Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2023:9666
2023-12-06
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/396775 / HA ZA 22-191 en C/02/401029/ HA ZA 22-457
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gevoegde zaken; nakoming overeenkomst, uittreding 2:343 BW, schadevergoeding, verstrekken informatie, nakoming afspraken, schade als gevolg van onregelmatige opzegging, onrechtmatige concurrentie, vordering uit hoofde van lening.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1955:47 Hoge Raad 09-12-1955
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (78.434 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
Vonnis van 6 december 2023
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/02/396775 / HA ZA 22-191 van
[persoon 1]
,
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M. Franke te Eindhoven,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 1]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 2]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 3]
,
gevestigd te [plaats 3] ,
4. [persoon 2],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie;
advocaat mr. M.C.J. de Schepper te Eindhoven ,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/02/401029 / HA ZA 22-457 van
[persoon 1]
,
wonende te [plaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. M. Franke te Eindhoven ,
tegen
1 [persoon 3] ,
wonende te [plaats 3] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 4]
,
gevestigd te [plaats 4] ,
gedaagden
advocaat mr. M.C.J. de Schepper te Eindhoven .
Partijen zullen hierna ook [persoon 1] , [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] , [persoon 2] , [B.V. 4] en [persoon 3] genoemd worden. De gedaagden in conventie in beide zaken tezamen tevens eiserszullen worden aangeduid als [partij B]
1De procedure in de zaak 396775/22-191
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 13 juli 2022 met de onderliggende stukken waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 25 november 2022,
het vonnis in het incident van 10 augustus 2022, waarbij de vorderingen in het incident zijn afgewezen,
de beslagstukken,
de akte aanvulling gronden tevens wijziging eis van [persoon 1] van 11 november 2022, waarbij hij verwijst naar zijn verzoek om voeging met de zaak onder nummer 401029/22-457,
de e-mail van de rechtbank aan partijen waarbij is meegedeeld dat de mondelinge behandeling van 25 november 2022 geen doorgang zal vinden omdat de rechtbank om proceseconomische redenen deze zaak tegelijkertijd met de zaak 401029/22-457 ter zitting wenst te behandelen,
de akte tot wijziging (tevens vermeerdering) van eis en aanvullen grondslag in reconventie van gedaagden in conventie, eisers in reconventie, tevens akte tot overleggen producties in conventie en reconventie, tevens antwoordakte, met producties 21 tm 23,
de akte aanvulling gronden tevens wijziging eis van [persoon 1] ,
de akte overlegging producties van gedaagden in conventie, eisers in reconventie, met producties 24 en 25,
de aanvullende productie 29 van [persoon 1] ,
de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 29 juni 2023,
de spreekaantekeningen van mrs. Franke en De Schepper.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De procedure in de zaak 401029/22-457
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 1 maart 2023 met de onderliggende stukken, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,
de akte aanvulling gronden tevens wijziging van eis van [persoon 1] ,
de akte overlegging producties van gedaagden, met de producties 1 en 2,
de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 29 juni 2023,
de spreekaantekeningen van mrs. Franke en De Schepper.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten in beide zaken
3.1.
[B.V. 1] houdt zich voornamelijk bezig met de handel in ledverlichting en overige producten ter verduurzaming van woningen. [B.V. 1] draagt in opdracht van woningcorporaties en gemeenten zorg voor de levering van dergelijke producten aan consumenten. De corporaties en gemeenten maken hierbij gebruik van de zogenaamde RREW subsidie, een bedrag per huishouden dat kan worden aangevraagd ter verduurzaming van een woning.
3.2.
[B.V. 1] is op 9 december 2016 opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 1] is [B.V. 4] . Aandeelhouders van [B.V. 4] zijn [B.V. 2] en [B.V. 3] . [B.V. 2] en [persoon 3] zijn bestuurder van [B.V. 4] .
[persoon 4] , verder [persoon 4] , is enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 2] . [persoon 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 3] .
3.3.
[persoon 1] , [persoon 4] , [persoon 3] en [persoon 2] hebben een zogenaamde “onderlinge overeenkomst” d.d. 18 december 2017 (hierna de onderlinge overeenkomst) gesloten waarin – voor zover relevant – als volgt is bepaald:
(…) overwegende dat de heren:
• [persoon 1] , (…)
• [persoon 4] , (……)
• [persoon 3] , (…); en
• [persoon 2] (…)
in maart 2016 een samenwerking zijn gestart gericht op business development en innovaties. Bij de start was het voornemen om hiervoor een formele structuur op te zetten met een Holding en afzonderlijke Werkmaatschappijen voor kansrijk geachte projecten. Op 25 november 2016 is door [persoon 4] en [persoon 3] de Holding opgericht, i.c. [B.V. 4] Op 9 december 2016 is door [B.V. 4] de eerste werkmaatschappij opgericht, i.c. [B.V. 1] Bij de ondertekening van deze overeenkomst is de oprichting van een 2e werkmaatschappij [B.V. 5] in voorbereiding.
Om de belangen van [persoon 1] en [persoon 2] te waarborgen worden in deze onderlinge overeenkomst de volgende afspraken vastgelegd:
1. In [B.V. 4] worden de resultaten van de deelnemingen (werkmaatschappijen) verantwoord als “resultaat uit deelneming”.
2. [persoon 1] , [persoon 4] , [persoon 3] en [persoon 2] hebben ieder een gelijk aandeel (25%) in het resultaat van [B.V. 4]
3. [persoon 1] en [persoon 2] hebben het recht ieder maximaal 25% van de aandelen te kopen tegen:
a. de nominale waarde, ofwel 30 aandelen tegen een prijs van € l,··per aandeel, indien het Eigen Vermogen van [B.V. 4] gelijk is aan € 120,--;
b. de intrinsieke waarde indien het Eigen Vermogen niet gelijk is aan €120,--.
4. [persoon 4] en [persoon 3] zullen beide evenveel aandelen leveren.
5. Voor de verkoop van aandelen worden de bepalingen in de oprichtingsakte van [B.V. 4] d.d. 25 november 2016 van toepassing verklaard.
6. De wijze van verrekening van het aandeel in het exploitatieresultaat van [persoon 1] en [persoon 2] wordt in onderling overleg bepaald.
(…)
3.4.
Tussen partijen is onenigheid ontstaan in de samenwerking. Partijen hebben nadien overleg gehad over afwikkeling van de samenwerking met [persoon 1] in de vorm van uitkoop van [persoon 1] .
3.5.
Mr. de Schepper heeft een memo d.d. 9 november 2021 opgesteld waarin voor zover relevant als volgt is opgenomen:
“(…)
Aan: [persoon 1] en [persoon 4]
(…)
Betreft: Eventueel oprichten STAK & uitkoop van [persoon 1] als informele vennoot
(…) Beëindigen samenwerking via [B.V. 1]
Los van het vorenstaande staat dat de twee formele eigenaren en de twee informele
stakeholders met elkaar in gesprek zijn omdat drie van die stakeholders de samenwerking met de vierde eigenaar willen afbouwen c.q. beëindigen. Aan [persoon 1] is gemeld dat de anderen in de toekomst niet verder willen met hem.
(…) Partijen zouden de volgende afspraken kunnen maken, die dan nader moeten worden uitgewerkt (…)
3. Er wordt een overeenkomst gesloten nu of op een nader moment waarin wordt vastgelegd dat het aandeel van [persoon 1] in de vennootschap wordt overgedragen aan de medevennoten, tegen betaling van een redelijke vergoeding.
4. Omdat er grote omzetten en winsten in het verschiet liggen, maar op dit moment het geld voor de afkoop nog niet aanwezig is, zal dan een betaling in termijnen worden afgesproken. (..)
5. Uitgangspunt voor vaststelling van de koopsom voor de aandelen van [persoon 1] wordt bepaald aan de hand van de winstmarge op de in de komende periode te verwachten omzet. [persoon 1] wordt uitgekocht (c.q. de STAK).
(…)
Uitkoop [persoon 1]
Wij hebben hier samen over gesproken en kwamen tot de mogelijke afspraken. Dit moet dan natuurlijk met alle vier de “stakeholders” worden besproken. Deze afspraak zou dan als volgt kunnen zijn:
Nadat een STAK is opgericht die voor [persoon 1] aandelen kan houden of betalingen in ontvangst kan nemen, wordt [persoon 1] uitgekocht als formeel dan wel informeel aandeelhouder van [B.V. 1] Betaling van de koopsom zal plaatsvinden in termijnen, dit zal grotendeels afhankelijk zijn van het tempo waarmee de verwachte winst en omzet worden gerealiseerd. Er wordt een formule afgesproken die vastlegt hoe de koopsom wordt bepaald.
(…) Omdat op dit moment een management fee wordt uitbetaald aan de vier stakeholders die steeds opnieuw geldt als een voorschot op de winstdeling, moet er ook een afrekening worden gemaakt voor [persoon 1] in deze. De reeds door hem ontvangen bedragen komen dan in mindering op de koopsom die overeengekomen wordt. (…)
3.6.
Partijen hebben een bespreking d.d. 19 november 2021 gevoerd. Mr. De Schepper heeft naar aanleiding van deze bespreking een memo d.d. 22 november 2021 opgesteld waarin voor zover relevant als volgt is opgenomen:
“Na wat inleidende besprekingen kwamen wij tot de volgende overwegingen in het kader van de door de mede-stakeholders (twee formele aandeelhouders en [persoon 2] die eveneens slechts in economische zin voor 25% mede-eigenaar is) gewenste uitkoop van [persoon 1] als informeel 25% aandeelhouder (economisch eigenaar) van [B.V. 1] Formeel aandeelhouder zijn alleen [persoon 3] en [persoon 4] . (…)
Hoofdlijn besproken uitkoop .
Partijen bespraken een deal op hoofdlijnen, waarbij ondergetekende heeft aangegeven deze op papier te zetten en direct na verzending van alle vier de betrokkenen een bevestiging van akkoord te willen ontvangen danwel een reactie met duidelijk aangegeven wat er aan deze bevestiging niet klopt. Zodra er een versie is waar allen akkoord op hebben gegeven zal ik deze als advocaat van de vennootschap uitwerken In een verder uitgewerkte overeenkomst.
Het betreft de wijze waarop [persoon 1] wordt uitgekocht, dat wil zeggen waarop zijn 25% economische eigendom van [B.V. 1] door de andere drie wordt overgenomen. Dit ziet er als volgt uit:
1. [persoon 1] ontvangt een koopsom welke is gesplitst in een deel van enerzijds een bedrag van€ 202.000,-- (uit te betalen in termijnen) (Deel A Koopsom) en anderzijds een gedeelte dat later pas wordt vastgesteld door een gezamenlijk aan te wijzen deskundige (Deel B Koopsom). Op de wijze als hieronder uitgewerkt.
2. Het eerste deel van de koopsom; € 202.000,- (zegge: tweehonderd en twee duizend euro), Deel A Koopsom, zal worden omgezet in een geldlening die verkoper ( [persoon 1] ) verstrekt (aan de drie voortzetters). Deze zou dan worden uitbetaald in de volgende termijnen:
Kalenderjaar 2022:
1e kwartaal:€ 20.000,-- 2e kwartaal: € 20.000,-- 3e kwartaal: € 30.000,-- 4e kwartaal: € 30.000,--
Kalenderjaar 2023:
- 1e kwartaal 2023: € 102.000,--
(…)
NB: [persoon 1] heeft kort na de bespreking aan mij bericht deze termijnbetalingen anders te willen zien. Ik heb aangegeven dat dit dan tussen betrokkenen dient te worden besproken.
3. Het tweede deel van de koopsom (Deel B Koopsom) wordt als volgt berekend: Waarde van De Vennootschap per 31 december 2022 volgens de door partijen aan te wijzen externe waardebepaler-/- kosten waardebepaling X 25% = Deel B Koopsom.
4. Het tweede deel van de koopsom (Deel B Koopsom) wordt aan [persoon 1] uitbetaald binnen een maand nadat de waardebepaler de waarde van De Vennootschap heeft vastgesteld.
5. [persoon 1] krijgt over de periode tot en met 31 december 2022 een maandelijkse fee (overeenkomst van opdracht) van € 4.000,-- (exclusief btw). Dat betekent een bedrag van € 12.000,-- per kwartaal, dus in totaal € 48.000,-- over het gehele jaar 2022. Daarna eindigt de samenwerking, tenzij partijen anders overeenkomen.
6. Per 31 december 2022 wordt door een onafhankelijke expert de waarde bepaald van de vennootschap. Dat gebeurt dus zo snel mogelijk na 31 december 2022. Partijen zorgen er gezamenlijk voor dat de (voorlopige) cijfers daartoe zo snel mogelijk zijn opgesteld. (…)Daarover volgt nog een concretere afspraak in de overeenkomst die wordt opgesteld als partijen overeenstemming op hoofdlijnen hebben bevestigd.
7. De waardebepaler zal de bedrijfseconomische waarde van de vennootschap bepalen per 31 december 2022, bij wijze
van bindend advies
. (…)
8. Per het moment dat de hier genoemde afspraken door partijen middels een handtekening zijn bevestigd en de eerste termijnbetaling door [persoon 1] is ontvangen, eindigt het economisch eigenaarschap (25%) van [persoon 1]
(..).
10. Ondergetekende werkt e.e.a. uit in een korte overeenkomst waarbij de gebruikelijke bijkomende afspraken en aandachtspunten worden meegenomen.
Graag bevestiging
Graag verneem ik van [persoon 3] ; [persoon 4] ; [persoon 1] en [persoon 2] of akkoord gaan met het vorenstaande.
3.7.
[persoon 1] heeft de advocaat van [B.V. 1] een e-mail van 2 of 3 december 2021 gestuurd waarin hij heeft bericht “Als vervolg op ons telefoongesprek van zojuist zend ik je hierbij een voorstel van mijn kant waarbij ik aangeef hoe het exit ook zou kunnen. Voor mijn kompanen is dit naar mijn idee en inzicht, voor hen, een betere deal en kan ik stappen maken in mijn toekomst. Gezien mijn/onze persoonlijke privé situatie heb ik/wij haast om tot een exit-deal te komen. Eigenlijk werd mij totaal onverwacht bij jou, door [persoon 4] , medegedeeld dat hij en mijn twee andere kompanen van mij af willen en voor een volledige exit gaan terwijl de insteek van ons gesprek zou zijn, de oprichting van een STAK en de overdracht van [B.V. 6] naar deze STAK. Door alle huidige privé ellende ben ik vaak niet volledig bij mijn positieven en moet ik dingen in alle rust overwegen. Dat heb ik gedaan na ons gesprek op 19 november.”
3.8.
Bij e-mail van 6 december 2021 heeft [persoon 4] mr. De Schepper als volgt bericht:
(…) Op 19 november j.l. heeft Martijn de Schepper de rol van mediator op zich genomen en hebben wij onder zijn leiding en dankzij zijn inbreng een principe overeenkomst bereikt.
4. In dit resultaat zijn we een betalingsregeling overeengekomen tot een totaalbedrag van
€ 250K en een mogelijke nabetaling indien het resultaat van de waardebepaling door een onafhankelijk deskundige op peildatum 31-12-2022 tot een hoger bedrag leidt.
5. Wij hebben [persoon 1] vervolgens de hand geschud op dit resultaat.
(…)
7. Martijn de Schepper heeft op maandag 22 november j.l. een verslag van het overleg gemaild.
8. [persoon 1] heeft op vrijdag 3 december per mail aangegeven dat hij het voorstel heeft heroverwogen en dat hij de samenwerking sneller wil beëindigen. Daarvoor heeft hij een nieuw voorstel bijgevoegd.
9. Dit voorstel komt neer op:
• C 100K op 03-01-2022
• C 100K op 04-04-2022
• C 300K op 01-08-2022
• Borgstelling door BV’s en persoonlijk door aandeelhouders
• 5% provisie van de omzet van aangeleverde projecten tot 31-08-2022
• Géén maandelijkse fees
• Géén extra afrekening
Onze reactie:
10. Aangezien [persoon 1] zich niet gebonden voelt aan de intentie-overeenkomst voelen wij ons ook vrij om zijn exit anders in te vullen. Ook wij hebben tijd gehad om na te denken en hebben ons gerealiseerd dat we ons hebben laten verleiden tot het doen van toezeggingen over betalingen waarvan nog niet duidelijk is of de liquiditeitspositie van [partij B] dat mogelijk maakt. In de principe-overeenkomst is sprake van een bevoordeling van [persoon 1] tegenover de anderen. Dat is niet juist. Nogmaals: hij heeft deze situatie aan zich zelf te danken. Ondanks alles blijven we wel bereid om hem zijn 25% aandeel te betalen, maar zien geen reden om hem met voorrang uit te betalen. (….) Van de zijde van [B.V. 1] c.s wordt vervolgens een voorstel gedaan. Wij hebben ook geen zin om hier nog heel veel tijd aan te besteden. Die hebben we namelijk hard nodig om aan onze verplichtingen te voldoen.
3.9.
