Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2025:2769

2025-01-23 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/424874 / FA RK 24-3376 en C/02/427328 / FA RK 24-4632
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2025-01-23
Publicatiedatum
2025-05-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/424874 / FA RK 24-3376 en C/02/427328 / FA RK 24-4632
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

verzoek vernietiging erkenning; eerst DNA-onderzoek

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.988 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Middelburg



Zaaknummers:
C/02/424874 / FA RK 24-3376 (vernietiging erkenning, omgang en kinderbijdrage)
C/02/427328 / FA RK 24-4632 (vernietiging erkenning)



Datum uitspraak: 23 januari 2025




beschikking betreffende afstamming, omgang en kinderbijdrage




op het verzoekschrift in de zaak FA RK 24-3376 van





[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.J.C. Nuijten te Bergen op Zoom ,



en het (voorwaardelijk) verzoekschrift in de zaak FA RK 24-4632 van




mr. [de bijzondere curator], advocaat te [plaats] ,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna genoemde minderjarigen,
hierna te noemen: de bijzondere curator,



over de minderjarigen:


[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,


[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna te noemen: [minderjarige 2] .




Als belanghebbenden in de zaak FA RK 34-3376 worden aangemerkt:





[de man]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom ,




de bijzondere curator, voornoemd.




Als belanghebbenden in de zaak FA RK 24-4632 worden aangemerkt:




de vrouw, voornoemd,




de man, voornoemd.






1Het (verdere) verloop van de procedure


1.1.

De rechtbank heeft in de zaak FA RK 24-3376 kennis genomen van de volgende
stukken:

- de tussenbeschikking van 10 september 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het op 3 oktober 2024 door de bijzondere curator ingediende F9-formulier, met stukken;
- de brief van 4 november 2024 van mr. Nuijten;
- het op 18 november 2024 door mr. Bronsveld ingediende F9-formulier;



1.2.

De rechtbank heeft in de zaak FA RK 24-4632 kennis genomen van de volgende
stukken:

- het op 3 oktober 2024 door de bijzondere curator ingediende voorwaardelijk verzoekschrift vernietiging erkenning, met bijlage;
- de brief van 4 november 2024 van mr. Nuijten;
- het op 18 november 2024 door mr. Bronsveld ingediende F9-formulier;





2De feiten


2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.



2.2.
Op [geboortedag 1] 2016 zijn de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] .



2.3.
Op [geboortedag 2] 2017 is te [geboorteplaats] geboren [minderjarige 3] .



2.4.
De man heeft de minderjarigen erkend. De vrouw is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.



2.5.
Bij beschikking van 10 september 2024 is mr. [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.6.
Tussen partijen zijn provisionele voorzieningen getroffen. Bij beschikking van 15 augustus 2024 heeft de rechtbank bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, bepaald dat de man en de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar onder begeleiding van ‘[organisatie], of een soortgelijke organisatie. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat, bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 9 juli 2024 wordt vastgesteld op € 201,= per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen.





3De verzoeken



In de zaak FA RK 24-3376




3.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,


de erkenning van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te vernietigen, danwel een bijzondere curator te benoemen voor de vertegenwoordiging van de minderjarigen voornoemd inzake de vernietiging van de erkenning;


te bepalen dat tussen de man en de minderjarige [minderjarige 3] een begeleide omgangsregeling zal gelden, waarbij de duur, frequentie en wijze door het CJG zal worden bepaald, waarbij er tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen omgang zal zijn, dan wel de man deze omgang te ontzeggen gedurende één jaar, danwel gedurende de duur zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen, subsidiair te bepalen dat tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een begeleide omgang zal gelden, waarbij de duur, frequentie en wijze door het CJG zal worden bepaald, danwel een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 3] en/of [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] voornoemd vast te stellen, welke de rechtbank in goede justitie zal bepalen;


te bepalen dat indien de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voornoemd wordt vernietigd, de man aan de vrouw, bij vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] dient te voldoen tot een bedrag van € 535,= per maand, danwel, indien de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voornoemd niet wordt vernietigd, te bepalen dat de man aan de vrouw, bij vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voornoemd dient te voldoen tot een bedrag van € 201,= per kind per maand, danwel een bedrag dat de rechtbank redelijk en billijk acht, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, danwel met ingang van de datum die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;


kosten rechtens.





