Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2025:2686
2025-04-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
432176
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrouw in haar verzoek niet ontvankelijk verklaard. Zij vraagt bij wijze van provisionele voorziening een voorlopige voorziening. Hoofdzaak ziet op ontbinding gereg pschap tussen ppn. Wetgever heeft met artt 821-826 Rv voorzien in bijz regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Daarmee geen plaats voor art 223 Rv.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1414 Hoge Raad 31-08-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.748 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/432176 / FA RK 25-902
beschikking d.d. 24 april 2025 op het verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening ex artikel 223 Rv
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 februari 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Bronsveld;
- de brief d.d. 2 april 2025 van mr. Baas.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/432174 / FA RK 25-900. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen voor.
1.3. De op 10 april 2025 bepaalde mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen – omdat zij overeenstemming hebben bereikt – geen doorgang gevonden.
2De feiten
2.1.
Partijen, Nederlanders, zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan onder partnerschapsvoorwaarden.
3Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt:
- bij wijze van provisionele voorziening te bepalen dat de vrouw in de woning te [woonplaats 1], aan de Biezenbaan 18 zal kunnen verblijven tot zes maanden na de door de rechtbank te geven beschikking en voorts te bepalen dat de man zal voldoen een bedrag van € 1.210,00 per maand aan partneralimentatie per datum af te geven beschikking door de rechtbank.
4De beoordeling
4.1.
Bij voormelde brief van 1 april 2025 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het deel van het verzoek betreffende de partneralimentatie, inhoudende dat de man aan de vrouw zal voldoen per 1 april 2025 een bedrag van € 1.212,00 bruto. Het verzoek betreffende de woning in deze procedure is door de vrouw ingetrokken. Daarbij verzoekt de vrouw om het vorenstaande vast te leggen in een beschikking. Namens de vrouw wordt bericht dat de mondelinge behandeling, gelet op de overeenstemming, geen doorgang hoeft te vinden.
4.2.
Bij genoemde brief van 2 april 2025 is namens de man bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt overeenkomstig hetgeen mr. Bronsveld in zijn brief van
1 april jl. heeft aangegeven. Ook de man heeft aangegeven dat de mondelinge behandeling geen doorgang behoeft te vinden.
4.3.
De vrouw vraagt bij wijze van provisionele voorziening een voorlopige voorziening. Haar verzoek is derhalve gebaseerd op artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Vaststaat dat de hoofdzaak tussen partijen ziet op de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen; op grond van artikel 828 Rv zijn de bepalingen over de rechtspleging in scheidingszaken daarbij van overeenkomstige toepassing. De wetgever heeft met de artikelen 821-826 Rv voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee heeft de wetgever kennelijk bedoeld een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure. Daarmee is niet te verenigen dat een dergelijke voorziening ook op de voet van artikel 223 Rv kan worden gevraagd, zodat geen plaats is voor toepassing van artikel 223 Rv, zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van
31 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1414). Het voorgaande leidt ertoe dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv.
5De beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/432176 / FA RK 25-902
beschikking d.d. 24 april 2025 op het verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening ex artikel 223 Rv
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 februari 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Bronsveld;
- de brief d.d. 2 april 2025 van mr. Baas.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/432174 / FA RK 25-900. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen voor.
1.3. De op 10 april 2025 bepaalde mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen – omdat zij overeenstemming hebben bereikt – geen doorgang gevonden.
2De feiten
2.1.
Partijen, Nederlanders, zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan onder partnerschapsvoorwaarden.
3Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt:
- bij wijze van provisionele voorziening te bepalen dat de vrouw in de woning te [woonplaats 1], aan de Biezenbaan 18 zal kunnen verblijven tot zes maanden na de door de rechtbank te geven beschikking en voorts te bepalen dat de man zal voldoen een bedrag van € 1.210,00 per maand aan partneralimentatie per datum af te geven beschikking door de rechtbank.
4De beoordeling
4.1.
Bij voormelde brief van 1 april 2025 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het deel van het verzoek betreffende de partneralimentatie, inhoudende dat de man aan de vrouw zal voldoen per 1 april 2025 een bedrag van € 1.212,00 bruto. Het verzoek betreffende de woning in deze procedure is door de vrouw ingetrokken. Daarbij verzoekt de vrouw om het vorenstaande vast te leggen in een beschikking. Namens de vrouw wordt bericht dat de mondelinge behandeling, gelet op de overeenstemming, geen doorgang hoeft te vinden.
4.2.
Bij genoemde brief van 2 april 2025 is namens de man bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt overeenkomstig hetgeen mr. Bronsveld in zijn brief van
1 april jl. heeft aangegeven. Ook de man heeft aangegeven dat de mondelinge behandeling geen doorgang behoeft te vinden.
4.3.
De vrouw vraagt bij wijze van provisionele voorziening een voorlopige voorziening. Haar verzoek is derhalve gebaseerd op artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Vaststaat dat de hoofdzaak tussen partijen ziet op de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen; op grond van artikel 828 Rv zijn de bepalingen over de rechtspleging in scheidingszaken daarbij van overeenkomstige toepassing. De wetgever heeft met de artikelen 821-826 Rv voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee heeft de wetgever kennelijk bedoeld een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure. Daarmee is niet te verenigen dat een dergelijke voorziening ook op de voet van artikel 223 Rv kan worden gevraagd, zodat geen plaats is voor toepassing van artikel 223 Rv, zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van
31 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1414). Het voorgaande leidt ertoe dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv.
5De beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.