Bij brief d.d. 14 december 2021 van mr. de Schepper namens [B.V. 1] aan [persoon 1] is meegedeeld als volgt: (..) Op mijn e-mail d.d. 09-12-2021 (..) en de daaraan voorafgaande brief van 8-12-2021 werd tot op heden geen (positief) antwoord ontvangen. Het voorstel van cliënte, [B.V. 1] , werd daarmee dus niet binnen de gestelde termijn geaccepteerd heeft haar directie geconstateerd. Het voorstel is daarmee komen te vervallen. (…) Namens cliënte meld ik dat zij constateert dat het voor een goede samenwerking benodigde onderlinge vertrouwen inmiddels niet meer aanwezig is. Op haar verzoek meld ik namens haar dat bij deze gebruik wordt gemaakt van het recht om ex. art. 7:408 BW de overeenkomst van opdracht in het kader waarvan u maandelijks factureert op te zeggen en wel per 31-12-2021. Dit betekent dat geen factuur meer kan worden toegezonden over de periode daarna (…)”
3.10.
Nadien hebben partijen nog correspondentie gevoerd.
3.11.
Na daartoe verkregen verlof d.d. 15 maart 2022 van deze rechtbank heeft [persoon 1] conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] terzake schade in verband met het in strijd met de redelijkheid en billijkheid niet hanteren van een opzegtermijn en het handelen in strijd met gemaakte afspraken. De vordering op [B.V. 1] is begroot op € 31.500,- en de vordering op [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] op € 325.000,-. Het conservatoire beslag ten laste van [B.V. 1] is gelegd onder de gemeente [plaats 2] , een opdrachtgever van [B.V. 1] en onder de Coöperatieve Rabobank U.A. Het beslag ten laste van [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] is gelegd onder [B.V. 1] . Nadat [B.V. 1] respectievelijk [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] vervangende zekerheid hebben verstrekt, zijn de beslagen opgeheven.
4Het geschil (in conventie)
in de zaak 396775 (in conventie): [persoon 1] tegen [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] en in de zaak 401029: [persoon 1] tegen [persoon 3] en [B.V. 4]
4.1.
[persoon 1] vordert na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
I. Primair
de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te bevelen om binnen 5 werkdagen nadat het vonnis is betekend aan de aandeelhouders, het 25% belang van [persoon 1] in [B.V. 4] en [B.V. 1] over te nemen voor een bedrag ad € 250.000 dan wel een prijs die bepaald dient te worden door een deskundige, waarbij als peildatum voor de bepaling van de waarde van de aandelen 31 december 2021 geldt, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
Subsidiair
a. de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] te betalen een bedrag aan (schade)vergoeding op te maken bij staat en te begroten volgens de wet terzake van het aandelenbelang van [persoon 1] , althans zijn aanspraak hierop (voorlopig begroot op € 250.000), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; en
b. de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de incassokosten over het onder a. gevorderde, begroot op € 3.025;
ll. [B.V. 4] en [B.V. 1] althans de (feitelijk en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] de financiële informatie – zoals de volledige jaarrekeningen – over de boekjaren 2021 en 2022 te verstrekken, binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat gedaagden nalaten aan deze veroordeling te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan dwangsommen;
III. [B.V. 4] en [B.V. 1] althans de (feitelijk en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] , hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] te betalen 25% van het resultaat van [B.V. 4] , althans [B.V. 1] over de boekjaren 2019 en vanaf 2021 (thans 2021 en 2022), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [B.V. 1] te veroordelen aan [persoon 1] te betalen een bedrag groot € 24.996, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding;
V. [partij B] hoofdelijk te veroordelen om aan [persoon 1] te voldoen een bedrag ad € 3.894,77 als door [persoon 1] gemaakte conservatoire beslagkosten. Te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
Vl. [partij B] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten van dit geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit wijzen vonnis en, voor het geval betaling daarvan niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de rente over dit bedrag.
4.2.
[B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] voeren verweer en verzoeken
primair
1) [persoon 1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen en [persoon 1] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de advocaatkosten, binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.
2) Te verklaren voor recht dat er nimmer een overeenkomst van opdracht heeft bestaan tussen [persoon 1] en [B.V. 1] en dat deze ook nimmer op die grondslag betalende
werkzaamheden heeft verricht voor [B.V. 1] .
Subsidiair
3) Voor zover enige vordering van [persoon 1] wordt toegewezen, dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4) Geen der gedaagden hoofdelijk te veroordelen ter zake enige vordering en de verzoeken daartoe als opgenomen in de eisen II t/m VI in de dagvaarding af te wijzen als ongegrond en iedere gedaagde slechts te veroordelen indien en voor zover voldoende is gesteld; onderbouwd en bewezen gehouden is tot betaling van een deel van de in betreffende eisen gestelde vorderingen.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] eveneens geconcludeerd tot afwijzing van de gewijzigde vorderingen van [persoon 1] .
4.3.
[persoon 3] en [B.V. 4] voeren eveneens verweer en verzoeken
primair
b) [persoon 1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen en [persoon 1] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de advocaatkosten, binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.
Subsidiair
2) Voor zover enige vordering van [persoon 1] wordt toegewezen, dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3) Geen der gedaagden hoofdelijk te veroordelen ter zake enige vordering en de verzoeken tot hoofdelijke veroordeling – ter zake welke vordering dan ook – af te wijzen als ongegrond en iedere gedaagde slechts te veroordelen indien en voor zover voldoende is gesteld; onderbouwd en bewezen.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [persoon 3] en [B.V. 4] eveneens geconcludeerd tot afwijzing van de gewijzigde vorderingen van [persoon 1] .
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5Het geschil in reconventie in de zaak 396775
5.1.
[B.V. 1] en [persoon 2] (aldus leidt de rechtbank af uit de passage op pagina 19 van de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, tevens incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex art. 223 Rv) vorderen na wijziging van eis in reconventie:
te verklaren voor recht dat [persoon 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [B.V. 1] door gebruik van aan [B.V. 1] toebehorende bedrijfsgegevens en het daarmee benaderen van leads en/of relaties en/of klanten van [B.V. 1] en dat [persoon 1] gehouden is de daaruit voortvloeiende schade, te vergoeden, nader op te maken bij staat.
te bepalen dat [persoon 1] een schadevergoeding moet voldoen aan [B.V. 1] terzake de door hem veroorzaakte schade ten gevolge van zijn voornoemde onrechtmatig handelen van € 140.495,87, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente.
[persoon 1] te veroordelen aan [persoon 2] een bedrag te voldoen van € 3.000,- plus contractuele rente van 2%, subsidiair de wettelijke rente, vanaf datum opeisbaarheid, derhalve vanaf 1-3-2019, althans vanaf 1 juni 2022
[persoon 1] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, waaronder het salaris van de advocaat van gedaagden, binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.
[persoon 1] te veroordelen in de nakosten.
5.2.
[persoon 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie als onbewezen en/of ongegrond, met veroordeling van [B.V. 1] en [persoon 2] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.
5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
6De beoordeling
In conventie in de zaak 396775: [persoon 1] tegen [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] en in de zaak 401029: [persoon 1] tegen [persoon 3] en [B.V. 4]
Vordering sub I primair
Primair de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te bevelen , het 25% belang van [persoon 1] in [B.V. 4] en [partij B] over te nemen voor een bedrag ad € 250.000 dan wel een prijs die bepaald dient te worden door een deskundige,
6.1.
Grondslag van de primaire vorderingen is primair nakoming van de tussen partijen op 19 november 2021 gesloten overeenkomst tot overname van het 25% belang van [persoon 1] voor (i) een initiële koopprijs van € 250.000,- en (ii) een mogelijke additionele koopprijs, die zou worden betaald na waardering van het belang door een deskundige en subsidiair uittreding op basis van artikel 2:343 BW.
Nakoming van de overeenkomst tot overname van het 25% belang
6.2.
[persoon 1] stelt primair dat partijen op 19 november 2021 in aanwezigheid van de advocaat van [partij B] met elkaar hebben gesproken over de uitkoop van [persoon 1] en dat is afgesproken dat [persoon 2] , [persoon 4] , althans [B.V. 2] , en [persoon 3] het (economisch) belang van [persoon 1] van 25% in [B.V. 4] zouden overnemen voor (i) een initiële koopprijs van € 250.000,- en (ii) een mogelijke additionele koopprijs, die zou worden betaald na waardering van het belang door een deskundige. Deze afspraken zijn volgens [persoon 1] neergelegd in de memo van de advocaat van [partij B] van 22 november 2021. [persoon 1] verwijst ter onderbouwing verder naar de e-mail van [persoon 2] , [persoon 4] en [persoon 3] d.d. 6 december 2021. [persoon 1] stelt dat er sprake is van aanbod en aanvaarding en dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt over de partijen, het te verkopen object en de prijs. [persoon 1] voert verder aan dat partijen in dit geval hebben beoogd tot een bindende overeenkomst te komen met betrekking tot de koop en verkoop van het (economisch) belang. [persoon 1] stelt dat hij, nadat partijen de afspraken hadden gemaakt, een wijziging van de overeenkomst heeft voorgesteld, nu hij toch sneller tot een beëindiging van de samenwerking wenste te komen. Volgens [persoon 1] werd deze wijziging vervolgens niet door [persoon 2] , [persoon 4] (althans [B.V. 2] ) en [persoon 3] geaccepteerd, zodat de wijziging niet tot stand is gekomen en de reeds overeengekomen afspraken zijn blijven gelden. Ingevolge artikel 3:296 lid 1 BW zijn [persoon 2] , [persoon 4] (althans [B.V. 2] ) en [persoon 3] gehouden tot nakoming van die afspraken, aldus [persoon 1] .
6.3.
[partij B] betwist dat er sprake is van de door [persoon 1] gestelde overeenkomst tot overname van het (economisch) belang van [persoon 1] van 25% in [B.V. 4] voor een initiële koopprijs van € 250.000,- en een mogelijke additionele koopprijs. [partij B] betwist ook dat de memo d.d. 22 november 2021 reeds gemaakte bindende afspraken betreft. Volgens [partij B] bevat deze memo slechts een samenvatting van conclusies en overwegingen van de bespreking op 19 november 2021 terwijl een aantal zaken ook nog niet voldoende is uitgewerkt in hoofdlijnen, zoals bijvoorbeeld de rechten van [persoon 1] voortvloeiende uit de onderlinge overeenkomst. Daarnaast voert [partij B] aan dat op blz. 3 van deze memo aan [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 1] en [persoon 2] wordt gevraagd te laten weten of zij akkoord gaan met de inhoud van betreffende memo en dat [persoon 1] nog voordat [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 2] gereageerd hadden, de voorstellen uit de memo d.d. 22 november 2021 “van tafel had geveegd en een nieuw voorstel heeft gedaan. [partij B] verwijst naar het citaat op blz. 2 van de memo: “ NB: [persoon 1] heeft kort na de bespreking aan mij bericht deze termijnbetalingen anders te willen zien. Ik heb aangegeven dat dit dan tussen betrokkenen besproken dient te worden”. Volgens [B.V. 1] heeft [persoon 1] derhalve in plaats van akkoord te gaan een tegenvoorstel gedaan en daarmee de voorstellen als verwoord in de bovengenoemde memo d.d. 22 november 2021 verworpen.
6.4.
Uit de stellingen van partijen in samenhang bezien met de memo van 22 november 2021 leidt de rechtbank af dat er aanvankelijk sprake was van wilsovereenstemming tussen partijen over uitkoop van [persoon 1] (‘de handen zijn geschud’), waarbij is afgesproken dat Mr. De Schepper de uitgangspunten op papier zou zetten, hetgeen is geschied in de memo van 22 november 2021. Vast staat dat [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 1] en [persoon 2] in die memo worden verzocht om te laten weten of zij akkoord gaan met de inhoud van de memo. Niet in geschil is dat [persoon 1] vervolgens - voordat [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 2] hadden laten weten al dan niet akkoord te gaan - aan mr. De Schepper bij e-mail van 2 of 3 december 2021 heeft aangegeven “hoe het exit ook zou kunnen en dat dit naar zijn idee en inzicht een betere deal is”. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat partijen deze mail weliswaar niet in het geding hebben gebracht maar dat de inhoud daarvan nu deze niet in geschil is en door partijen is geciteerd, door de rechtbank als vaststaand is aangenomen (vaststaand feit 3.7). De rechtbank stelt vast dat [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] op deze mail hebben gereageerd bij e-mail van 6 december 2021 waarin zij het voorstel van [persoon 1] weergeven en aanleiding hebben gezien zelf ook met een nieuw voorstel te komen. In de e-mail van 6 december 2021 hebben zij, voor zover hier relevant, in dat kader bericht “aangezien [persoon 1] zich niet gebonden voelt aan de intentie-overeenkomst, voelen wij ons ook vrij om zijn exit anders in te vullen”. Uit al het voorgaande volgt dat [persoon 1] zich kennelijk meteen al niet gebonden achtte aan de bereikte overeenstemming en een nieuw voorstel heeft gedaan, welke gang van zaken is geaccepteerd door [persoon 4] , [persoon 3] en [persoon 2] , die op hun beurt ook een nieuw voorstel hebben gedaan. De rechtbank stelt vast dat geen der partijen de ander derhalve gehouden heeft aan de ‘gemaakte’ afspraken c.q. bereikte wilsovereenstemming. Daarmee is er dan ook geen bindende overeenkomst met betrekking tot de uitkoop van [persoon 1] tot stand gekomen, zodat van nakoming geen sprake kan zijn. Deze grondslag treft daarmee geen doel.
Uittreding op grond van artikel 2:343 BW
6.5.
[persoon 1] grondt zijn primaire vordering subsidiair op uittreding op grond van artikel 2:343 BW. Hij stelt dat hij een (economisch) belang in [B.V. 4] heeft van 25% en dat de andere drie houders van 25% belang, proberen hem buitenspel te zetten door hem geen informatie over [B.V. 4] en [B.V. 1] te verstrekken, geen uitkeringen van het resultaat van [B.V. 4] en [B.V. 1] te doen toekomen en geen vergoeding te geven in ruil voor zijn belang. Hiermee wordt volgens [persoon 1] zijn belang dusdanig geschaad, dat in redelijkheid niet van hem kan worden verwacht dat hij zijn (economisch) belang in [B.V. 4] blijft houden. [persoon 1] voert aan dat ondanks dat hij geen formeel houder is van een aandelenbelang in [B.V. 4] en/of [B.V. 1] , het bepaalde in artikel 2:343 BW toch van toepassing is omdat zijn positie vergelijkbaar is met een aandeelhouderspositie en artikel 2:343 BW naar analogie dient te worden toegepast. [persoon 1] stelt dat partijen bij het oprichten van [B.V. 4] en [B.V. 1] , alsmede bij het aangaan van de onderlinge overeenkomst, voor ogen hadden dat alle vier de oprichters gelijk dienden te worden behandeld, als zijnde houders van een 25% (aandelen)belang in de vennootschappen.
6.6.
[partij B] voert als verweer allereerst dat de vennootschap slechts een fractie waard is van wat [persoon 1] stelt. Verder voert [partij B] aan dat [persoon 1] blijkens de onderlinge overeenkomst het recht heeft op kopen van aandelen en dat dat het tegenovergestelde is van het gepretendeerde recht om uitgekocht te worden. [partij B] stelt dat bovendien slechts is afgesproken dat [persoon 1] recht heeft op een gelijk aandeel in de onderneming en dat op een onderling vast te stellen wijze. De andere stakeholders hebben op grond van die afspraak volgens [partij B] ook het recht diens aandeel in het resultaat uit te keren door deze te verrekenen met de schade die [persoon 1] heeft veroorzaakt door het [project] aan zich te trekken. Nu die schade vele malen hoger is dan de vordering ligt de vordering sub 1 reeds voor afwijzing gereed. Een analoge toepassing van art. 2:343 BW is volgens [partij B] ook niet aan de orde omdat de positie van [persoon 1] onvoldoende met de positie van een aandeelhouder overeenkomt. De contractuele positie van [persoon 1] is ook niet te vergelijken met de positie van een certificaathouder, aldus [partij B]
6.7.
Op grond van artikel 2:343 BW kan een aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voorduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, tegen die mede-aandeelhouders een vordering tot uittreding instellen, inhoudende dat zijn aandelen worden overgenomen.
6.8.
Vooropgesteld wordt dat [persoon 1] geen juridisch eigenaar is van aandelen, maar dat sprake is van een verbintenisrechtelijke afspraak tussen hem en [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] op grond waarvan [persoon 1] een 25% economisch belang in [B.V. 4] heeft.
