Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2023:6687

2023-09-21 Bestuursrecht AWB- 23_3596
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2023-09-21
Publicatiedatum
2023-09-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB- 23_3596
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

KINDER

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.180 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 23/3596


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2023 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W.R. Aerts),


en




Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) van
1 februari 2021 om herbeoordeling van zijn situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag.



1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.




Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.



Is het beroep kennelijk gegrond?


3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op
1 februari 2021. Niet in geschil is dat de beslistermijn is overschreden. Eiser heeft verweerder op 5 december 2022 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.



Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?


4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.


4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.



4.2.
In het verweerschrift van 20 juli 2023 heeft verweerder met een beroep op artikel 8:55d, derde lid, van de Awb primair gevraagd om een langere termijn tot 1 juli 2024. Verweerder heeft aangegeven dat eiser meer heeft aan een behandeling van de aanvraag volgens de planning van de Belastingdienst/Toeslagen. Door de uiteenlopende jurisprudentie ontstaat rechtsongelijkheid. Een uniforme lijn is duidelijker en eerlijker voor de groep ouders als geheel. Om deze redenen verzoekt verweerder om de lijn uit de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2023 te volgen. Subsidiair verzoekt verweerder om een termijn van twintig weken, te rekenen vanaf de uitspraak van de rechtbank. Verweerder geeft aan deze tijd nodig te hebben voor een zorgvuldige behandeling. Verder heeft verweerder toegelicht welke processtappen genomen moeten worden.



4.3.
Uit de stukken blijkt dat eiser op 3 juni 2021 de bevestiging heeft gekregen dat hij in aanmerking komt voor een toekenning van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling. Als na afronding van de integrale herbeoordeling blijkt dat eiser in aanmerking komt voor een hogere compensatie, zal hij hiervan een nabetaling ontvangen. De integrale herbeoordeling is echter nog niet afgerond.



4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het grote aantal door verweerder te behandelen aanvragen. Onder verwijzing naar en in aansluiting op de motivering in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023 acht de rechtbank in dit geval een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak een redelijke termijn voor het doen van de vooraankondiging. Tegen de vooraankondiging kan eiser een zienswijze indienen. Na ontvangst van deze zienswijze of nadat de termijn van zes weken voor het indienen van de zienswijze ongebruikt is verstreken, heeft verweerder nog twee weken om een besluit op de aanvraag bekend te maken.



Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?

5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom moet betalen vanaf het moment dat de eerste termijn voor het nemen van een vooraankondiging wordt overschreden. Deze termijn loopt door tot op het moment dat de vooraankondiging is verzonden. Als verweerder vervolgens de tweede termijn voor het nemen van een besluit overschrijdt, loopt de dwangsom (verder) tot op het moment dat het besluit bekend is gemaakt. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.






Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.



6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 418,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;


draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een vooraankondiging aan eiser te verzenden;


draagt verweerder op binnen twee weken na ontvangst van de zienswijze of nadat de termijn van zes weken voor het indienen van de zienswijze ongebruikt is verstreken een besluit op de aanvraag aan eiser bekend te maken;


- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen op het moment dat hij (een van) de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiser;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van C.J.M. Hendrickx, griffier, op 21 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.











griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.




Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.


Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen, voorheen artikel 49, negende lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.


ECLI:NL:RBMNE:2023:1702.


ECLI:NL:RVS:2023:3208 en ECLI:NL:RVS:2023:3209.


Artikel 6.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.