Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2023:5377
2023-04-05
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/02/405629 / HA ZA 23-45
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.053 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/405629 / HA ZA 23-45
Vonnis in incident van 5 april 2023
in de zaak van
[eiseres in de hoofdzaak01]
,
wonende te [woonplaats01] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: [eiseres in de hoofdzaak01] ,
advocaat: mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
1
[gedaagde in de hoofdzaak01] ,
in persoon alsmede in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater01] ,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
verder te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak01] ,
advocaat: mr. R.A.A. Maat te Goes,
2.
[gedaagde in de hoofdzaak02]
,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verder te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak02] ,
advocaat: mr. D.A.H. Veldhof te Goes,
3.
[gedaagde in de hoofdzaak03]
,
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verder te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak03] ,
niet verschenen.
1
De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 10 januari 2023,
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde in de hoofdzaak01] ,
de conclusie van antwoord in het incident van [verweerster in het incident01] ,
de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie van [gedaagde in de hoofdzaak02] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil
In de hoofdzaak
2.1.
[eiseres in de hoofdzaak01] vordert – samengevat – de verdeling van de nalatenschap van [erflater01] , de moeder van partijen. Partijen zijn allen deelgenoot in de nalatenschap van hun moeder. Tussen partijen is een patstelling ontstaan over de verdeling van die nalatenschap zodat zij buitengerechtelijk niet tot een verdeling kunnen komen.
In het incident
2.2.
[eiser in het incident01] vordert dat hem wordt toegestaan [eiser in het incident02] en [eiser in het incident03] in vrijwaring op te roepen. [eiser in het incident01] baseert zijn vordering op de stelling dat het hem bekend is dat hij en de andere twee gedaagden andere wensen koesteren ter zake de verdeling dan de door [verweerster in het incident01] voorgestelde wijze van verdeling. [eiser in het incident01] wenst een verdeling waarbij alle deelgenoten (voor zover dat met elkaar te verenigen valt) – tegen een zakelijke waarde – de door hen gewenste onroerende zaken krijgen toebedeeld. [eiser in het incident01] wenst daartoe een eis in reconventie in te stellen. Een zodanige vordering is echter alleen toewijsbaar als alle deelgenoten in dezelfde verdeling betrokken zijn maar een vordering in reconventie richt zich niet ook tegen [eiser in het incident02] en [eiser in het incident03] . Om die reden wenst [eiser in het incident01] [eiser in het incident02] en [eiser in het incident03] in vrijwaring op te roepen.
2.3.
[verweerster in het incident01] voert verweer tegen de vordering. Zij heeft hiertoe – kort weergegeven – aangevoerd dat alle deelgenoten van de nalatenschap zijn opgeroepen en dus bij conclusie van antwoord zijn of haar wensen met betrekking tot de verdeling kenbaar kan maken. Hiervoor is geen vordering in reconventie en dus ook geen oproeping in vrijwaring nodig.
3
De beoordeling
In het incident
3.1.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat de rechtbank bij het vaststellen van een verdeling op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW niet gebonden is aan wat partijen over en weer hebben gevorderd. Als een deelgenoot het niet eens is met een door de andere deelgenoot voorgestelde verdeling is niet noodzakelijk dat een reconventionele vordering wordt ingesteld. Het voeren van verweer strekkende tot een andere wijze van verdelen dan door de eisende partij is gevorderd, is voldoende. Nu alle deelgenoten door [verweerster in het incident01] in het geding zijn betrokken, bestaat er geen noodzaak tot het instellen van een vordering in reconventie en/of het in vrijwaring oproepen van [eiser in het incident02] en [eiser in het incident03] . De vordering van [eiser in het incident01] daartoe zal dan ook worden afgewezen.
3.2.
[eiser in het incident01] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld. Aangezien [eiser in het incident01] een vordering van onbepaalde waarde heeft ingesteld, geldt daarvoor tarief II van het liquidatietarief.
In de hoofdzaak
[gedaagde in de hoofdzaak01] zal in de gelegenheid worden gesteld een conclusie van antwoord te nemen.
4
De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [eiser in het incident01] in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerster in het incident01] tot op heden begroot op € 598,00,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
17 mei 2023
voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak01] .
Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2023.
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/405629 / HA ZA 23-45
Vonnis in incident van 5 april 2023
in de zaak van
[eiseres in de hoofdzaak01]
,
wonende te [woonplaats01] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: [eiseres in de hoofdzaak01] ,
advocaat: mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
1
[gedaagde in de hoofdzaak01] ,
in persoon alsmede in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater01] ,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
verder te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak01] ,
advocaat: mr. R.A.A. Maat te Goes,
2.
[gedaagde in de hoofdzaak02]
,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verder te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak02] ,
advocaat: mr. D.A.H. Veldhof te Goes,
3.
[gedaagde in de hoofdzaak03]
,
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verder te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak03] ,
niet verschenen.
1
De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 10 januari 2023,
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde in de hoofdzaak01] ,
de conclusie van antwoord in het incident van [verweerster in het incident01] ,
de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie van [gedaagde in de hoofdzaak02] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil
In de hoofdzaak
2.1.
[eiseres in de hoofdzaak01] vordert – samengevat – de verdeling van de nalatenschap van [erflater01] , de moeder van partijen. Partijen zijn allen deelgenoot in de nalatenschap van hun moeder. Tussen partijen is een patstelling ontstaan over de verdeling van die nalatenschap zodat zij buitengerechtelijk niet tot een verdeling kunnen komen.
In het incident
2.2.
[eiser in het incident01] vordert dat hem wordt toegestaan [eiser in het incident02] en [eiser in het incident03] in vrijwaring op te roepen. [eiser in het incident01] baseert zijn vordering op de stelling dat het hem bekend is dat hij en de andere twee gedaagden andere wensen koesteren ter zake de verdeling dan de door [verweerster in het incident01] voorgestelde wijze van verdeling. [eiser in het incident01] wenst een verdeling waarbij alle deelgenoten (voor zover dat met elkaar te verenigen valt) – tegen een zakelijke waarde – de door hen gewenste onroerende zaken krijgen toebedeeld. [eiser in het incident01] wenst daartoe een eis in reconventie in te stellen. Een zodanige vordering is echter alleen toewijsbaar als alle deelgenoten in dezelfde verdeling betrokken zijn maar een vordering in reconventie richt zich niet ook tegen [eiser in het incident02] en [eiser in het incident03] . Om die reden wenst [eiser in het incident01] [eiser in het incident02] en [eiser in het incident03] in vrijwaring op te roepen.
2.3.
[verweerster in het incident01] voert verweer tegen de vordering. Zij heeft hiertoe – kort weergegeven – aangevoerd dat alle deelgenoten van de nalatenschap zijn opgeroepen en dus bij conclusie van antwoord zijn of haar wensen met betrekking tot de verdeling kenbaar kan maken. Hiervoor is geen vordering in reconventie en dus ook geen oproeping in vrijwaring nodig.
3
De beoordeling
In het incident
3.1.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat de rechtbank bij het vaststellen van een verdeling op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW niet gebonden is aan wat partijen over en weer hebben gevorderd. Als een deelgenoot het niet eens is met een door de andere deelgenoot voorgestelde verdeling is niet noodzakelijk dat een reconventionele vordering wordt ingesteld. Het voeren van verweer strekkende tot een andere wijze van verdelen dan door de eisende partij is gevorderd, is voldoende. Nu alle deelgenoten door [verweerster in het incident01] in het geding zijn betrokken, bestaat er geen noodzaak tot het instellen van een vordering in reconventie en/of het in vrijwaring oproepen van [eiser in het incident02] en [eiser in het incident03] . De vordering van [eiser in het incident01] daartoe zal dan ook worden afgewezen.
3.2.
[eiser in het incident01] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld. Aangezien [eiser in het incident01] een vordering van onbepaalde waarde heeft ingesteld, geldt daarvoor tarief II van het liquidatietarief.
In de hoofdzaak
[gedaagde in de hoofdzaak01] zal in de gelegenheid worden gesteld een conclusie van antwoord te nemen.
4
De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [eiser in het incident01] in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerster in het incident01] tot op heden begroot op € 598,00,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
17 mei 2023
voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak01] .
Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2023.