Vast staat dat tussen [persoon 1] en de overige (feitelijke en formele) aandeelhouders een verschil van inzicht is ontstaan, op grond waarvan is besloten dat een duurzame samenwerking tussen partijen in de toekomst niet meer mogelijk is. Partijen hebben geprobeerd om het 25% belang van [persoon 1] te waarborgen en om te bekijken welke koopprijs het economisch belang van [persoon 1] waard is. Zoals hiervoor al is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er uiteindelijk geen bindende overeenkomst tussen die partijen tot stand is gekomen met betrekking tot de uitkoop van het belang van [persoon 1] . Dat neemt niet weg dat de hierboven genoemde aandeelhouders jegens elkaar in een verhouding staan die beheerst wordt door de redelijkheid en billijkheid. Nu deze overige drie aandeelhouders, [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] , hebben aangegeven aan [persoon 1] dat het voor de goede samenwerking benodigde onderlinge vertrouwen niet meer aanwezig is, en men ook overigens heeft aangegeven zonder [persoon 1] verder te willen gaan, brengt de redelijkheid en billijkheid én de overeenkomst van 18 december 2017 in beginsel met zich mee dat het economisch belang van [persoon 1] in [B.V. 4] – zijn 25% belang – wordt gewaardeerd en dat met hem wordt afgerekend. Dat is ook aanvankelijk het uitgangspunt van partijen geweest in de onderhandelingen. Beantwoording van de vraag of artikel 2:343 BW naar analogie moet worden toegepast, kan in zoverre in het midden worden gelaten. De vraag is dan hoe het economisch belang van [persoon 1] dan vervolgens moet worden gewaardeerd en afgerekend. Van de zijde van [persoon 1] is betoogd dat tegen een prijs van € 250.000,- zou moeten worden afgerekend, maar dat betoog is gebaseerd op de gestelde overeenkomst, waarvan is geoordeeld dat partijen daarvan over en weer hebben afgezien. Hoe het belang dan wel moet worden gewaardeerd en afgerekend kan in deze procedure niet worden beoordeeld dan wel vastgesteld nu [persoon 1] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld wat partijen hebben afgesproken ten aanzien van het effectueren van die waardering en afrekening en dan meer in het bijzonder wanneer die waardering en afrekening plaats moet vinden, op welke wijze, op welke termijn en welke uitgangspunten daarbij moeten worden gehanteerd. In de onderlinge overeenkomst waarop [persoon 1] zich beroept, is slechts bepaald dat [persoon 1] , net als [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] , recht heeft op een gelijk aandeel in het resultaat en dat de wijze van verrekening van het aandeel in onderling overleg wordt bepaald. Deze overeenkomst biedt daarmee geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten voor de waardering en afrekening als hiervoor bedoeld. [persoon 1] voert verder geen dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden aan die uitgangspunt kunnen zijn bij de waardering en afrekening van zijn belang. Van een veroordeling van [partij B] tot het overnemen van het 25% belang van [persoon 1] als primair gevorderd tegen vergoeding van een bedrag van € 250.000,- dan wel tegen een door een deskundige te bepalen prijs kan dan ook geen sprake zijn. Bovendien heeft [persoon 1] niet gemotiveerd gesteld waarom die overname op dit moment plaats zou moeten vinden. De vordering is daarmee ook niet op deze wijze in rechte afdwingbaar. Al het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vordering zal worden afgewezen.
Vordering sub I subsidiair
Subsidiair
a. de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [partij B] hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] te betalen een bedrag aan (schade)vergoeding op te maken bij staat en te begroten volgens de wet terzake van het aandelenbelang van [persoon 1] , althans zijn aanspraak hierop (voorlopig begroot op € 250.000),
b. de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [partij B] hoofdelijk te
veroordelen tot betaling van de incassokosten over het onder a. gevorderde, begroot op
€ 3.025;
6.9.
[persoon 1] vordert subsidiair betaling van schadevergoeding op te maken bij staat ter zake van het aandelenbelang en tot betaling van de incassokosten. [persoon 1] baseert deze vordering op wanprestatie nu de overige feitelijk en informele aandeelhouders jegens hem in strijd met de redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld, althans op onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking.
6.10.
Het verweer van [partij B] in de conclusie van antwoord komt er op neer dat de grondslag voor de gevorderde schadevergoeding niet duidelijk is. Zij voert (onder meer) aan dat [persoon 1] geen nakoming van de verplichtingen in de onderlinge overeenkomst heeft gevraagd en geen feiten, of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat deze verplichtingen niet worden nagekomen, zodat er geen tekortkoming in de nakoming van die verplichtingen is jegens hem, en daarmee geen verzuim, laat staan schade of een daaruit voortvloeiende aanspraak op schadevergoeding. Bij akte heeft [partij B] daar aan toegevoegd dat [persoon 1] afspraken heeft gemaakt met [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] en dat [B.V. 1] en [B.V. 4] daar buiten staan. [partij B] voert verder aan dat dat [persoon 1] niet met lege handen staat en dat er eerst resultaat en liquiditeit dient te zijn vooraleer er iets uitbetaald kan worden, hetgeen niet in strijd is met de norm van 6:162 BW. De andere personen kregen niet meer resultaat uitgekeerd zodat van ongerechtvaardigde verrijking volgens [partij B] ook geen sprake kan zijn.
6.11.
De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] aan deze subsidiaire vordering dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag legt als aan de primaire vordering. Nu niet is komen vast te staan dat er een bindende overeenkomst tussen partijen bestaat ten aanzien van de uitkoop, kan reeds uit dien hoofde geen sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming. Maar ook ten aanzien van de onderlinge overeenkomst kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Daarvoor wordt verwezen naar het hiervoor onder 6.8 overwogene en dan met name dat [persoon 1] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld wat partijen hebben afgesproken ten aanzien van het effectueren van de waardering en afrekening en dan meer in het bijzonder wanneer die waardering en afrekening plaats moet vinden, op welke wijze, op welke termijn en welke uitgangspunten daarbij moeten worden gehanteerd. In zoverre valt niet in te zien waaruit deze toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [partij B] bestaat. Dat anderszins sprake is van een toerekenbare tekortkoming heeft [persoon 1] niet gesteld noch is daarvan gebleken. [persoon 1] heeft ook onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te nemen dat er sprake is van een onrechtmatige daad dan wel van ongerechtvaardigde verrijking. Daarmee wordt ook de subsidiaire vordering afgewezen.
Vordering sub II verstrekken informatie
ll. [B.V. 4] en [B.V. 1] ., althans de (feitelijk en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] , hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] de financiële informatie - zoals de volledige jaarrekeningen - over de boekjaren 2021 en 2022 te verstrekken, binnen 7 dagen betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat gedaagden nalaten aan deze veroordeling te voldoen, althans een door de rechtbank
in goede justitie te bepalen bedrag aan dwangsommen;
6.12.
[persoon 1] legt aan deze vordering ten grondslag dat hij geen enkele (financiële) informatie meer ontvangt met betrekking tot [B.V. 4] of [B.V. 1] en dat bij de Kamer van Koophandel voor beide vennootschappen slechts een vereenvoudigde balans is gedeponeerd voor de boekjaren tot en met 2020. Nu [partij B] wel over de (financiële) informatie, zoals de jaarrekeningen, beschikt op basis waarvan kan worden geoordeeld of al dan niet aan de vereisten van 2:216 BW is voldaan, dienen zij volgens [persoon 1] de desbetreffende stukken in het geding te brengen. [persoon 1] heeft ter zitting aangevoerd dat inmiddels de cijfers 2021 van [B.V. 1] en [B.V. 4] in het geding zijn gebracht en dat daaruit opvalt dat EFS (Extended Financial Services), de handelsnaam van [B.V. 7] , de jaarrekeningen heeft opgesteld en dat [B.V. 7] blijkens het handelsregister van KvK, de vennootschap is van [persoon 4] . Volgens [persoon 1] is [B.V. 7] niet aan te merken als een onafhankelijke accountant en 'controleert' [persoon 4] de cijfers van zijn eigen vennootschappen. [persoon 1] betwist dan ook de juistheid van de overgelegde jaarrekeningen 2021.
6.13.
[partij B] voert het verweer dat zij reeds onverplicht bij akte d.d. 15 november 2022 de AVA-notulen met betrekking tot de jaarcijfers over 2018 - 2020 van [B.V. 4] heeft ingebracht en bij akte overlegging productie als productie 24 en 25 de jaarcijfers over 2021 van zowel [B.V. 1] als van [B.V. 4] . De resultaten en de ontwikkeling van het eigen vermogen zijn hierin volgens [partij B] op een rij gezet met betrekking tot de periode 2018 - 2020. [partij B] stelt dat de op 12 juni 2023 vastgestelde jaarcijfers over 2021 vrijwel direct zijn ingebracht in deze procedure. De jaarcijfers over 2022 zijn nog niet vastgesteld en zullen vrijwillig beschikbaar worden gesteld zodra deze wel zijn vastgesteld. De gevorderde dwangsom is misplaatst en te hoog, aldus [partij B]
6.14.
Vast staat dat [partij B] de jaarrekeningen over 2021 van zowel [B.V. 1] als van [B.V. 4] in het geding heeft gebracht. Verder heeft zij aangevoerd dat de jaarrekeningen over 2022 nog niet zijn vastgesteld, hetgeen [persoon 1] niet heeft betwist. Nu op dit moment niet is komen vast te staan dat de jaarrekening over 2022 reeds is vastgesteld, kunnen [B.V. 1] en [B.V. 4] niet gehouden worden deze te verstrekken aan [persoon 1] . Uit welke hoofde [B.V. 1] en [B.V. 4] daartoe gehouden zouden kunnen worden, stelt [persoon 1] ook niet voldoende. Hetgeen hij aanvoert met betrekking tot het bepaalde in artikel 2:216 BW leidt niet tot een dergelijke gehoudenheid. [persoon 1] heeft verder nog aangevoerd het niet eens te zijn met de inhoud van de overgelegde jaarrekeningen. Wat hier ook van zij, [persoon 1] onderbouwt dit verder niet dan wel onvoldoende. De enkele stelling van [persoon 1] dat [B.V. 7] niet onafhankelijk zou zijn, is daarvoor onvoldoende. Bovendien is het oneens zijn met een jaarrekening ook geen deugdelijke grondslag om [B.V. 1] en [B.V. 4] te veroordelen een (andere) jaarrekening over te leggen. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
Vordering sub III nakoming afspraken betreffende verdeling resultaat [B.V. 4] , althans [B.V. 1]
III. [B.V. 4] en [B.V. 1] , althans de (feitelijk en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] , hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] te betalen 25% van het resultaat van [B.V. 4] , althans [B.V. 1] over de boekjaren 2019 en vanaf 2021 (thans 2021 en 2022), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
6.15.
Grondslag van deze vordering is nakoming van de onderlinge overeenkomst, althans ongerechtvaardigde verrijking althans onrechtmatig handelen. [persoon 1] stelt ook hier dat hij op basis van de tussen partijen gemaakte afspraken in de onderlinge overeenkomst van 2017 recht heeft op 25% van het resultaat in [B.V. 4] , en daarmee indirect in [B.V. 1] en dat hij zijn aandeel over de boekjaren 2019, 2021 en 2022 niet heeft ontvangen. [persoon 1] voert verder aan dat de afspraken in de onderlinge overeenkomst kunnen worden gezien als stemafspraken tussen de (formele en informele) aandeelhouders over het dividendbeleid. Doordat (de natuurlijke personen achter) de aandeelhouders de afspraak hebben gemaakt tot verdeling van het resultaat, dienen zij in een aandeelhoudersvergadering vóór een uitkering van dividend te stemmen indien dit in overeenstemming is met artikel 2:216 BW. Ingevolge de gemaakte afspraken heeft [persoon 1] recht op 25% van het resultaat, welk aandeel ofwel direct door [B.V. 4] of [B.V. 1] aan [persoon 1] kan worden voldaan, ofwel via de formeel aandeelhouders aan [persoon 1] kan worden voldaan. Om die reden worden al deze partijen voor betaling aangesproken, aldus [persoon 1] .
6.16.
[partij B] voert het verweer dat de afspraak in de onderlinge overeenkomst geen van de partijen bij de overeenkomst het recht op uitbetaling van 25% van de resultaten van [B.V. 4] geeft. [B.V. 1] stelt dat [B.V. 4] op dit moment haar liquiditeit nodig heeft voor haar bedrijfsmatige activiteiten en dat derhalve geen winsten worden uitgekeerd. Verder voert [partij B] aan dat met betrekking tot de afspraak dat het doen toekomen van een aandeel in het exploitatieresultaat in onderling overleg te bepalen is geldt, dat zolang er geen resultaat wordt uitgekeerd is, overleg niet aan de orde is. Indien en zodra dit wel aan de orde is, zijn de andere 3 natuurlijke personen volgens [partij B] slechts gehouden hierover het overleg aan te gaan en [persoon 1] een aandeel te doen toekomen dat gelijk is aan het aandeel dat hen zelf toekomt uit dat resultaat. Deze inspanningsverplichting tot overleg biedt geen grondslag voor de vordering om [partij B] te veroordelen tot betaling van enig bedrag uit het resultaat van [B.V. 4] zodat deze vordering ook om die reden voor afwijzing gereed ligt, aldus [partij B] De vordering ligt daarnaast voor afwijzing gereed omdat uitbetaling van enig resultaat op dit moment strijdig zou met de eisen van art. 2:216 lid B.W. Voor zover [persoon 1] terzake iets zou willen eisen zou die eis gericht moeten zijn aan het adres van [persoon 4] als DGA van [B.V. 2] die wel contractspartij is (maar geen procespartij is). [B.V. 4] heeft geen verplichting tot het doen van resultaat-/ winstuitkeringen tenzij besluiten van haar AVA en haar bestuur ex. art. 2:216 BW haar daartoe verplichten (en zulks niet in strijd is met de wet). Nu zulke besluiten er niet zijn en de wet een dergelijke uitkering verbiedt, is er geen grondslag voor een veroordeling tot enig bedrag aan [persoon 1] , aldus [partij B]
6.17.
Grondslag van deze vordering is primair nakoming van de onderlinge overeenkomst. Dat er afspraken gemaakt zijn over (jaarlijkse) uitkering van het resultaat op de wijze zoals [persoon 1] betoogt, kan uit de onderlinge overeenkomst niet worden afgeleid. Zoals hiervoor reeds overwogen houdt de afspraak in de onderlinge overeenkomst slechts in dat ieder een gelijk aandeel heeft in het resultaat van [B.V. 4] en dat de wijze van verrekening van het aandeel in het exploitatieresultaat van [persoon 1] en [persoon 2] in onderling overleg wordt bepaald. Dat het gehele resultaat jaarlijks verdeeld moest worden, kan niet uit de overeenkomst worden afgeleid. Daar is ook niet naar gehandeld. De primaire rondslag treft gezien het voorgaande geen doel. Dat er sprake is van onrechtmatig handelen dan wel van ongerechtvaardigde verrijking, heeft [persoon 1] , zoals hiervoor ook reeds overwogen, in het geheel niet onderbouwd. Ook deze subsidiaire grondslagen treffen derhalve geen doel. Ook deze vordering moet daarmee worden afgewezen.
Vordering sub IV
IV. [B.V. 1] te veroordelen aan [persoon 1] te betalen een bedrag groot € 24.996, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding;
6.18.
[persoon 1] legt aan deze vordering ten grondslag dat hij op grond van een overeenkomst van opdracht van 9 december 2016 tussen [persoon 1] en [B.V. 1] ten behoeve van [B.V. 1] werkzaamheden verrichtte tegen een maandelijkse fee van € 4000,- ex BTW. Deze overeenkomst is op 14 december 2021 opgezegd door [B.V. 1] tegen 31 december 2021. [B.V. 1] is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst door in strijd met de redelijkheid en billijkheid na te laten een opzegtermijn te hanteren dan wel een schadevergoeding aan te bieden. Tussen partijen is geen opzegtermijn overeengekomen. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid volgt, gelet op de aard/inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden, dat een opzegtermijn in acht genomen had moeten worden van 6 maanden. Door de opzegging is nakoming blijvend onmogelijk geworden en is er sprake van verzuim dan wel is verzuim niet nodig. De schade bedraagt: 6 x € 4000,- plus € 996,- aan buitengerechtelijke kosten, aldus [persoon 1] .
6.19.
[B.V. 1] betwist dat er tussen [persoon 1] en [B.V. 1] sinds 9 december 2016 een overeenkomst van opdracht heeft bestaan op basis waarvan door [persoon 1] werkzaamheden ten behoeve van [B.V. 1] werden verricht. Volgens [B.V. 1] verrichtte [persoon 1] zijn werkzaamheden via de eenmanszaak van zijn vriendin, [bedrijf] . De verzonden opzegging d.d. 14 december 2021 hanteerde een opzegtermijn van 17 dagen. Dat deze overeenkomst niet zou mogen worden opgezegd zonder in achtneming van een opzegtermijn, is volgens [partij B] onjuist. [B.V. 1] voert nog aan dat uit jurisprudentie blijkt dat vuistregels ter zake een te hanteren opzegtermijn niet aan de orde zijn. Een opzegtermijn van 1,2 maanden per jaar als vuistregel evenals de daarop gebaseerde berekening van een opzegtermijn is volgens [B.V. 1] dan ook onjuist. Er moet naar de omstandigheden van het geval worden gekeken. [B.V. 1] voert aan dat die omstandigheden door [persoon 1] onjuist zijn weergeven en juist een reden zijn om te concluderen dat een te hanteren opzegtermijn geheel onnodig zou zijn en dat er voldoende zorgvuldig met de belangen van [persoon 1] is omgegaan.
6.20.
Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat [persoon 1] vanaf de oprichting van [B.V. 1] in 2016 in persoon werkzaamheden heeft verricht voor [B.V. 1] en dat hij daarvoor facturen stuurde. In zoverre kan worden aangenomen dat er sprake was van een overeenkomst van opdracht tussen [persoon 1] en [B.V. 1] in de zin van artikel 7:400 BW. Dat hij vanaf enig moment de werkzaamheden heeft verricht via de eenmanszaak [bedrijf] van zijn partner mevrouw [persoon 5] , zoals [B.V. 1] betoogt, maakt dat niet anders. Niet in geschil is dat [B.V. 1] wist dat het [persoon 1] zelf was die de werkzaamheden voor [B.V. 1] verrichtte. Bovendien blijkt uit de brief van 14 december 2021 van [B.V. 1] aan [persoon 1] dat [B.V. 1] er zelf ook van uitgaat dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht. Voor navolgende beoordeling zal dan ook worden aangenomen dat er een overeenkomst van opdracht was tussen [B.V. 1] en [persoon 1] .
6.21.
In art. 7:408 lid 1 BW is bepaald dat de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst van opdracht kan opzeggen. Een opdrachtgever heeft vanwege de aard van de overeenkomst een ruime opzeggingsbevoegdheid. Het in acht nemen van een opzegtermijn is bij een overeenkomst van opdracht niet vereist. Wel kunnen op grond van de vaste jurisprudentie de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat in het specifieke geval een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen (6:248 lid 1 BW). De duur van de in acht te nemen opzegtermijn hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij te denken valt aan de tijd die de wederpartij redelijkerwijs nodig heeft om zijn belangen veilig te stellen, aard en gewicht van de redenen voor opzegging.
6.22.
Vaststaat dat de overeenkomst van opdracht op 14 december 2021 door [B.V. 1] is opgezegd tegen 31 december 2021. Volgens [persoon 1] had een opzegtermijn van 6 maanden in acht moeten worden genomen, hetgeen [B.V. 1] gemotiveerd betwist.
De vraag ligt dan voor of nu vast staat dat er geen opzegtermijn tussen partijen is overeengekomen, de door [B.V. 1] in acht genomen opzegtermijn van 17 dagen een redelijke opzegtermijn is een en ander als hiervoor onder 6.21 bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijke korte opzegtermijn niet als een redelijke termijn worden beschouwd. Daarbij acht de rechtbank als relevante omstandigheden van belang, de leeftijd van [persoon 1] van 68 jaar, zijn inkomensafhankelijkheid, het als onvoldoende gemotiveerd betwiste feit dat vanaf de oprichting in 2016 werkzaamheden zijn verricht, het feit dat [B.V. 1] bij de opzegging geen vergoeding heeft aangeboden terwijl ook geen zwaarwegende redenen zijn gesteld waarom een dergelijke korte opzeggingstermijn gerechtvaardigd zou zijn. Gelet op voormelde omstandigheden brengen de redelijkheid en de billijkheid mee dat een opzegtermijn in acht genomen had moeten worden van 1,2 maanden per gewerkt jaar, oftewel een opzegtermijn van 6 maanden. Nu [B.V. 1] ten onrechte slechts een opzegtermijn van slechts 17 dagen in acht heeft genomen, is [B.V. 1] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [B.V. 1] is gehouden de als gevolg van de toerekenbare tekortkoming geleden schade van [persoon 1] te vergoeden. De rechtbank begroot de schade als gevolg van de onregelmatige opzegging op het loon over die periode, zijnde een bedrag van € 24.000,- (6 x € 4.000,-). Het gevorderde bedrag is daarmee toewijsbaar. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 1 januari 2022.
6.23.
[persoon 1] vordert nog buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 BW. De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten valt binnen hetgeen conform het Besluit kan worden toegewezen. De wettelijke rente is ook over dit bedrag toewijsbaar vanaf 1 januari 2022.
Vordering sub V
V. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan [persoon 1] te voldoen een bedrag ad € 3.894,77 als door [persoon 1] gemaakte conservatoire beslagkosten. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
6.24.
[persoon 1] vordert gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de beslagkosten. Deze vordering is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op artikel 706 Rv, enkel toewijsbaar ten aanzien van [B.V. 1] . Nu op grond van het hiervoor overwogene uitsluitend de vordering van [persoon 1] ten aanzien van [B.V. 1] uit hoofde van de opdracht zal worden toegewezen, komen alleen de beslagkosten voor zover gemaakt door [persoon 1] in de verhouding met [B.V. 1] voor toewijzing in aanmerking. De hoogte van deze kosten is berekend op basis van het als productie 28 (bij de conclusie van antwoord in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening) overgelegde beslagexploit. De als productie 18 bij dagvaarding overgelegde afrekening van de deurwaarder geeft geen dan wel onvoldoende inzicht in de kosten die zijn gemaakt ten laste van [B.V. 1] en kan in zoverre niet als ondersteuning dienen van de ten laste van [B.V. 1] gemaakte beslagkosten. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de overgelegde beslagstukken, met daarbij de producties 1 tm 11. De beslagkosten worden begroot op € 808,45 voor verschotten, € 314,00 voor griffierecht en € 766,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 766,00), zijnde een totaalbedrag van € 1.888,45. De wettelijke rente kan worden toegewezen als na te melden.
Uitvoerbaarheid bij voorraad:
6.25.
De rechtbank zal de veroordelingen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren nu zij geen aanleiding ziet daar van af te zien.
Proceskosten in de zaak met nummer 396775 (conventie):
6.26.
[B.V. 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (incusief nakosten) worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het van [B.V. 1] gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [persoon 1] op basis van het toegewezen bedrag op:
- dagvaarding € 131,18
- griffierecht 987,00
- salaris advocaat 1.532,00 (2 punten × tarief III € 766,00)
- nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.823,18
6.27.
Voorts geldt dat ten aanzien van de vorderingen tegen [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] [persoon 1] in het ongelijk is gesteld. [persoon 1] wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan die zijde gevallen. Nu gedaagden allen met één advocaat hebben geprocedeerd, en het griffierecht toch verschuldigd was ten aanzien van [B.V. 1] ziet de rechtbank aanleiding om ten aanzien van het griffierecht de proceskosten op nihil te stellen. Voor salaris advocaat zal een bedrag worden toegekend van € 3.758,00 zijnde twee punten van tarief VI (2x 2.645,00) verminderd met twee punten van tarief III (2x 766,00), aangezien dat laatstgenoemde deel van de kosten wordt toegerekend aan [B.V. 1] en vermeerderd met de nakosten van € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing), derhalve in totaal € 3.931,00.
Proceskosten in de zaak met nummer 401029:
6.28.
Nu de vorderingen tegen [persoon 3] en [B.V. 4] worden afgewezen, wordt [persoon 1] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. Gelet op hetgeen onder 6.27 is overwogen en nu het verweer grotendeels gelijk is, ziet de rechtbank aanleiding het salaris bepalen op 1 punt. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [persoon 3] en [B.V. 4] op:
- griffierecht 2.277,00
- salaris advocaat 2.645,00 (1 punt × tarief VI € 2.645,00)
- nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.095,00
In reconventie in de zaak met nummer 396775
Onrechtmatige concurrentie
te verklaren voor recht dat [persoon 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij B] door gebruik van aan [partij B] toebehorende bedrijfsgegevens en het daarmee benaderen van leads en/of relaties en/of klanten van [partij B] en dat [persoon 1] gehouden is de daaruit voortvloeiende schade, te vergoeden, nader op te maken bij staat.
te bepalen dat [persoon 1] een schadevergoeding moet voldoen aan [partij B] terzake de door hem veroorzaakte schade tgv het onrechtmatig handelen van € 140.495,87, plus rente.
6.29.
[B.V. 1] stelt dat het onrechtmatig concurreren bestaat uit het toe-eigenen door [persoon 1] van het aan [B.V. 1] toebehorende [project] . Volgens [B.V. 1] beheerde [persoon 1] dit project voordien als contactpersoon voor [B.V. 1] en heeft hij het vervolgens als concurrent van [B.V. 1] uitgevoerd, met gebruik van bedrijfsgegevens en het daarmee benaderen van leads en/of relaties en/of klanten van [B.V. 1] , hetgeen ertoe leidt dat [persoon 1] onrechtmatig jegens [B.V. 1] heeft gehandeld. [B.V. 1] stelt dat [persoon 1] op grond van artikel 6:162 BW gehouden is om de schade die [B.V. 1] heeft geleden als gevolg van deze onrechtmatige daad te vergoeden. Het onttrekken van het project van [B.V. 1] is volgens [B.V. 1] toe te rekenen aan [persoon 1] , nu deze te wijten is aan zijn schuld (ex artikel 6:162 lid 3 BW) omdat het immers [persoon 1] was die beschikte over de bedrijfsgegevens en die vervolgens leads en/of relaties en/of klanten van [B.V. 1] heeft benaderd. [B.V. 1] verwijst ter onderbouwing naar meerdere producties (e-mail op d.d. 25 oktober 2021 (productie 19 CVA), productie 21, de als productie 22 overgelegde e-mail d.d. 23 juli 2021 over een presentatie RREW voor de gemeente Terneuzen die op 8 juli 2021 is gegeven door de heer [persoon 6] ). De schade is volgens [B.V. 1] gelijk aan de winstmarge op de opdracht van € 340.000, en beloopt een bedrag van € 140.495,87. Deze gederfde winst ad € 140.495,87 is een zeer groot onderdeel van de winst van [B.V. 1] , aldus [B.V. 1] . De waarde van [B.V. 1] is dan ook grotendeels weggevallen door het voor [B.V. 1] wegvallen van dit project, aldus [B.V. 1] .
6.30.
[persoon 1] betwist dat hij stelselmatig klanten van [B.V. 1] heeft benaderd. [persoon 1] stelt dat hij zelf is benaderd door de gemeente Terneuzen. [persoon 1] heeft bij de gemeente aangegeven dat hij niet meer voor [B.V. 1] werkzaam is als gevolg van de opzegging van de overeenkomst van opdracht door [B.V. 1] . Aangezien het contact met [B.V. 1] volgens de gemeente Terneuzen zeer moeizaam verliep en [persoon 1] altijd de contactpersoon van deze gemeente is geweest, heeft de gemeente Terneuzen hem verzocht om een levering van ledlampen en aanverwante zaken te verzorgen. [B.V. 1] heeft derhalve zelf in de hand gewerkt dat de gemeente Terneuzen [persoon 1] zelf heeft benaderd, zodat geen sprake is van toerekenbaarheid aan de zijde van [persoon 1] , aldus [persoon 1] . Van onrechtmatig handelen is volgens [persoon 1] dan ook geen sprake. [persoon 1] betwist ook dat er schade is. Verder voert [persoon 1] aan dat voor zover al enig bedrag door hem zou moeten worden betaald uit hoofde van vermeend onrechtmatig handelen, hij zich op opschorting dan wel verrekening beroept nu hij aanzienlijke bedragen van [partij B] te vorderen heeft.
6.31.
Vaststaat dat er geen sprake is van een concurrentiebeding tussen [persoon 1] en [B.V. 1] . Ook als er tussen partijen geen concurrentiebeding van kracht is, kan echter sprake zijn van onrechtmatige concurrentie, wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak Raad (HR 9 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:47) is sprake van ongeoorloofde concurrentie, indien op stelselmatige en substantiële wijze het duurzaam bedrijfsdebiet van de vennootschap wordt afgebroken door deze klanten, leveranciers of personeelsleden af te nemen met behulp van kennis en gegevens die in de vorige dienstbetrekking zijn verkregen. De vraag of een dergelijke handelwijze onrechtmatig is, hangt onder meer af van de wijze waarop en de mate waarin zij plaatsvindt.
6.32.
Naar de rechtbank uit de stellingen van [B.V. 1] begrijpt, gaat het om onrechtmatige concurrentie ten aanzien van het zogenaamde [project] . [B.V. 1] stelt dat [persoon 1] ook na het einde van de samenwerking nog contact heeft gehad met de gemeente Terneuzen over dit project waarna delen van dit project gegund zijn aan [persoon 1] althans aan zijn vennootschap [B.V. 6] . Echter ook als veronderstellenderwijs uitgegaan wordt van de juistheid van die stelling, dan is dit nog is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van het stelselmatig en substantieel afbreken van het bedrijfsdebiet van [B.V. 1] . Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden nodig, die [B.V. 1] niet dan wel onvoldoende heeft gesteld. Bovendien heeft [B.V. 1] onvoldoende onderbouwd gesteld dat het [project] ook daadwerkelijk aan [persoon 1] is gegund. Dit had wel op haar weg gelegen nu [persoon 1] , naar de rechtbank begrijpt, stelt dat het slechts een beperkte levering door hem betrof. Daar komt nog bij dat uit de stellingen van [B.V. 1] niet blijkt dat er behalve het [project] nog andere projecten zijn ten aanzien waarvan [persoon 1] onrechtmatig zou hebben geconcurreerd. Van het stelselmatig afbreken van het bedrijfsdebiet blijkt in zoverre in het geheel niet. Het voorgaande leidt er dan ook toe dat er geen sprake is van ongeoorloofde concurrentie. De daarop gebaseerde vorderingen moeten derhalve worden afgewezen.
Vordering [persoon 2] op [persoon 1] uit hoofde van een lening
6.33.
[partij B] stelt dat [persoon 2] in het verleden substantiële geldbedragen in termijnen van € 1.000, heeft uitgeleend aan [persoon 1] . [partij B] heeft ter onderbouwing verwezen naar productie 16 bij de CVA Volgens [B.V. 1] is [persoon 1] [persoon 2] nog een bedrag verschuldigd van meer dan € 3.000,- doch in ieder geval dat bedrag, plus rente vanaf in ieder geval 1 maart 2019.
6.34.
[persoon 1] heeft het verweer gevoerd dat de geldlening niet opeisbaar is. [persoon 1] stelt dat het juist is dat hij een bedrag van € 3.000,- ter leen van [persoon 2] heeft ontvangen. In artikel 4 van de als productie 16 door [partij B] overgelegde overeenkomst is volgens [persoon 1] weliswaar vermeld dat de geldlening op 31 mei 2021 moet zijn afgelost, maar ook is vermeld dat de schuld indien mogelijk wordt afgelost uit het winstaandeel van [persoon 1] in projecten van [B.V. 4] . Blijkens het voorgaande is de lening daarom volgens [persoon 1] pas opeisbaar op het moment dat het winstaandeel uit de projecten van [B.V. 4] aan [persoon 1] wordt uitgekeerd, waarvan tot op heden geen sprake is. Nu de geldlening tot op heden niet opeisbaar is, is [persoon 1] ook geen rente verschuldigd.
6.35.
Vast staat dat [persoon 1] en [persoon 2] een geldleningsovereenkomst hebben gesloten en dat [persoon 1] van [persoon 2] een bedrag van € 3.000,- ter leen heeft ontvangen. In zoverre is [persoon 1] gehouden dit bedrag aan [persoon 2] terug te betalen. Anders dan [persoon 1] betoogt, valt niet in te zien waarom deze lening nog niet opeisbaar is. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen hen de bepalingen uit de als productie 16 van de zijde van [B.V. 1] overgelegde niet ondertekende overeenkomst van toepassing zijn. Daarin is bepaald dat de lening op 31 mei 2021 moet zijn afgelost. Vast staat dat dit niet is gebeurd. In zoverre is de lening thans opeisbaar. Dat in de overeenkomst is opgenomen dat de totale schuld indien mogelijk wordt afgelost uit het winstaandeel van [persoon 1] in projecten van [B.V. 4] maakt dat niet anders. Dit is geen opschortende of ontbindende voorwaarde en kennelijk hebben partijen aan die bepaling geen uitvoering gegeven. Deze vordering kan dan ook worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 1 juni 2022 nu [persoon 2] niet heeft toegelicht waarom de datum van opeisbaarheid 1 maart 2019 is en [persoon 2] ook niet heeft gesteld of anderszins is gebleken dat hij voorafgaand aan de conclusie van conclusie, tevens conclusie van eis in reconventie, tevens incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van het geleende bedrag.
Proceskosten in reconventie:
6.36.
Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.
7De beslissing
De rechtbank
In de zaak 396775/HA ZA 22-191:
in conventie
7.1.
veroordeelt [B.V. 1] om aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 24.996,00 (zegge vierentwintigduizend negenhonderd zesennegentig euro ), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van1 januari 2022 tot de dag van volledige betaling,
7.2.
veroordeelt [B.V. 1] in de beslagkosten van [persoon 1] (ter zake [B.V. 1] ), tot op heden begroot op € 1.888,45, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
7.3.
veroordeelt [B.V. 1] in de proceskosten, aan de zijde van [persoon 1] tot op heden begroot op € 2.823,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [B.V. 1] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.4.
veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten aan de zijde van [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] tot op heden begroot op € 3.931,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [persoon 1] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.5.
verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
7.7.
veroordeelt [persoon 1] om aan [persoon 2] te betalen een bedrag van € 3.000,- (zegge drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW het toegewezen bedrag met ingang van 1 juni 2022 tot de dag van volledige betaling,
7.8.
verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.9.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In de zaak 401029/HA ZA 22-457:
7.11.
wijst de vorderingen af;
7.12.
veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten, aan de zijde van [persoon 3] en [B.V. 4] tot op heden begroot op € 5.095,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [persoon 1] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2023.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
Vonnis van 6 december 2023
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/02/396775 / HA ZA 22-191 van
[persoon 1]
,
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M. Franke te Eindhoven,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 1]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 2]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 3]
,
gevestigd te [plaats 3] ,
4. [persoon 2],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie;
advocaat mr. M.C.J. de Schepper te Eindhoven ,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/02/401029 / HA ZA 22-457 van
[persoon 1]
,
wonende te [plaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. M. Franke te Eindhoven ,
tegen
1 [persoon 3] ,
wonende te [plaats 3] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 4]
,
gevestigd te [plaats 4] ,
gedaagden
advocaat mr. M.C.J. de Schepper te Eindhoven .