Subsidiair

Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten naar de vraag of de vernietiging van de erkenning in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voornoemd is en/of naar de vraag of omgang tussen de man en [minderjarige 3] , danwel tussen de man en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het belang van de kinderen is en zo ja, op welke wijze.




In de zaak FA RK 24-4632





3.2.

De bijzondere curator heeft bij (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek verzocht om bij
beschikking, en onder de voorwaarde dat uit DNA zal zijn gebleken dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de man te vernietigen.




In beide zaken





3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.





4De (nadere) beoordeling


4.1.

De rechtbank verwijst naar haar tussenbeschikking van 10 september 2024 in de zaak
FA RK 24-3376. Bij die beschikking heeft de rechtbank mr. [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De bijzondere curator is verzocht om binnen vier weken na die beschikking schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de erkenning in te nemen. Genoemde zaak is daartoe pro forma aangehouden.




4.2.

De bijzondere curator heeft op 3 oktober 2024 haar rapport en advies uitgebracht. Het
verslag daarvan is gevoegd bij het voorwaardelijk zelfstandig verzoekschrift van de bijzondere curator, dat op 3 oktober 2024 door de rechtbank is ontvangen. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder kenmerk C/02/427328 / FA RK 24-4632. De bijzondere curator adviseert eerst een DNA-onderzoek te gelasten tussen de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] enerzijds en de man anderzijds. In het geval uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, adviseert de bijzondere curator het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de erkenning in de zaak FA RK 24-3376 toe te wijzen. Voor het geval de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning, verzoekt de bijzondere curator namens de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij wijze van – voorwaardelijk – zelfstandig verzoek om de erkenning van hen door de man te vernietigen.




4.3.

Namens de vrouw is bij brief van 4 november 2024 van mr. Nuijten aangegeven dat
zij instemt met de conclusies en het voorwaardelijk verzoek van de bijzondere curator. De vrouw is bereid eerst mee te werken aan een DNA-onderzoek en verzoekt uit pragmatische overwegingen om middels een tussenbeschikking zonder het houden van een mondelinge behandeling dit DNA-onderzoek te gelasten. De vrouw verzoekt daarbij te bepalen dat de kosten van het DNA-onderzoek voor rekening van de man dienen te komen, danwel voor rekening van beide partijen ieder voor de helft.




4.4.

Bij F9-formulier van 18 november 2024 van mr. Bronsveld is namens de man
aangegeven dat hij instemt met het voorstel van mr. Nuijten om middels een tussenbeschikking een DNA-onderzoek te laten uitvoeren. De kosten daarvan dienen volgens de man voor rekening van de vrouw te komen, mede gelet op het feit dat de vrouw zelf een ondeugdelijk DNA-onderzoek heeft laten uitvoeren en ook verzoekende partij is in deze procedure.




4.5.

Gelet op de overgelegde stukken overweegt de rechtbank als volgt.
Voor alle partijen, en in de eerste plaats voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vindt de rechtbank het van belang dat er (eerst) definitief duidelijkheid komt over de vraag of de man al dan niet de biologische vader van hen is. Die duidelijkheid is er gelet op de tegenstrijdige verklaringen van partijen nu niet. De rechtbank zal daarom een DNA-onderzoek gelasten om antwoord te geven op de vraag of de man de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De rechtbank zal Verilabs B.V. te Gouda als deskundige benoemen om dit DNA-onderzoek te verrichten. De man en de vrouw moeten voor het maken van een afspraak voor dit onderzoek zelf telefonisch contact opnemen met deze deskundige. Hiervoor moeten zij, binnen één maand na de datum van deze beschikking, telefonisch contact opnemen via het [telefoonnummer]. De moeder moet het mogelijk maken dat er bij de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] DNA kan worden afgenomen door Verilabs.




4.6.

