijf van gedaagde],
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.






1Hoe is de procedure verlopen?


1.1.

[eiser] heeft [gedaagde] op 23 oktober 2024 gedagvaard. Tijdens de rolzitting van 6 november 2024 heeft [gedaagde] mondeling gereageerd op de dagvaarding. In het tussenvonnis van 27 november 2024 is een mondelinge behandeling bevolen op 7 april 2024. Op de mondelinge behandeling is namens [eiser] de heer [naam] verschenen, bijgestaan door mr. Kuil, die spreekaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd. [gedaagde] is niet verschenen – hoewel hij behoorlijk is opgeroepen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. Ten slotte is vonnis bepaald op 7 mei 2025.





2Waar gaat de zaak over?


2.1.

[eiser] exploiteert een parkeerterrein. [gedaagde] verzorgt wegbelijning. Partijen spreken af dat [gedaagde] wegbelijning op het terrein van [eiser] aanbrengt. In dat kader betaalt [eiser] een voorschot van in totaal € 3.616,99 aan [gedaagde] . Eerst spreken partijen af dat de werkzaamheden in de tweede week van juni 2024 plaatsvinden. Op 7 juni 2024 vraagt [gedaagde] per e-mail aan [eiser] of zij ermee akkoord gaat dat de opdracht met een paar weken wordt uitgesteld. [eiser] gaat diezelfde dag, ook per e-mail, akkoord met uitstel tot woensdag 26 juni 2024. [gedaagde] verricht de werkzaamheden niet. Op 1 juli 2024 stuurt [eiser] een e-mail aan [gedaagde] waarin staat dat zij de overeenkomst ontbindt en vraagt om terugbetaling van het voorschot binnen een termijn van veertien dagen. [gedaagde] betaalt het voorschot niet terug.



2.2.

[eiser] eist betaling van € 3.616,99, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 26 juni 2024. Ook wil [eiser] betaling van € 486,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Verder vordert [eiser] dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. Tot slot wil [eiser] de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).



2.3.
Volgens [eiser] is [gedaagde] de afspraak om uiterlijk 26 juni 2024 de wegbelijning aan te brengen niet nagekomen en heeft zij daarom bevoegd de overeenkomst met hem ontbonden. Door deze ontbinding is een verbintenis tot ongedaanmaking ontstaan, namelijk de terugbetaling van het betaalde voorschot van € 3.616,99.



2.4.

[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser] en vindt dat hij niets hoeft terug te betalen. [gedaagde] is van mening dat hij alsnog de gelegenheid moet krijgen om het werk uit te voeren. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] hem die gelegenheid niet geboden.





3Hoe oordeelt de kantonrechter?


3.1.
De vordering van [eiser] wordt grotendeels toegewezen. Hierna licht de kantonrechter dit oordeel toe.



Ontbinding en ongedaanmaking





3.2.
Tussen partijen bestaat een overeenkomst van aanneming van werk. In de wet staat dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden. Als nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat die bevoegdheid pas wanneer er sprake is van verzuim. Verzuim treedt zonder ingebrekestelling in wanneer een fatale termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen.



3.3.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst en het verzuim is ingetreden zonder ingebrekestelling. Partijen hebben namelijk een fatale termijn afgesproken en deze termijn is verstreken zonder dat [gedaagde] de wegbelijningswerkzaamheden heeft verricht. Dat een fatale termijn is afgesproken blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen. Op 7 juni 2024 vraagt [gedaagde] aan [eiser] of zij akkoord gaat met uitstel van de werkzaamheden met een paar weken. [eiser] gaat diezelfde dag akkoord met uitstel tot uiterlijk woensdag 26 juni 2024 in verband met de start van de Belgische zomervakantie. Uit de e-mailcorrespondentie volgt niet dat [gedaagde] bij deze datum een voorbehoud heeft gemaakt voor bijvoorbeeld onwerkbaar weer. Uiteindelijk heeft [gedaagde] de werkzaamheden niet op of vóór 26 juni 2024 verricht. Na deze datum hoefde [gedaagde] niet opnieuw in de gelegenheid te worden gesteld om het werk alsnog uit te voeren.



3.4.
Het verweer van [gedaagde] dat het op de voorgestelde dagen te nat was om de werkzaamheden uit te voeren, slaagt niet. [eiser] heeft namelijk geen specifieke dagen voorgesteld. Er is enkel afgesproken dat uiterlijk op 26 juni 2024 de werkzaamheden moesten zijn verricht. Het lag dus op de weg van [gedaagde] om vóór die datum een geschikt moment te kiezen waarop de werkzaamheden konden worden verricht.



3.5.
De conclusie is dat [eiser] de overeenkomst met [gedaagde] mocht ontbinden. Het gevolg van ontbinding is dat nagekomen verbintenissen ongedaan moeten worden gemaakt. [gedaagde] moet daarom het door [eiser] betaalde voorschot van € 3.616,99 terugbetalen.



Wettelijke rente





3.6.

[eiser] vordert dat het bedrag van € 3.616,99 wordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 26 juni 2024. De gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar. De regeling van de wettelijke handelsrente is namelijk alleen van toepassing op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst. De vordering van [eiser] betreft een verbintenis tot ongedaanmaking na ontbinding van de overeenkomst. Daarover kan wel de wettelijke rente verschuldigd zijn. Daarom wordt in plaats van de wettelijke handelsrente het mindere, de wettelijke rente, toegewezen.



3.7.
De ingangsdatum van de wettelijke rente is, ook bij een ongedaanmakingsverbintenis, het moment waarop de schuldenaar in verzuim is. De ontbinding heeft plaatsgevonden op 1 juli 2024, per e-mail van [eiser] aan [gedaagde] . In deze e-mail is verzocht om binnen veertien dagen het voorschot terug te betalen. [gedaagde] heeft niet binnen die termijn betaald en verkeert daardoor sinds 16 juli 2024 in verzuim. Vanaf die datum wordt de wettelijke rente toegewezen.



Buitengerechtelijke incassokosten





3.8.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Een bedrag van € 486,70 wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt ook toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



Proceskosten





3.9.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


113,54







- griffierecht


€


496,00







- salaris gemachtigde


€


542,00


(2 punten × € 271,00)




- nakosten


€


132,00


(zoals gevorderd, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.284,54











3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4Wat is de beslissing?


De kantonrechter



4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 3.616,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,



4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 486,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,



4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.286,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Akdikan en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.




Artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 6:265 lid 1 BW.


Artikel 6:265 lid 2 BW.


Artikel 6:83 aanhef en onder a BW.


Artikel 6:271 tweede zin BW.


Artikel 6:119a BW.