Partijen zullen hierna ook [persoon 1] , [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] , [persoon 2] , [B.V. 4] en [persoon 3] genoemd worden. De gedaagden in conventie in beide zaken tezamen tevens eiserszullen worden aangeduid als [partij B]
1De procedure in de zaak 396775/22-191
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 13 juli 2022 met de onderliggende stukken waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 25 november 2022,
het vonnis in het incident van 10 augustus 2022, waarbij de vorderingen in het incident zijn afgewezen,
de beslagstukken,
de akte aanvulling gronden tevens wijziging eis van [persoon 1] van 11 november 2022, waarbij hij verwijst naar zijn verzoek om voeging met de zaak onder nummer 401029/22-457,
de e-mail van de rechtbank aan partijen waarbij is meegedeeld dat de mondelinge behandeling van 25 november 2022 geen doorgang zal vinden omdat de rechtbank om proceseconomische redenen deze zaak tegelijkertijd met de zaak 401029/22-457 ter zitting wenst te behandelen,
de akte tot wijziging (tevens vermeerdering) van eis en aanvullen grondslag in reconventie van gedaagden in conventie, eisers in reconventie, tevens akte tot overleggen producties in conventie en reconventie, tevens antwoordakte, met producties 21 tm 23,
de akte aanvulling gronden tevens wijziging eis van [persoon 1] ,
de akte overlegging producties van gedaagden in conventie, eisers in reconventie, met producties 24 en 25,
de aanvullende productie 29 van [persoon 1] ,
de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 29 juni 2023,
de spreekaantekeningen van mrs. Franke en De Schepper.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De procedure in de zaak 401029/22-457
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 1 maart 2023 met de onderliggende stukken, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,
de akte aanvulling gronden tevens wijziging van eis van [persoon 1] ,
de akte overlegging producties van gedaagden, met de producties 1 en 2,
de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 29 juni 2023,
de spreekaantekeningen van mrs. Franke en De Schepper.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten in beide zaken
3.1.
[B.V. 1] houdt zich voornamelijk bezig met de handel in ledverlichting en overige producten ter verduurzaming van woningen. [B.V. 1] draagt in opdracht van woningcorporaties en gemeenten zorg voor de levering van dergelijke producten aan consumenten. De corporaties en gemeenten maken hierbij gebruik van de zogenaamde RREW subsidie, een bedrag per huishouden dat kan worden aangevraagd ter verduurzaming van een woning.
3.2.
[B.V. 1] is op 9 december 2016 opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 1] is [B.V. 4] . Aandeelhouders van [B.V. 4] zijn [B.V. 2] en [B.V. 3] . [B.V. 2] en [persoon 3] zijn bestuurder van [B.V. 4] .
[persoon 4] , verder [persoon 4] , is enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 2] . [persoon 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 3] .
3.3.
[persoon 1] , [persoon 4] , [persoon 3] en [persoon 2] hebben een zogenaamde “onderlinge overeenkomst” d.d. 18 december 2017 (hierna de onderlinge overeenkomst) gesloten waarin – voor zover relevant – als volgt is bepaald:
(…) overwegende dat de heren:
• [persoon 1] , (…)
• [persoon 4] , (……)
• [persoon 3] , (…); en
• [persoon 2] (…)
in maart 2016 een samenwerking zijn gestart gericht op business development en innovaties. Bij de start was het voornemen om hiervoor een formele structuur op te zetten met een Holding en afzonderlijke Werkmaatschappijen voor kansrijk geachte projecten. Op 25 november 2016 is door [persoon 4] en [persoon 3] de Holding opgericht, i.c. [B.V. 4] Op 9 december 2016 is door [B.V. 4] de eerste werkmaatschappij opgericht, i.c. [B.V. 1] Bij de ondertekening van deze overeenkomst is de oprichting van een 2e werkmaatschappij [B.V. 5] in voorbereiding.
Om de belangen van [persoon 1] en [persoon 2] te waarborgen worden in deze onderlinge overeenkomst de volgende afspraken vastgelegd:
1. In [B.V. 4] worden de resultaten van de deelnemingen (werkmaatschappijen) verantwoord als “resultaat uit deelneming”.
2. [persoon 1] , [persoon 4] , [persoon 3] en [persoon 2] hebben ieder een gelijk aandeel (25%) in het resultaat van [B.V. 4]
3. [persoon 1] en [persoon 2] hebben het recht ieder maximaal 25% van de aandelen te kopen tegen:
a. de nominale waarde, ofwel 30 aandelen tegen een prijs van € l,··per aandeel, indien het Eigen Vermogen van [B.V. 4] gelijk is aan € 120,--;
b. de intrinsieke waarde indien het Eigen Vermogen niet gelijk is aan €120,--.
4. [persoon 4] en [persoon 3] zullen beide evenveel aandelen leveren.
5. Voor de verkoop van aandelen worden de bepalingen in de oprichtingsakte van [B.V. 4] d.d. 25 november 2016 van toepassing verklaard.
6. De wijze van verrekening van het aandeel in het exploitatieresultaat van [persoon 1] en [persoon 2] wordt in onderling overleg bepaald.
(…)
3.4.
Tussen partijen is onenigheid ontstaan in de samenwerking. Partijen hebben nadien overleg gehad over afwikkeling van de samenwerking met [persoon 1] in de vorm van uitkoop van [persoon 1] .
3.5.
Mr. de Schepper heeft een memo d.d. 9 november 2021 opgesteld waarin voor zover relevant als volgt is opgenomen:
“(…)
Aan: [persoon 1] en [persoon 4]
(…)
Betreft: Eventueel oprichten STAK & uitkoop van [persoon 1] als informele vennoot
(…) Beëindigen samenwerking via [B.V. 1]
Los van het vorenstaande staat dat de twee formele eigenaren en de twee informele
stakeholders met elkaar in gesprek zijn omdat drie van die stakeholders de samenwerking met de vierde eigenaar willen afbouwen c.q. beëindigen. Aan [persoon 1] is gemeld dat de anderen in de toekomst niet verder willen met hem.
(…) Partijen zouden de volgende afspraken kunnen maken, die dan nader moeten worden uitgewerkt (…)
3. Er wordt een overeenkomst gesloten nu of op een nader moment waarin wordt vastgelegd dat het aandeel van [persoon 1] in de vennootschap wordt overgedragen aan de medevennoten, tegen betaling van een redelijke vergoeding.
4. Omdat er grote omzetten en winsten in het verschiet liggen, maar op dit moment het geld voor de afkoop nog niet aanwezig is, zal dan een betaling in termijnen worden afgesproken. (..)
5. Uitgangspunt voor vaststelling van de koopsom voor de aandelen van [persoon 1] wordt bepaald aan de hand van de winstmarge op de in de komende periode te verwachten omzet. [persoon 1] wordt uitgekocht (c.q. de STAK).
(…)
Uitkoop [persoon 1]
Wij hebben hier samen over gesproken en kwamen tot de mogelijke afspraken. Dit moet dan natuurlijk met alle vier de “stakeholders” worden besproken. Deze afspraak zou dan als volgt kunnen zijn:
Nadat een STAK is opgericht die voor [persoon 1] aandelen kan houden of betalingen in ontvangst kan nemen, wordt [persoon 1] uitgekocht als formeel dan wel informeel aandeelhouder van [B.V. 1] Betaling van de koopsom zal plaatsvinden in termijnen, dit zal grotendeels afhankelijk zijn van het tempo waarmee de verwachte winst en omzet worden gerealiseerd. Er wordt een formule afgesproken die vastlegt hoe de koopsom wordt bepaald.
(…) Omdat op dit moment een management fee wordt uitbetaald aan de vier stakeholders die steeds opnieuw geldt als een voorschot op de winstdeling, moet er ook een afrekening worden gemaakt voor [persoon 1] in deze. De reeds door hem ontvangen bedragen komen dan in mindering op de koopsom die overeengekomen wordt. (…)
3.6.
Partijen hebben een bespreking d.d. 19 november 2021 gevoerd. Mr. De Schepper heeft naar aanleiding van deze bespreking een memo d.d. 22 november 2021 opgesteld waarin voor zover relevant als volgt is opgenomen:
“Na wat inleidende besprekingen kwamen wij tot de volgende overwegingen in het kader van de door de mede-stakeholders (twee formele aandeelhouders en [persoon 2] die eveneens slechts in economische zin voor 25% mede-eigenaar is) gewenste uitkoop van [persoon 1] als informeel 25% aandeelhouder (economisch eigenaar) van [B.V. 1] Formeel aandeelhouder zijn alleen [persoon 3] en [persoon 4] . (…)
Hoofdlijn besproken uitkoop .
Partijen bespraken een deal op hoofdlijnen, waarbij ondergetekende heeft aangegeven deze op papier te zetten en direct na verzending van alle vier de betrokkenen een bevestiging van akkoord te willen ontvangen danwel een reactie met duidelijk aangegeven wat er aan deze bevestiging niet klopt. Zodra er een versie is waar allen akkoord op hebben gegeven zal ik deze als advocaat van de vennootschap uitwerken In een verder uitgewerkte overeenkomst.
Het betreft de wijze waarop [persoon 1] wordt uitgekocht, dat wil zeggen waarop zijn 25% economische eigendom van [B.V. 1] door de andere drie wordt overgenomen. Dit ziet er als volgt uit:
1. [persoon 1] ontvangt een koopsom welke is gesplitst in een deel van enerzijds een bedrag van€ 202.000,-- (uit te betalen in termijnen) (Deel A Koopsom) en anderzijds een gedeelte dat later pas wordt vastgesteld door een gezamenlijk aan te wijzen deskundige (Deel B Koopsom). Op de wijze als hieronder uitgewerkt.
2. Het eerste deel van de koopsom; € 202.000,- (zegge: tweehonderd en twee duizend euro), Deel A Koopsom, zal worden omgezet in een geldlening die verkoper ( [persoon 1] ) verstrekt (aan de drie voortzetters). Deze zou dan worden uitbetaald in de volgende termijnen:
Kalenderjaar 2022:
1e kwartaal:€ 20.000,-- 2e kwartaal: € 20.000,-- 3e kwartaal: € 30.000,-- 4e kwartaal: € 30.000,--
Kalenderjaar 2023:
- 1e kwartaal 2023: € 102.000,--
(…)
NB: [persoon 1] heeft kort na de bespreking aan mij bericht deze termijnbetalingen anders te willen zien. Ik heb aangegeven dat dit dan tussen betrokkenen dient te worden besproken.
3. Het tweede deel van de koopsom (Deel B Koopsom) wordt als volgt berekend: Waarde van De Vennootschap per 31 december 2022 volgens de door partijen aan te wijzen externe waardebepaler-/- kosten waardebepaling X 25% = Deel B Koopsom.
4. Het tweede deel van de koopsom (Deel B Koopsom) wordt aan [persoon 1] uitbetaald binnen een maand nadat de waardebepaler de waarde van De Vennootschap heeft vastgesteld.
5. [persoon 1] krijgt over de periode tot en met 31 december 2022 een maandelijkse fee (overeenkomst van opdracht) van € 4.000,-- (exclusief btw). Dat betekent een bedrag van € 12.000,-- per kwartaal, dus in totaal € 48.000,-- over het gehele jaar 2022. Daarna eindigt de samenwerking, tenzij partijen anders overeenkomen.
6. Per 31 december 2022 wordt door een onafhankelijke expert de waarde bepaald van de vennootschap. Dat gebeurt dus zo snel mogelijk na 31 december 2022. Partijen zorgen er gezamenlijk voor dat de (voorlopige) cijfers daartoe zo snel mogelijk zijn opgesteld. (…)Daarover volgt nog een concretere afspraak in de overeenkomst die wordt opgesteld als partijen overeenstemming op hoofdlijnen hebben bevestigd.
7. De waardebepaler zal de bedrijfseconomische waarde van de vennootschap bepalen per 31 december 2022, bij wijze
van bindend advies
. (…)
8. Per het moment dat de hier genoemde afspraken door partijen middels een handtekening zijn bevestigd en de eerste termijnbetaling door [persoon 1] is ontvangen, eindigt het economisch eigenaarschap (25%) van [persoon 1]
(..).
10. Ondergetekende werkt e.e.a. uit in een korte overeenkomst waarbij de gebruikelijke bijkomende afspraken en aandachtspunten worden meegenomen.
Graag bevestiging
Graag verneem ik van [persoon 3] ; [persoon 4] ; [persoon 1] en [persoon 2] of akkoord gaan met het vorenstaande.
3.7.
[persoon 1] heeft de advocaat van [B.V. 1] een e-mail van 2 of 3 december 2021 gestuurd waarin hij heeft bericht “Als vervolg op ons telefoongesprek van zojuist zend ik je hierbij een voorstel van mijn kant waarbij ik aangeef hoe het exit ook zou kunnen. Voor mijn kompanen is dit naar mijn idee en inzicht, voor hen, een betere deal en kan ik stappen maken in mijn toekomst. Gezien mijn/onze persoonlijke privé situatie heb ik/wij haast om tot een exit-deal te komen. Eigenlijk werd mij totaal onverwacht bij jou, door [persoon 4] , medegedeeld dat hij en mijn twee andere kompanen van mij af willen en voor een volledige exit gaan terwijl de insteek van ons gesprek zou zijn, de oprichting van een STAK en de overdracht van [B.V. 6] naar deze STAK. Door alle huidige privé ellende ben ik vaak niet volledig bij mijn positieven en moet ik dingen in alle rust overwegen. Dat heb ik gedaan na ons gesprek op 19 november.”
3.8.
Bij e-mail van 6 december 2021 heeft [persoon 4] mr. De Schepper als volgt bericht:
(…) Op 19 november j.l. heeft Martijn de Schepper de rol van mediator op zich genomen en hebben wij onder zijn leiding en dankzij zijn inbreng een principe overeenkomst bereikt.
4. In dit resultaat zijn we een betalingsregeling overeengekomen tot een totaalbedrag van
€ 250K en een mogelijke nabetaling indien het resultaat van de waardebepaling door een onafhankelijk deskundige op peildatum 31-12-2022 tot een hoger bedrag leidt.
5. Wij hebben [persoon 1] vervolgens de hand geschud op dit resultaat.
(…)
7. Martijn de Schepper heeft op maandag 22 november j.l. een verslag van het overleg gemaild.
8. [persoon 1] heeft op vrijdag 3 december per mail aangegeven dat hij het voorstel heeft heroverwogen en dat hij de samenwerking sneller wil beëindigen. Daarvoor heeft hij een nieuw voorstel bijgevoegd.
9. Dit voorstel komt neer op:
• C 100K op 03-01-2022
• C 100K op 04-04-2022
• C 300K op 01-08-2022
• Borgstelling door BV’s en persoonlijk door aandeelhouders
• 5% provisie van de omzet van aangeleverde projecten tot 31-08-2022
• Géén maandelijkse fees
• Géén extra afrekening
Onze reactie:
10. Aangezien [persoon 1] zich niet gebonden voelt aan de intentie-overeenkomst voelen wij ons ook vrij om zijn exit anders in te vullen. Ook wij hebben tijd gehad om na te denken en hebben ons gerealiseerd dat we ons hebben laten verleiden tot het doen van toezeggingen over betalingen waarvan nog niet duidelijk is of de liquiditeitspositie van [partij B] dat mogelijk maakt. In de principe-overeenkomst is sprake van een bevoordeling van [persoon 1] tegenover de anderen. Dat is niet juist. Nogmaals: hij heeft deze situatie aan zich zelf te danken. Ondanks alles blijven we wel bereid om hem zijn 25% aandeel te betalen, maar zien geen reden om hem met voorrang uit te betalen. (….) Van de zijde van [B.V. 1] c.s wordt vervolgens een voorstel gedaan. Wij hebben ook geen zin om hier nog heel veel tijd aan te besteden. Die hebben we namelijk hard nodig om aan onze verplichtingen te voldoen.
3.9.
Bij brief d.d. 14 december 2021 van mr. de Schepper namens [B.V. 1] aan [persoon 1] is meegedeeld als volgt: (..) Op mijn e-mail d.d. 09-12-2021 (..) en de daaraan voorafgaande brief van 8-12-2021 werd tot op heden geen (positief) antwoord ontvangen. Het voorstel van cliënte, [B.V. 1] , werd daarmee dus niet binnen de gestelde termijn geaccepteerd heeft haar directie geconstateerd. Het voorstel is daarmee komen te vervallen. (…) Namens cliënte meld ik dat zij constateert dat het voor een goede samenwerking benodigde onderlinge vertrouwen inmiddels niet meer aanwezig is. Op haar verzoek meld ik namens haar dat bij deze gebruik wordt gemaakt van het recht om ex. art. 7:408 BW de overeenkomst van opdracht in het kader waarvan u maandelijks factureert op te zeggen en wel per 31-12-2021. Dit betekent dat geen factuur meer kan worden toegezonden over de periode daarna (…)”
3.10.
