Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2023:6117
2023-09-01
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
AWB- 23_4009 VV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit tot afwijzen van zijn verzoek om een last onder bestuursdwang strekkende tot het verwijderen van dampalen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:91 Raad van State 21-01-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.227 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/4009
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2023 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. drs. J.M. Lammers),
en
Gedeputeerde staten van Zeeland.
Inleiding
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit tot afwijzen van zijn verzoek om een last onder bestuursdwang strekkende tot het verwijderen van dampalen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
2. Verzoeker stelt een spoedeisend belang te hebben bij het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat hij financiële schade op zal lopen als de dampalen niet worden verwijderd.
3. Het bij wijze van voorlopige voorziening opdragen dat verweerder handhavend moet optreden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een te vergaande maatregel, die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure. Daarnaast zal het schorsen van het bestreden besluit – bestaande uit een weigering om handhavend op te treden – niet tot gevolg hebben dat de dampalen/zuilen zullen worden verwijderd. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onvoldoende (spoed)eisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft daar ook bij in aanmerking genomen dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat een financieel belang op zichzelf geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 1 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ABRvS 21 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:91, r.o. 4.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/4009
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2023 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. drs. J.M. Lammers),
en
Gedeputeerde staten van Zeeland.
Inleiding
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit tot afwijzen van zijn verzoek om een last onder bestuursdwang strekkende tot het verwijderen van dampalen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
2. Verzoeker stelt een spoedeisend belang te hebben bij het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat hij financiële schade op zal lopen als de dampalen niet worden verwijderd.
3. Het bij wijze van voorlopige voorziening opdragen dat verweerder handhavend moet optreden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een te vergaande maatregel, die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure. Daarnaast zal het schorsen van het bestreden besluit – bestaande uit een weigering om handhavend op te treden – niet tot gevolg hebben dat de dampalen/zuilen zullen worden verwijderd. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onvoldoende (spoed)eisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft daar ook bij in aanmerking genomen dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat een financieel belang op zichzelf geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 1 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ABRvS 21 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:91, r.o. 4.