Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2023:8308
2023-11-29
Strafrecht
02-177934-22
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijspraak van verkrachting.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.349 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-177934-22
vonnis van de meervoudige kamer van 29 november 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw mr. V.C. Andeweg, advocaat te Breda.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 november 2023, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht op 1 mei 2021 in [plaats] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd, omdat de aangifte niet wordt ondersteund door voldoende specifiek steunbewijs.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat, zodat vrijspraak is bepleit.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
De rechtbank overweegt dat bij het plegen van zedenfeiten in het algemeen slechts het slachtoffer en de dader aanwezig zijn. In geval van een ontkennende verdachte zal de aangifte van het slachtoffer voldoende steun dienen te vinden in overig bewijsmateriaal om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Deze ondersteuning kan in het onderhavige geval mogelijk worden gevormd door het DNA-onderzoek door The Maastricht Forensic Institute (TMFI) en door de verklaring van de ouders van aangeefster over haar gemoedstoestand bij thuiskomst uit de thuisbar van verdachte.
De rechtbank ziet in de resultaten van het DNA-onderzoek dat is verricht door TMFI echter onvoldoende steun voor de verklaring van aangeefster. De resultaten zijn belastend noch ontlastend.
Ook de verklaringen van de ouders van aangeefster kunnen naar het oordeel van de rechtbank deze ondersteuning niet vormen. Hoewel zij de verklaring van aangeefster dat zij bij thuiskomst overstuur was hebben bevestigd, kan niet worden uitgesloten dat deze gemoedstoestand het gevolg is geweest van andere factoren. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij die bewuste avond meer alcoholhoudende drank had gedronken dan anders en dat zij enkele maanden eerder was begonnen met een behandeling in verband met psychische problemen als gevolg van drie verkrachtingen in de periode van 2017 of 2018 tot en met 2020.
Nu de aangifte naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan. Zij zal hem daarom van dit feit vrijspreken.
5De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 5.061,52 voor het tenlastegelegde feit.
Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. J. Bergen en mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 november 2023.
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-177934-22
vonnis van de meervoudige kamer van 29 november 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw mr. V.C. Andeweg, advocaat te Breda.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 november 2023, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht op 1 mei 2021 in [plaats] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd, omdat de aangifte niet wordt ondersteund door voldoende specifiek steunbewijs.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat, zodat vrijspraak is bepleit.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
De rechtbank overweegt dat bij het plegen van zedenfeiten in het algemeen slechts het slachtoffer en de dader aanwezig zijn. In geval van een ontkennende verdachte zal de aangifte van het slachtoffer voldoende steun dienen te vinden in overig bewijsmateriaal om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Deze ondersteuning kan in het onderhavige geval mogelijk worden gevormd door het DNA-onderzoek door The Maastricht Forensic Institute (TMFI) en door de verklaring van de ouders van aangeefster over haar gemoedstoestand bij thuiskomst uit de thuisbar van verdachte.
De rechtbank ziet in de resultaten van het DNA-onderzoek dat is verricht door TMFI echter onvoldoende steun voor de verklaring van aangeefster. De resultaten zijn belastend noch ontlastend.
Ook de verklaringen van de ouders van aangeefster kunnen naar het oordeel van de rechtbank deze ondersteuning niet vormen. Hoewel zij de verklaring van aangeefster dat zij bij thuiskomst overstuur was hebben bevestigd, kan niet worden uitgesloten dat deze gemoedstoestand het gevolg is geweest van andere factoren. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij die bewuste avond meer alcoholhoudende drank had gedronken dan anders en dat zij enkele maanden eerder was begonnen met een behandeling in verband met psychische problemen als gevolg van drie verkrachtingen in de periode van 2017 of 2018 tot en met 2020.
Nu de aangifte naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan. Zij zal hem daarom van dit feit vrijspreken.
5De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 5.061,52 voor het tenlastegelegde feit.
Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. J. Bergen en mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 november 2023.