Nadien hebben partijen nog correspondentie gevoerd.
3.11.
Na daartoe verkregen verlof d.d. 15 maart 2022 van deze rechtbank heeft [persoon 1] conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] terzake schade in verband met het in strijd met de redelijkheid en billijkheid niet hanteren van een opzegtermijn en het handelen in strijd met gemaakte afspraken. De vordering op [B.V. 1] is begroot op € 31.500,- en de vordering op [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] op € 325.000,-. Het conservatoire beslag ten laste van [B.V. 1] is gelegd onder de gemeente [plaats 2] , een opdrachtgever van [B.V. 1] en onder de Coöperatieve Rabobank U.A. Het beslag ten laste van [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] is gelegd onder [B.V. 1] . Nadat [B.V. 1] respectievelijk [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] vervangende zekerheid hebben verstrekt, zijn de beslagen opgeheven.
4Het geschil (in conventie)
in de zaak 396775 (in conventie): [persoon 1] tegen [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] en in de zaak 401029: [persoon 1] tegen [persoon 3] en [B.V. 4]
4.1.
[persoon 1] vordert na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
I. Primair
de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te bevelen om binnen 5 werkdagen nadat het vonnis is betekend aan de aandeelhouders, het 25% belang van [persoon 1] in [B.V. 4] en [B.V. 1] over te nemen voor een bedrag ad € 250.000 dan wel een prijs die bepaald dient te worden door een deskundige, waarbij als peildatum voor de bepaling van de waarde van de aandelen 31 december 2021 geldt, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
Subsidiair
a. de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] te betalen een bedrag aan (schade)vergoeding op te maken bij staat en te begroten volgens de wet terzake van het aandelenbelang van [persoon 1] , althans zijn aanspraak hierop (voorlopig begroot op € 250.000), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; en
b. de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de incassokosten over het onder a. gevorderde, begroot op € 3.025;
ll. [B.V. 4] en [B.V. 1] althans de (feitelijk en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] de financiële informatie – zoals de volledige jaarrekeningen – over de boekjaren 2021 en 2022 te verstrekken, binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat gedaagden nalaten aan deze veroordeling te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan dwangsommen;
III. [B.V. 4] en [B.V. 1] althans de (feitelijk en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] , hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] te betalen 25% van het resultaat van [B.V. 4] , althans [B.V. 1] over de boekjaren 2019 en vanaf 2021 (thans 2021 en 2022), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [B.V. 1] te veroordelen aan [persoon 1] te betalen een bedrag groot € 24.996, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding;
V. [partij B] hoofdelijk te veroordelen om aan [persoon 1] te voldoen een bedrag ad € 3.894,77 als door [persoon 1] gemaakte conservatoire beslagkosten. Te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
Vl. [partij B] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten van dit geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit wijzen vonnis en, voor het geval betaling daarvan niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de rente over dit bedrag.
4.2.
[B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] voeren verweer en verzoeken
primair
1) [persoon 1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen en [persoon 1] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de advocaatkosten, binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.
2) Te verklaren voor recht dat er nimmer een overeenkomst van opdracht heeft bestaan tussen [persoon 1] en [B.V. 1] en dat deze ook nimmer op die grondslag betalende
werkzaamheden heeft verricht voor [B.V. 1] .
Subsidiair
3) Voor zover enige vordering van [persoon 1] wordt toegewezen, dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4) Geen der gedaagden hoofdelijk te veroordelen ter zake enige vordering en de verzoeken daartoe als opgenomen in de eisen II t/m VI in de dagvaarding af te wijzen als ongegrond en iedere gedaagde slechts te veroordelen indien en voor zover voldoende is gesteld; onderbouwd en bewezen gehouden is tot betaling van een deel van de in betreffende eisen gestelde vorderingen.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] eveneens geconcludeerd tot afwijzing van de gewijzigde vorderingen van [persoon 1] .
4.3.
[persoon 3] en [B.V. 4] voeren eveneens verweer en verzoeken
primair
b) [persoon 1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen en [persoon 1] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de advocaatkosten, binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.
Subsidiair
2) Voor zover enige vordering van [persoon 1] wordt toegewezen, dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3) Geen der gedaagden hoofdelijk te veroordelen ter zake enige vordering en de verzoeken tot hoofdelijke veroordeling – ter zake welke vordering dan ook – af te wijzen als ongegrond en iedere gedaagde slechts te veroordelen indien en voor zover voldoende is gesteld; onderbouwd en bewezen.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [persoon 3] en [B.V. 4] eveneens geconcludeerd tot afwijzing van de gewijzigde vorderingen van [persoon 1] .
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5Het geschil in reconventie in de zaak 396775
5.1.
[B.V. 1] en [persoon 2] (aldus leidt de rechtbank af uit de passage op pagina 19 van de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, tevens incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex art. 223 Rv) vorderen na wijziging van eis in reconventie:
te verklaren voor recht dat [persoon 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [B.V. 1] door gebruik van aan [B.V. 1] toebehorende bedrijfsgegevens en het daarmee benaderen van leads en/of relaties en/of klanten van [B.V. 1] en dat [persoon 1] gehouden is de daaruit voortvloeiende schade, te vergoeden, nader op te maken bij staat.
te bepalen dat [persoon 1] een schadevergoeding moet voldoen aan [B.V. 1] terzake de door hem veroorzaakte schade ten gevolge van zijn voornoemde onrechtmatig handelen van € 140.495,87, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente.
[persoon 1] te veroordelen aan [persoon 2] een bedrag te voldoen van € 3.000,- plus contractuele rente van 2%, subsidiair de wettelijke rente, vanaf datum opeisbaarheid, derhalve vanaf 1-3-2019, althans vanaf 1 juni 2022
[persoon 1] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, waaronder het salaris van de advocaat van gedaagden, binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van algehele betaling.
[persoon 1] te veroordelen in de nakosten.
5.2.
[persoon 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie als onbewezen en/of ongegrond, met veroordeling van [B.V. 1] en [persoon 2] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.
5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
6De beoordeling
In conventie in de zaak 396775: [persoon 1] tegen [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] en in de zaak 401029: [persoon 1] tegen [persoon 3] en [B.V. 4]
Vordering sub I primair
Primair de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] hoofdelijk te bevelen , het 25% belang van [persoon 1] in [B.V. 4] en [partij B] over te nemen voor een bedrag ad € 250.000 dan wel een prijs die bepaald dient te worden door een deskundige,
6.1.
Grondslag van de primaire vorderingen is primair nakoming van de tussen partijen op 19 november 2021 gesloten overeenkomst tot overname van het 25% belang van [persoon 1] voor (i) een initiële koopprijs van € 250.000,- en (ii) een mogelijke additionele koopprijs, die zou worden betaald na waardering van het belang door een deskundige en subsidiair uittreding op basis van artikel 2:343 BW.
Nakoming van de overeenkomst tot overname van het 25% belang
6.2.
[persoon 1] stelt primair dat partijen op 19 november 2021 in aanwezigheid van de advocaat van [partij B] met elkaar hebben gesproken over de uitkoop van [persoon 1] en dat is afgesproken dat [persoon 2] , [persoon 4] , althans [B.V. 2] , en [persoon 3] het (economisch) belang van [persoon 1] van 25% in [B.V. 4] zouden overnemen voor (i) een initiële koopprijs van € 250.000,- en (ii) een mogelijke additionele koopprijs, die zou worden betaald na waardering van het belang door een deskundige. Deze afspraken zijn volgens [persoon 1] neergelegd in de memo van de advocaat van [partij B] van 22 november 2021. [persoon 1] verwijst ter onderbouwing verder naar de e-mail van [persoon 2] , [persoon 4] en [persoon 3] d.d. 6 december 2021. [persoon 1] stelt dat er sprake is van aanbod en aanvaarding en dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt over de partijen, het te verkopen object en de prijs. [persoon 1] voert verder aan dat partijen in dit geval hebben beoogd tot een bindende overeenkomst te komen met betrekking tot de koop en verkoop van het (economisch) belang. [persoon 1] stelt dat hij, nadat partijen de afspraken hadden gemaakt, een wijziging van de overeenkomst heeft voorgesteld, nu hij toch sneller tot een beëindiging van de samenwerking wenste te komen. Volgens [persoon 1] werd deze wijziging vervolgens niet door [persoon 2] , [persoon 4] (althans [B.V. 2] ) en [persoon 3] geaccepteerd, zodat de wijziging niet tot stand is gekomen en de reeds overeengekomen afspraken zijn blijven gelden. Ingevolge artikel 3:296 lid 1 BW zijn [persoon 2] , [persoon 4] (althans [B.V. 2] ) en [persoon 3] gehouden tot nakoming van die afspraken, aldus [persoon 1] .
6.3.
[partij B] betwist dat er sprake is van de door [persoon 1] gestelde overeenkomst tot overname van het (economisch) belang van [persoon 1] van 25% in [B.V. 4] voor een initiële koopprijs van € 250.000,- en een mogelijke additionele koopprijs. [partij B] betwist ook dat de memo d.d. 22 november 2021 reeds gemaakte bindende afspraken betreft. Volgens [partij B] bevat deze memo slechts een samenvatting van conclusies en overwegingen van de bespreking op 19 november 2021 terwijl een aantal zaken ook nog niet voldoende is uitgewerkt in hoofdlijnen, zoals bijvoorbeeld de rechten van [persoon 1] voortvloeiende uit de onderlinge overeenkomst. Daarnaast voert [partij B] aan dat op blz. 3 van deze memo aan [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 1] en [persoon 2] wordt gevraagd te laten weten of zij akkoord gaan met de inhoud van betreffende memo en dat [persoon 1] nog voordat [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 2] gereageerd hadden, de voorstellen uit de memo d.d. 22 november 2021 “van tafel had geveegd en een nieuw voorstel heeft gedaan. [partij B] verwijst naar het citaat op blz. 2 van de memo: “ NB: [persoon 1] heeft kort na de bespreking aan mij bericht deze termijnbetalingen anders te willen zien. Ik heb aangegeven dat dit dan tussen betrokkenen besproken dient te worden”. Volgens [B.V. 1] heeft [persoon 1] derhalve in plaats van akkoord te gaan een tegenvoorstel gedaan en daarmee de voorstellen als verwoord in de bovengenoemde memo d.d. 22 november 2021 verworpen.
6.4.
Uit de stellingen van partijen in samenhang bezien met de memo van 22 november 2021 leidt de rechtbank af dat er aanvankelijk sprake was van wilsovereenstemming tussen partijen over uitkoop van [persoon 1] (‘de handen zijn geschud’), waarbij is afgesproken dat Mr. De Schepper de uitgangspunten op papier zou zetten, hetgeen is geschied in de memo van 22 november 2021. Vast staat dat [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 1] en [persoon 2] in die memo worden verzocht om te laten weten of zij akkoord gaan met de inhoud van de memo. Niet in geschil is dat [persoon 1] vervolgens - voordat [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 2] hadden laten weten al dan niet akkoord te gaan - aan mr. De Schepper bij e-mail van 2 of 3 december 2021 heeft aangegeven “hoe het exit ook zou kunnen en dat dit naar zijn idee en inzicht een betere deal is”. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat partijen deze mail weliswaar niet in het geding hebben gebracht maar dat de inhoud daarvan nu deze niet in geschil is en door partijen is geciteerd, door de rechtbank als vaststaand is aangenomen (vaststaand feit 3.7). De rechtbank stelt vast dat [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] op deze mail hebben gereageerd bij e-mail van 6 december 2021 waarin zij het voorstel van [persoon 1] weergeven en aanleiding hebben gezien zelf ook met een nieuw voorstel te komen. In de e-mail van 6 december 2021 hebben zij, voor zover hier relevant, in dat kader bericht “aangezien [persoon 1] zich niet gebonden voelt aan de intentie-overeenkomst, voelen wij ons ook vrij om zijn exit anders in te vullen”. Uit al het voorgaande volgt dat [persoon 1] zich kennelijk meteen al niet gebonden achtte aan de bereikte overeenstemming en een nieuw voorstel heeft gedaan, welke gang van zaken is geaccepteerd door [persoon 4] , [persoon 3] en [persoon 2] , die op hun beurt ook een nieuw voorstel hebben gedaan. De rechtbank stelt vast dat geen der partijen de ander derhalve gehouden heeft aan de ‘gemaakte’ afspraken c.q. bereikte wilsovereenstemming. Daarmee is er dan ook geen bindende overeenkomst met betrekking tot de uitkoop van [persoon 1] tot stand gekomen, zodat van nakoming geen sprake kan zijn. Deze grondslag treft daarmee geen doel.
Uittreding op grond van artikel 2:343 BW
6.5.
[persoon 1] grondt zijn primaire vordering subsidiair op uittreding op grond van artikel 2:343 BW. Hij stelt dat hij een (economisch) belang in [B.V. 4] heeft van 25% en dat de andere drie houders van 25% belang, proberen hem buitenspel te zetten door hem geen informatie over [B.V. 4] en [B.V. 1] te verstrekken, geen uitkeringen van het resultaat van [B.V. 4] en [B.V. 1] te doen toekomen en geen vergoeding te geven in ruil voor zijn belang. Hiermee wordt volgens [persoon 1] zijn belang dusdanig geschaad, dat in redelijkheid niet van hem kan worden verwacht dat hij zijn (economisch) belang in [B.V. 4] blijft houden. [persoon 1] voert aan dat ondanks dat hij geen formeel houder is van een aandelenbelang in [B.V. 4] en/of [B.V. 1] , het bepaalde in artikel 2:343 BW toch van toepassing is omdat zijn positie vergelijkbaar is met een aandeelhouderspositie en artikel 2:343 BW naar analogie dient te worden toegepast. [persoon 1] stelt dat partijen bij het oprichten van [B.V. 4] en [B.V. 1] , alsmede bij het aangaan van de onderlinge overeenkomst, voor ogen hadden dat alle vier de oprichters gelijk dienden te worden behandeld, als zijnde houders van een 25% (aandelen)belang in de vennootschappen.
6.6.
[partij B] voert als verweer allereerst dat de vennootschap slechts een fractie waard is van wat [persoon 1] stelt. Verder voert [partij B] aan dat [persoon 1] blijkens de onderlinge overeenkomst het recht heeft op kopen van aandelen en dat dat het tegenovergestelde is van het gepretendeerde recht om uitgekocht te worden. [partij B] stelt dat bovendien slechts is afgesproken dat [persoon 1] recht heeft op een gelijk aandeel in de onderneming en dat op een onderling vast te stellen wijze. De andere stakeholders hebben op grond van die afspraak volgens [partij B] ook het recht diens aandeel in het resultaat uit te keren door deze te verrekenen met de schade die [persoon 1] heeft veroorzaakt door het [project] aan zich te trekken. Nu die schade vele malen hoger is dan de vordering ligt de vordering sub 1 reeds voor afwijzing gereed. Een analoge toepassing van art. 2:343 BW is volgens [partij B] ook niet aan de orde omdat de positie van [persoon 1] onvoldoende met de positie van een aandeelhouder overeenkomt. De contractuele positie van [persoon 1] is ook niet te vergelijken met de positie van een certificaathouder, aldus [partij B]
6.7.
Op grond van artikel 2:343 BW kan een aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voorduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, tegen die mede-aandeelhouders een vordering tot uittreding instellen, inhoudende dat zijn aandelen worden overgenomen.
6.8.
Vooropgesteld wordt dat [persoon 1] geen juridisch eigenaar is van aandelen, maar dat sprake is van een verbintenisrechtelijke afspraak tussen hem en [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] op grond waarvan [persoon 1] een 25% economisch belang in [B.V. 4] heeft.