Aangezien het voor de beslissing op alle in deze zaken voorliggende verzoeken van
belang is om te weten of de man de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is of niet, zal de rechtbank de beslissing op die verzoeken, in afwachting van het resultaat van voormeld DNA-onderzoek, pro forma aanhouden voor de duur van drie maanden, tot hierna te noemen datum. Na ontvangst van genoemd rapport zullen partijen (via hun advocaten) en de bijzondere curator in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk hierop te reageren en het door hen gewenste verdere procesverloop in beide zaken kenbaar te maken.




4.7.

De kosten van het DNA-onderzoek worden voorlopig geschat op € 1.055,= (wanneer
de man en de minderjarigen samen naar de afspraak komen bedragen de kosten € 995,=).
Op grond van artikel 195 Rv dient de verzoekende partij de kosten van een deskundigenonderzoek in beginsel voorlopig voor zijn rekening te nemen en kan het bedrag waarop de deskundige aanspraak heeft enkel voorlopig ten laste van ’s Rijks kas worden gebracht indien aan verzoeker een toevoeging is verleend, of hij als onvermogend moet worden beschouwd. Nu in deze procedure aan de vrouw, als verzoekster, geen toevoeging is verleend en evenmin is gebleken dat zij onvermogend is om de kosten van het deskundigenonderzoek voor te schieten, zal de rechtbank bepalen dat de kosten van het deskundigenonderzoek door de vrouw dienen te worden voorgeschoten.
De beslissing ten aanzien van het voorschot zegt nog niets over de uiteindelijke beslissing over de definitieve kosten van het deskundigenonderzoek. De definitieve kosten van voormeld DNA-onderzoek en de verdeling van die kosten tussen partijen, zal de rechtbank op een later moment vaststellen, mede aan de hand van de uitkomst van het DNA-onderzoek en aan de hand van de alsdan bekende feiten en omstandigheden. Nu het in familie gerelateerde zaken gebruikelijk is dat de kosten gecompenseerd worden, geldt, op grond van artikel 244 lid 2 RV, als uitgangspunt dat de rechter vaststelt welk deel van de kosten van de deskundige ieder van de partijen dient te dragen. De wet laat in principe geen ruimte om die kosten voor ’s Rijks kas te laten komen.




4.8.
De rechtbank benadrukt ten slotte dat partijen op grond van het bepaalde in artikel 198, derde lid Rv verplicht zijn om mee te werken aan het deskundigenonderzoek. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Dit betekent dat de rechtbank ook zonder uitslag van het DNA-onderzoek kan beslissen op de aan de rechtbank voorliggende verzoeken.





5De (nadere) beslissing


De rechtbank:




In beide zaken:




5.1.
gelast een DNA-onderzoek met betrekking tot de vraag of de heer [de man] de biologische vader is van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016;



5.2.
benoemt Verilabs Nederland B.V. te Gouda (2806 RA), aan de Noothoven van Goorstraat 11-D, als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag;



5.3.
beveelt dat partijen binnen vier weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met Verilabs;



5.4.
bepaalt dat het voorschot voor de kosten van het deskundigenonderzoek en -rapport, welke kosten vooralsnog zijn begroot op een totaalbedrag van € 1.055,=, in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en verdeling van deze kosten, door de vrouw dient te worden gedragen, waarbij de vrouw een factuur zal ontvangen van het LDCR met betaalinstructies;



5.5.
bepaalt dat de deskundige met het onderzoek pas zal aanvangen nadat de griffier van de rechtbank Verilabs heeft bevestigd dat voormeld voorschot door het LDCR is ontvangen;



5.6.
verzoekt de deskundige om, voor zover mogelijk, binnen drie maanden na heden schriftelijk aan de rechtbank te rapporteren;



5.7.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;



5.8.
houdt iedere verdere beslissing in de zaken, in afwachting van het deskundigenrapport, aan tot dinsdag 22 april 2025 PRO FORMA, met inachtneming van hetgeen in r.o. 4.6. van deze beschikking is overwogen.


Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2025 in tegenwoordigheid van mr. Lavrijssen, griffier.



























































Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.