Vast staat dat tussen [persoon 1] en de overige (feitelijke en formele) aandeelhouders een verschil van inzicht is ontstaan, op grond waarvan is besloten dat een duurzame samenwerking tussen partijen in de toekomst niet meer mogelijk is. Partijen hebben geprobeerd om het 25% belang van [persoon 1] te waarborgen en om te bekijken welke koopprijs het economisch belang van [persoon 1] waard is. Zoals hiervoor al is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er uiteindelijk geen bindende overeenkomst tussen die partijen tot stand is gekomen met betrekking tot de uitkoop van het belang van [persoon 1] . Dat neemt niet weg dat de hierboven genoemde aandeelhouders jegens elkaar in een verhouding staan die beheerst wordt door de redelijkheid en billijkheid. Nu deze overige drie aandeelhouders, [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] , hebben aangegeven aan [persoon 1] dat het voor de goede samenwerking benodigde onderlinge vertrouwen niet meer aanwezig is, en men ook overigens heeft aangegeven zonder [persoon 1] verder te willen gaan, brengt de redelijkheid en billijkheid én de overeenkomst van 18 december 2017 in beginsel met zich mee dat het economisch belang van [persoon 1] in [B.V. 4] – zijn 25% belang – wordt gewaardeerd en dat met hem wordt afgerekend. Dat is ook aanvankelijk het uitgangspunt van partijen geweest in de onderhandelingen. Beantwoording van de vraag of artikel 2:343 BW naar analogie moet worden toegepast, kan in zoverre in het midden worden gelaten. De vraag is dan hoe het economisch belang van [persoon 1] dan vervolgens moet worden gewaardeerd en afgerekend. Van de zijde van [persoon 1] is betoogd dat tegen een prijs van € 250.000,- zou moeten worden afgerekend, maar dat betoog is gebaseerd op de gestelde overeenkomst, waarvan is geoordeeld dat partijen daarvan over en weer hebben afgezien. Hoe het belang dan wel moet worden gewaardeerd en afgerekend kan in deze procedure niet worden beoordeeld dan wel vastgesteld nu [persoon 1] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld wat partijen hebben afgesproken ten aanzien van het effectueren van die waardering en afrekening en dan meer in het bijzonder wanneer die waardering en afrekening plaats moet vinden, op welke wijze, op welke termijn en welke uitgangspunten daarbij moeten worden gehanteerd. In de onderlinge overeenkomst waarop [persoon 1] zich beroept, is slechts bepaald dat [persoon 1] , net als [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] , recht heeft op een gelijk aandeel in het resultaat en dat de wijze van verrekening van het aandeel in onderling overleg wordt bepaald. Deze overeenkomst biedt daarmee geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten voor de waardering en afrekening als hiervoor bedoeld. [persoon 1] voert verder geen dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden aan die uitgangspunt kunnen zijn bij de waardering en afrekening van zijn belang. Van een veroordeling van [partij B] tot het overnemen van het 25% belang van [persoon 1] als primair gevorderd tegen vergoeding van een bedrag van € 250.000,- dan wel tegen een door een deskundige te bepalen prijs kan dan ook geen sprake zijn. Bovendien heeft [persoon 1] niet gemotiveerd gesteld waarom die overname op dit moment plaats zou moeten vinden. De vordering is daarmee ook niet op deze wijze in rechte afdwingbaar. Al het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vordering zal worden afgewezen.
Vordering sub I subsidiair
Subsidiair
a. de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [partij B] hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] te betalen een bedrag aan (schade)vergoeding op te maken bij staat en te begroten volgens de wet terzake van het aandelenbelang van [persoon 1] , althans zijn aanspraak hierop (voorlopig begroot op € 250.000),
b. de (feitelijke en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [partij B] hoofdelijk te
veroordelen tot betaling van de incassokosten over het onder a. gevorderde, begroot op
€ 3.025;
6.9.
[persoon 1] vordert subsidiair betaling van schadevergoeding op te maken bij staat ter zake van het aandelenbelang en tot betaling van de incassokosten. [persoon 1] baseert deze vordering op wanprestatie nu de overige feitelijk en informele aandeelhouders jegens hem in strijd met de redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld, althans op onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking.
6.10.
Het verweer van [partij B] in de conclusie van antwoord komt er op neer dat de grondslag voor de gevorderde schadevergoeding niet duidelijk is. Zij voert (onder meer) aan dat [persoon 1] geen nakoming van de verplichtingen in de onderlinge overeenkomst heeft gevraagd en geen feiten, of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat deze verplichtingen niet worden nagekomen, zodat er geen tekortkoming in de nakoming van die verplichtingen is jegens hem, en daarmee geen verzuim, laat staan schade of een daaruit voortvloeiende aanspraak op schadevergoeding. Bij akte heeft [partij B] daar aan toegevoegd dat [persoon 1] afspraken heeft gemaakt met [persoon 4] , [persoon 2] en [persoon 3] en dat [B.V. 1] en [B.V. 4] daar buiten staan. [partij B] voert verder aan dat dat [persoon 1] niet met lege handen staat en dat er eerst resultaat en liquiditeit dient te zijn vooraleer er iets uitbetaald kan worden, hetgeen niet in strijd is met de norm van 6:162 BW. De andere personen kregen niet meer resultaat uitgekeerd zodat van ongerechtvaardigde verrijking volgens [partij B] ook geen sprake kan zijn.
6.11.
De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] aan deze subsidiaire vordering dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag legt als aan de primaire vordering. Nu niet is komen vast te staan dat er een bindende overeenkomst tussen partijen bestaat ten aanzien van de uitkoop, kan reeds uit dien hoofde geen sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming. Maar ook ten aanzien van de onderlinge overeenkomst kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Daarvoor wordt verwezen naar het hiervoor onder 6.8 overwogene en dan met name dat [persoon 1] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld wat partijen hebben afgesproken ten aanzien van het effectueren van de waardering en afrekening en dan meer in het bijzonder wanneer die waardering en afrekening plaats moet vinden, op welke wijze, op welke termijn en welke uitgangspunten daarbij moeten worden gehanteerd. In zoverre valt niet in te zien waaruit deze toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [partij B] bestaat. Dat anderszins sprake is van een toerekenbare tekortkoming heeft [persoon 1] niet gesteld noch is daarvan gebleken. [persoon 1] heeft ook onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te nemen dat er sprake is van een onrechtmatige daad dan wel van ongerechtvaardigde verrijking. Daarmee wordt ook de subsidiaire vordering afgewezen.
Vordering sub II verstrekken informatie
ll. [B.V. 4] en [B.V. 1] ., althans de (feitelijk en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] , hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] de financiële informatie - zoals de volledige jaarrekeningen - over de boekjaren 2021 en 2022 te verstrekken, binnen 7 dagen betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat gedaagden nalaten aan deze veroordeling te voldoen, althans een door de rechtbank
in goede justitie te bepalen bedrag aan dwangsommen;
6.12.
[persoon 1] legt aan deze vordering ten grondslag dat hij geen enkele (financiële) informatie meer ontvangt met betrekking tot [B.V. 4] of [B.V. 1] en dat bij de Kamer van Koophandel voor beide vennootschappen slechts een vereenvoudigde balans is gedeponeerd voor de boekjaren tot en met 2020. Nu [partij B] wel over de (financiële) informatie, zoals de jaarrekeningen, beschikt op basis waarvan kan worden geoordeeld of al dan niet aan de vereisten van 2:216 BW is voldaan, dienen zij volgens [persoon 1] de desbetreffende stukken in het geding te brengen. [persoon 1] heeft ter zitting aangevoerd dat inmiddels de cijfers 2021 van [B.V. 1] en [B.V. 4] in het geding zijn gebracht en dat daaruit opvalt dat EFS (Extended Financial Services), de handelsnaam van [B.V. 7] , de jaarrekeningen heeft opgesteld en dat [B.V. 7] blijkens het handelsregister van KvK, de vennootschap is van [persoon 4] . Volgens [persoon 1] is [B.V. 7] niet aan te merken als een onafhankelijke accountant en 'controleert' [persoon 4] de cijfers van zijn eigen vennootschappen. [persoon 1] betwist dan ook de juistheid van de overgelegde jaarrekeningen 2021.
6.13.
[partij B] voert het verweer dat zij reeds onverplicht bij akte d.d. 15 november 2022 de AVA-notulen met betrekking tot de jaarcijfers over 2018 - 2020 van [B.V. 4] heeft ingebracht en bij akte overlegging productie als productie 24 en 25 de jaarcijfers over 2021 van zowel [B.V. 1] als van [B.V. 4] . De resultaten en de ontwikkeling van het eigen vermogen zijn hierin volgens [partij B] op een rij gezet met betrekking tot de periode 2018 - 2020. [partij B] stelt dat de op 12 juni 2023 vastgestelde jaarcijfers over 2021 vrijwel direct zijn ingebracht in deze procedure. De jaarcijfers over 2022 zijn nog niet vastgesteld en zullen vrijwillig beschikbaar worden gesteld zodra deze wel zijn vastgesteld. De gevorderde dwangsom is misplaatst en te hoog, aldus [partij B]
6.14.
Vast staat dat [partij B] de jaarrekeningen over 2021 van zowel [B.V. 1] als van [B.V. 4] in het geding heeft gebracht. Verder heeft zij aangevoerd dat de jaarrekeningen over 2022 nog niet zijn vastgesteld, hetgeen [persoon 1] niet heeft betwist. Nu op dit moment niet is komen vast te staan dat de jaarrekening over 2022 reeds is vastgesteld, kunnen [B.V. 1] en [B.V. 4] niet gehouden worden deze te verstrekken aan [persoon 1] . Uit welke hoofde [B.V. 1] en [B.V. 4] daartoe gehouden zouden kunnen worden, stelt [persoon 1] ook niet voldoende. Hetgeen hij aanvoert met betrekking tot het bepaalde in artikel 2:216 BW leidt niet tot een dergelijke gehoudenheid. [persoon 1] heeft verder nog aangevoerd het niet eens te zijn met de inhoud van de overgelegde jaarrekeningen. Wat hier ook van zij, [persoon 1] onderbouwt dit verder niet dan wel onvoldoende. De enkele stelling van [persoon 1] dat [B.V. 7] niet onafhankelijk zou zijn, is daarvoor onvoldoende. Bovendien is het oneens zijn met een jaarrekening ook geen deugdelijke grondslag om [B.V. 1] en [B.V. 4] te veroordelen een (andere) jaarrekening over te leggen. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
Vordering sub III nakoming afspraken betreffende verdeling resultaat [B.V. 4] , althans [B.V. 1]
III. [B.V. 4] en [B.V. 1] , althans de (feitelijk en formele) aandeelhouders van [B.V. 4] en [B.V. 1] , hoofdelijk te veroordelen aan [persoon 1] te betalen 25% van het resultaat van [B.V. 4] , althans [B.V. 1] over de boekjaren 2019 en vanaf 2021 (thans 2021 en 2022), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
6.15.
Grondslag van deze vordering is nakoming van de onderlinge overeenkomst, althans ongerechtvaardigde verrijking althans onrechtmatig handelen. [persoon 1] stelt ook hier dat hij op basis van de tussen partijen gemaakte afspraken in de onderlinge overeenkomst van 2017 recht heeft op 25% van het resultaat in [B.V. 4] , en daarmee indirect in [B.V. 1] en dat hij zijn aandeel over de boekjaren 2019, 2021 en 2022 niet heeft ontvangen. [persoon 1] voert verder aan dat de afspraken in de onderlinge overeenkomst kunnen worden gezien als stemafspraken tussen de (formele en informele) aandeelhouders over het dividendbeleid. Doordat (de natuurlijke personen achter) de aandeelhouders de afspraak hebben gemaakt tot verdeling van het resultaat, dienen zij in een aandeelhoudersvergadering vóór een uitkering van dividend te stemmen indien dit in overeenstemming is met artikel 2:216 BW. Ingevolge de gemaakte afspraken heeft [persoon 1] recht op 25% van het resultaat, welk aandeel ofwel direct door [B.V. 4] of [B.V. 1] aan [persoon 1] kan worden voldaan, ofwel via de formeel aandeelhouders aan [persoon 1] kan worden voldaan. Om die reden worden al deze partijen voor betaling aangesproken, aldus [persoon 1] .
6.16.
[partij B] voert het verweer dat de afspraak in de onderlinge overeenkomst geen van de partijen bij de overeenkomst het recht op uitbetaling van 25% van de resultaten van [B.V. 4] geeft. [B.V. 1] stelt dat [B.V. 4] op dit moment haar liquiditeit nodig heeft voor haar bedrijfsmatige activiteiten en dat derhalve geen winsten worden uitgekeerd. Verder voert [partij B] aan dat met betrekking tot de afspraak dat het doen toekomen van een aandeel in het exploitatieresultaat in onderling overleg te bepalen is geldt, dat zolang er geen resultaat wordt uitgekeerd is, overleg niet aan de orde is. Indien en zodra dit wel aan de orde is, zijn de andere 3 natuurlijke personen volgens [partij B] slechts gehouden hierover het overleg aan te gaan en [persoon 1] een aandeel te doen toekomen dat gelijk is aan het aandeel dat hen zelf toekomt uit dat resultaat. Deze inspanningsverplichting tot overleg biedt geen grondslag voor de vordering om [partij B] te veroordelen tot betaling van enig bedrag uit het resultaat van [B.V. 4] zodat deze vordering ook om die reden voor afwijzing gereed ligt, aldus [partij B] De vordering ligt daarnaast voor afwijzing gereed omdat uitbetaling van enig resultaat op dit moment strijdig zou met de eisen van art. 2:216 lid B.W. Voor zover [persoon 1] terzake iets zou willen eisen zou die eis gericht moeten zijn aan het adres van [persoon 4] als DGA van [B.V. 2] die wel contractspartij is (maar geen procespartij is). [B.V. 4] heeft geen verplichting tot het doen van resultaat-/ winstuitkeringen tenzij besluiten van haar AVA en haar bestuur ex. art. 2:216 BW haar daartoe verplichten (en zulks niet in strijd is met de wet). Nu zulke besluiten er niet zijn en de wet een dergelijke uitkering verbiedt, is er geen grondslag voor een veroordeling tot enig bedrag aan [persoon 1] , aldus [partij B]
6.17.
Grondslag van deze vordering is primair nakoming van de onderlinge overeenkomst. Dat er afspraken gemaakt zijn over (jaarlijkse) uitkering van het resultaat op de wijze zoals [persoon 1] betoogt, kan uit de onderlinge overeenkomst niet worden afgeleid. Zoals hiervoor reeds overwogen houdt de afspraak in de onderlinge overeenkomst slechts in dat ieder een gelijk aandeel heeft in het resultaat van [B.V. 4] en dat de wijze van verrekening van het aandeel in het exploitatieresultaat van [persoon 1] en [persoon 2] in onderling overleg wordt bepaald. Dat het gehele resultaat jaarlijks verdeeld moest worden, kan niet uit de overeenkomst worden afgeleid. Daar is ook niet naar gehandeld. De primaire rondslag treft gezien het voorgaande geen doel. Dat er sprake is van onrechtmatig handelen dan wel van ongerechtvaardigde verrijking, heeft [persoon 1] , zoals hiervoor ook reeds overwogen, in het geheel niet onderbouwd. Ook deze subsidiaire grondslagen treffen derhalve geen doel. Ook deze vordering moet daarmee worden afgewezen.
Vordering sub IV
IV. [B.V. 1] te veroordelen aan [persoon 1] te betalen een bedrag groot € 24.996, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de datum dagvaarding;
6.18.
[persoon 1] legt aan deze vordering ten grondslag dat hij op grond van een overeenkomst van opdracht van 9 december 2016 tussen [persoon 1] en [B.V. 1] ten behoeve van [B.V. 1] werkzaamheden verrichtte tegen een maandelijkse fee van € 4000,- ex BTW. Deze overeenkomst is op 14 december 2021 opgezegd door [B.V. 1] tegen 31 december 2021. [B.V. 1] is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst door in strijd met de redelijkheid en billijkheid na te laten een opzegtermijn te hanteren dan wel een schadevergoeding aan te bieden. Tussen partijen is geen opzegtermijn overeengekomen. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid volgt, gelet op de aard/inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden, dat een opzegtermijn in acht genomen had moeten worden van 6 maanden. Door de opzegging is nakoming blijvend onmogelijk geworden en is er sprake van verzuim dan wel is verzuim niet nodig. De schade bedraagt: 6 x € 4000,- plus € 996,- aan buitengerechtelijke kosten, aldus [persoon 1] .
6.19.
[B.V. 1] betwist dat er tussen [persoon 1] en [B.V. 1] sinds 9 december 2016 een overeenkomst van opdracht heeft bestaan op basis waarvan door [persoon 1] werkzaamheden ten behoeve van [B.V. 1] werden verricht. Volgens [B.V. 1] verrichtte [persoon 1] zijn werkzaamheden via de eenmanszaak van zijn vriendin, [bedrijf] . De verzonden opzegging d.d. 14 december 2021 hanteerde een opzegtermijn van 17 dagen. Dat deze overeenkomst niet zou mogen worden opgezegd zonder in achtneming van een opzegtermijn, is volgens [partij B] onjuist. [B.V. 1] voert nog aan dat uit jurisprudentie blijkt dat vuistregels ter zake een te hanteren opzegtermijn niet aan de orde zijn. Een opzegtermijn van 1,2 maanden per jaar als vuistregel evenals de daarop gebaseerde berekening van een opzegtermijn is volgens [B.V. 1] dan ook onjuist. Er moet naar de omstandigheden van het geval worden gekeken. [B.V. 1] voert aan dat die omstandigheden door [persoon 1] onjuist zijn weergeven en juist een reden zijn om te concluderen dat een te hanteren opzegtermijn geheel onnodig zou zijn en dat er voldoende zorgvuldig met de belangen van [persoon 1] is omgegaan.
6.20.
Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat [persoon 1] vanaf de oprichting van [B.V. 1] in 2016 in persoon werkzaamheden heeft verricht voor [B.V. 1] en dat hij daarvoor facturen stuurde. In zoverre kan worden aangenomen dat er sprake was van een overeenkomst van opdracht tussen [persoon 1] en [B.V. 1] in de zin van artikel 7:400 BW. Dat hij vanaf enig moment de werkzaamheden heeft verricht via de eenmanszaak [bedrijf] van zijn partner mevrouw [persoon 5] , zoals [B.V. 1] betoogt, maakt dat niet anders. Niet in geschil is dat [B.V. 1] wist dat het [persoon 1] zelf was die de werkzaamheden voor [B.V. 1] verrichtte. Bovendien blijkt uit de brief van 14 december 2021 van [B.V. 1] aan [persoon 1] dat [B.V. 1] er zelf ook van uitgaat dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht. Voor navolgende beoordeling zal dan ook worden aangenomen dat er een overeenkomst van opdracht was tussen [B.V. 1] en [persoon 1] .
6.21.
In art. 7:408 lid 1 BW is bepaald dat de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst van opdracht kan opzeggen. Een opdrachtgever heeft vanwege de aard van de overeenkomst een ruime opzeggingsbevoegdheid. Het in acht nemen van een opzegtermijn is bij een overeenkomst van opdracht niet vereist. Wel kunnen op grond van de vaste jurisprudentie de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat in het specifieke geval een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen (6:248 lid 1 BW). De duur van de in acht te nemen opzegtermijn hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij te denken valt aan de tijd die de wederpartij redelijkerwijs nodig heeft om zijn belangen veilig te stellen, aard en gewicht van de redenen voor opzegging.
6.22.
Vaststaat dat de overeenkomst van opdracht op 14 december 2021 door [B.V. 1] is opgezegd tegen 31 december 2021. Volgens [persoon 1] had een opzegtermijn van 6 maanden in acht moeten worden genomen, hetgeen [B.V. 1] gemotiveerd betwist.
De vraag ligt dan voor of nu vast staat dat er geen opzegtermijn tussen partijen is overeengekomen, de door [B.V. 1] in acht genomen opzegtermijn van 17 dagen een redelijke opzegtermijn is een en ander als hiervoor onder 6.21 bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijke korte opzegtermijn niet als een redelijke termijn worden beschouwd. Daarbij acht de rechtbank als relevante omstandigheden van belang, de leeftijd van [persoon 1] van 68 jaar, zijn inkomensafhankelijkheid, het als onvoldoende gemotiveerd betwiste feit dat vanaf de oprichting in 2016 werkzaamheden zijn verricht, het feit dat [B.V. 1] bij de opzegging geen vergoeding heeft aangeboden terwijl ook geen zwaarwegende redenen zijn gesteld waarom een dergelijke korte opzeggingstermijn gerechtvaardigd zou zijn. Gelet op voormelde omstandigheden brengen de redelijkheid en de billijkheid mee dat een opzegtermijn in acht genomen had moeten worden van 1,2 maanden per gewerkt jaar, oftewel een opzegtermijn van 6 maanden. Nu [B.V. 1] ten onrechte slechts een opzegtermijn van slechts 17 dagen in acht heeft genomen, is [B.V. 1] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [B.V. 1] is gehouden de als gevolg van de toerekenbare tekortkoming geleden schade van [persoon 1] te vergoeden. De rechtbank begroot de schade als gevolg van de onregelmatige opzegging op het loon over die periode, zijnde een bedrag van € 24.000,- (6 x € 4.000,-). Het gevorderde bedrag is daarmee toewijsbaar. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 1 januari 2022.
6.23.
[persoon 1] vordert nog buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 BW. De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten valt binnen hetgeen conform het Besluit kan worden toegewezen. De wettelijke rente is ook over dit bedrag toewijsbaar vanaf 1 januari 2022.
Vordering sub V
V. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan [persoon 1] te voldoen een bedrag ad € 3.894,77 als door [persoon 1] gemaakte conservatoire beslagkosten. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
6.24.
[persoon 1] vordert gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de beslagkosten. Deze vordering is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op artikel 706 Rv, enkel toewijsbaar ten aanzien van [B.V. 1] . Nu op grond van het hiervoor overwogene uitsluitend de vordering van [persoon 1] ten aanzien van [B.V. 1] uit hoofde van de opdracht zal worden toegewezen, komen alleen de beslagkosten voor zover gemaakt door [persoon 1] in de verhouding met [B.V. 1] voor toewijzing in aanmerking. De hoogte van deze kosten is berekend op basis van het als productie 28 (bij de conclusie van antwoord in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening) overgelegde beslagexploit. De als productie 18 bij dagvaarding overgelegde afrekening van de deurwaarder geeft geen dan wel onvoldoende inzicht in de kosten die zijn gemaakt ten laste van [B.V. 1] en kan in zoverre niet als ondersteuning dienen van de ten laste van [B.V. 1] gemaakte beslagkosten. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de overgelegde beslagstukken, met daarbij de producties 1 tm 11. De beslagkosten worden begroot op € 808,45 voor verschotten, € 314,00 voor griffierecht en € 766,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 766,00), zijnde een totaalbedrag van € 1.888,45. De wettelijke rente kan worden toegewezen als na te melden.
Uitvoerbaarheid bij voorraad:
6.25.
De rechtbank zal de veroordelingen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren nu zij geen aanleiding ziet daar van af te zien.
Proceskosten in de zaak met nummer 396775 (conventie):
6.26.
[B.V. 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (incusief nakosten) worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het van [B.V. 1] gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [persoon 1] op basis van het toegewezen bedrag op:
- dagvaarding € 131,18
- griffierecht 987,00
- salaris advocaat 1.532,00 (2 punten × tarief III € 766,00)
- nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.823,18
6.27.
Voorts geldt dat ten aanzien van de vorderingen tegen [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] [persoon 1] in het ongelijk is gesteld. [persoon 1] wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan die zijde gevallen. Nu gedaagden allen met één advocaat hebben geprocedeerd, en het griffierecht toch verschuldigd was ten aanzien van [B.V. 1] ziet de rechtbank aanleiding om ten aanzien van het griffierecht de proceskosten op nihil te stellen. Voor salaris advocaat zal een bedrag worden toegekend van € 3.758,00 zijnde twee punten van tarief VI (2x 2.645,00) verminderd met twee punten van tarief III (2x 766,00), aangezien dat laatstgenoemde deel van de kosten wordt toegerekend aan [B.V. 1] en vermeerderd met de nakosten van € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing), derhalve in totaal € 3.931,00.
Proceskosten in de zaak met nummer 401029:
6.28.
Nu de vorderingen tegen [persoon 3] en [B.V. 4] worden afgewezen, wordt [persoon 1] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. Gelet op hetgeen onder 6.27 is overwogen en nu het verweer grotendeels gelijk is, ziet de rechtbank aanleiding het salaris bepalen op 1 punt. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [persoon 3] en [B.V. 4] op:
- griffierecht 2.277,00
- salaris advocaat 2.645,00 (1 punt × tarief VI € 2.645,00)
- nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.095,00
In reconventie in de zaak met nummer 396775
Onrechtmatige concurrentie
te verklaren voor recht dat [persoon 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij B] door gebruik van aan [partij B] toebehorende bedrijfsgegevens en het daarmee benaderen van leads en/of relaties en/of klanten van [partij B] en dat [persoon 1] gehouden is de daaruit voortvloeiende schade, te vergoeden, nader op te maken bij staat.
te bepalen dat [persoon 1] een schadevergoeding moet voldoen aan [partij B] terzake de door hem veroorzaakte schade tgv het onrechtmatig handelen van € 140.495,87, plus rente.
6.29.
[B.V. 1] stelt dat het onrechtmatig concurreren bestaat uit het toe-eigenen door [persoon 1] van het aan [B.V. 1] toebehorende [project] . Volgens [B.V. 1] beheerde [persoon 1] dit project voordien als contactpersoon voor [B.V. 1] en heeft hij het vervolgens als concurrent van [B.V. 1] uitgevoerd, met gebruik van bedrijfsgegevens en het daarmee benaderen van leads en/of relaties en/of klanten van [B.V. 1] , hetgeen ertoe leidt dat [persoon 1] onrechtmatig jegens [B.V. 1] heeft gehandeld. [B.V. 1] stelt dat [persoon 1] op grond van artikel 6:162 BW gehouden is om de schade die [B.V. 1] heeft geleden als gevolg van deze onrechtmatige daad te vergoeden. Het onttrekken van het project van [B.V. 1] is volgens [B.V. 1] toe te rekenen aan [persoon 1] , nu deze te wijten is aan zijn schuld (ex artikel 6:162 lid 3 BW) omdat het immers [persoon 1] was die beschikte over de bedrijfsgegevens en die vervolgens leads en/of relaties en/of klanten van [B.V. 1] heeft benaderd. [B.V. 1] verwijst ter onderbouwing naar meerdere producties (e-mail op d.d. 25 oktober 2021 (productie 19 CVA), productie 21, de als productie 22 overgelegde e-mail d.d. 23 juli 2021 over een presentatie RREW voor de gemeente Terneuzen die op 8 juli 2021 is gegeven door de heer [persoon 6] ). De schade is volgens [B.V. 1] gelijk aan de winstmarge op de opdracht van € 340.000, en beloopt een bedrag van € 140.495,87. Deze gederfde winst ad € 140.495,87 is een zeer groot onderdeel van de winst van [B.V. 1] , aldus [B.V. 1] . De waarde van [B.V. 1] is dan ook grotendeels weggevallen door het voor [B.V. 1] wegvallen van dit project, aldus [B.V. 1] .
6.30.
[persoon 1] betwist dat hij stelselmatig klanten van [B.V. 1] heeft benaderd. [persoon 1] stelt dat hij zelf is benaderd door de gemeente Terneuzen. [persoon 1] heeft bij de gemeente aangegeven dat hij niet meer voor [B.V. 1] werkzaam is als gevolg van de opzegging van de overeenkomst van opdracht door [B.V. 1] . Aangezien het contact met [B.V. 1] volgens de gemeente Terneuzen zeer moeizaam verliep en [persoon 1] altijd de contactpersoon van deze gemeente is geweest, heeft de gemeente Terneuzen hem verzocht om een levering van ledlampen en aanverwante zaken te verzorgen. [B.V. 1] heeft derhalve zelf in de hand gewerkt dat de gemeente Terneuzen [persoon 1] zelf heeft benaderd, zodat geen sprake is van toerekenbaarheid aan de zijde van [persoon 1] , aldus [persoon 1] . Van onrechtmatig handelen is volgens [persoon 1] dan ook geen sprake. [persoon 1] betwist ook dat er schade is. Verder voert [persoon 1] aan dat voor zover al enig bedrag door hem zou moeten worden betaald uit hoofde van vermeend onrechtmatig handelen, hij zich op opschorting dan wel verrekening beroept nu hij aanzienlijke bedragen van [partij B] te vorderen heeft.
6.31.
Vaststaat dat er geen sprake is van een concurrentiebeding tussen [persoon 1] en [B.V. 1] . Ook als er tussen partijen geen concurrentiebeding van kracht is, kan echter sprake zijn van onrechtmatige concurrentie, wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak Raad (HR 9 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:47) is sprake van ongeoorloofde concurrentie, indien op stelselmatige en substantiële wijze het duurzaam bedrijfsdebiet van de vennootschap wordt afgebroken door deze klanten, leveranciers of personeelsleden af te nemen met behulp van kennis en gegevens die in de vorige dienstbetrekking zijn verkregen. De vraag of een dergelijke handelwijze onrechtmatig is, hangt onder meer af van de wijze waarop en de mate waarin zij plaatsvindt.
6.32.
Naar de rechtbank uit de stellingen van [B.V. 1] begrijpt, gaat het om onrechtmatige concurrentie ten aanzien van het zogenaamde [project] . [B.V. 1] stelt dat [persoon 1] ook na het einde van de samenwerking nog contact heeft gehad met de gemeente Terneuzen over dit project waarna delen van dit project gegund zijn aan [persoon 1] althans aan zijn vennootschap [B.V. 6] . Echter ook als veronderstellenderwijs uitgegaan wordt van de juistheid van die stelling, dan is dit nog is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van het stelselmatig en substantieel afbreken van het bedrijfsdebiet van [B.V. 1] . Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden nodig, die [B.V. 1] niet dan wel onvoldoende heeft gesteld. Bovendien heeft [B.V. 1] onvoldoende onderbouwd gesteld dat het [project] ook daadwerkelijk aan [persoon 1] is gegund. Dit had wel op haar weg gelegen nu [persoon 1] , naar de rechtbank begrijpt, stelt dat het slechts een beperkte levering door hem betrof. Daar komt nog bij dat uit de stellingen van [B.V. 1] niet blijkt dat er behalve het [project] nog andere projecten zijn ten aanzien waarvan [persoon 1] onrechtmatig zou hebben geconcurreerd. Van het stelselmatig afbreken van het bedrijfsdebiet blijkt in zoverre in het geheel niet. Het voorgaande leidt er dan ook toe dat er geen sprake is van ongeoorloofde concurrentie. De daarop gebaseerde vorderingen moeten derhalve worden afgewezen.
Vordering [persoon 2] op [persoon 1] uit hoofde van een lening
6.33.
[partij B] stelt dat [persoon 2] in het verleden substantiële geldbedragen in termijnen van € 1.000, heeft uitgeleend aan [persoon 1] . [partij B] heeft ter onderbouwing verwezen naar productie 16 bij de CVA Volgens [B.V. 1] is [persoon 1] [persoon 2] nog een bedrag verschuldigd van meer dan € 3.000,- doch in ieder geval dat bedrag, plus rente vanaf in ieder geval 1 maart 2019.
6.34.
[persoon 1] heeft het verweer gevoerd dat de geldlening niet opeisbaar is. [persoon 1] stelt dat het juist is dat hij een bedrag van € 3.000,- ter leen van [persoon 2] heeft ontvangen. In artikel 4 van de als productie 16 door [partij B] overgelegde overeenkomst is volgens [persoon 1] weliswaar vermeld dat de geldlening op 31 mei 2021 moet zijn afgelost, maar ook is vermeld dat de schuld indien mogelijk wordt afgelost uit het winstaandeel van [persoon 1] in projecten van [B.V. 4] . Blijkens het voorgaande is de lening daarom volgens [persoon 1] pas opeisbaar op het moment dat het winstaandeel uit de projecten van [B.V. 4] aan [persoon 1] wordt uitgekeerd, waarvan tot op heden geen sprake is. Nu de geldlening tot op heden niet opeisbaar is, is [persoon 1] ook geen rente verschuldigd.
6.35.
Vast staat dat [persoon 1] en [persoon 2] een geldleningsovereenkomst hebben gesloten en dat [persoon 1] van [persoon 2] een bedrag van € 3.000,- ter leen heeft ontvangen. In zoverre is [persoon 1] gehouden dit bedrag aan [persoon 2] terug te betalen. Anders dan [persoon 1] betoogt, valt niet in te zien waarom deze lening nog niet opeisbaar is. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen hen de bepalingen uit de als productie 16 van de zijde van [B.V. 1] overgelegde niet ondertekende overeenkomst van toepassing zijn. Daarin is bepaald dat de lening op 31 mei 2021 moet zijn afgelost. Vast staat dat dit niet is gebeurd. In zoverre is de lening thans opeisbaar. Dat in de overeenkomst is opgenomen dat de totale schuld indien mogelijk wordt afgelost uit het winstaandeel van [persoon 1] in projecten van [B.V. 4] maakt dat niet anders. Dit is geen opschortende of ontbindende voorwaarde en kennelijk hebben partijen aan die bepaling geen uitvoering gegeven. Deze vordering kan dan ook worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 1 juni 2022 nu [persoon 2] niet heeft toegelicht waarom de datum van opeisbaarheid 1 maart 2019 is en [persoon 2] ook niet heeft gesteld of anderszins is gebleken dat hij voorafgaand aan de conclusie van conclusie, tevens conclusie van eis in reconventie, tevens incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van het geleende bedrag.
Proceskosten in reconventie:
6.36.
Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.
7De beslissing
De rechtbank
In de zaak 396775/HA ZA 22-191:
in conventie
7.1.
veroordeelt [B.V. 1] om aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 24.996,00 (zegge vierentwintigduizend negenhonderd zesennegentig euro ), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van1 januari 2022 tot de dag van volledige betaling,
7.2.
veroordeelt [B.V. 1] in de beslagkosten van [persoon 1] (ter zake [B.V. 1] ), tot op heden begroot op € 1.888,45, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
7.3.
veroordeelt [B.V. 1] in de proceskosten, aan de zijde van [persoon 1] tot op heden begroot op € 2.823,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [B.V. 1] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.4.
veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten aan de zijde van [B.V. 2] , [B.V. 3] en [persoon 2] tot op heden begroot op € 3.931,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [persoon 1] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
7.5.
verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
7.7.
veroordeelt [persoon 1] om aan [persoon 2] te betalen een bedrag van € 3.000,- (zegge drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW het toegewezen bedrag met ingang van 1 juni 2022 tot de dag van volledige betaling,
7.8.
verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.9.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In de zaak 401029/HA ZA 22-457:
7.11.
wijst de vorderingen af;
7.12.
veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten, aan de zijde van [persoon 3] en [B.V. 4] tot op heden begroot op € 5.095,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [persoon 1] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2023.