Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2022:998
2022-02-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE-21_4742_4803
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.940 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 21/4742 en 21/4803
uitspraak van 28 februari 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen
[gemachtigde] die heeft gesteld beroep het beroepschrift te hebben ingediend namens [belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Motivering
[gemachtigde] (hierna: de gesteld gemachtigde) heeft een tweede bezwaarschrift ingediend betreffende de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke Zorgverzekeringswet 2018 met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] en de bij beschikking opgelegde boete van [belanghebbende] (hierna: de belastingplichtige). Omdat er reeds uitspraak op bezwaar is gedaan, is dit tweede bezwaarschrift door de inspecteur aangemerkt als een beroepschrift en doorgezonden naar de rechtbank omdat de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen. Voor dit beroep is de belastingplichtige eenmaal griffierecht verschuldigd van € 49. De griffier heeft de gesteld gemachtigde daarover schriftelijk geïnformeerd.
De griffier heeft de gesteld gemachtigde in een aangetekende brief van 10 december 2021 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. De brief vermeldt dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen, indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van de brief is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Volgens gegevens van Track&Trace van PostNL is de brief afgeleverd op het door de gesteld gemachtigde opgegeven adres.
Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 28 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 21/4742 en 21/4803
uitspraak van 28 februari 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen
[gemachtigde] die heeft gesteld beroep het beroepschrift te hebben ingediend namens [belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Motivering
[gemachtigde] (hierna: de gesteld gemachtigde) heeft een tweede bezwaarschrift ingediend betreffende de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke Zorgverzekeringswet 2018 met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] en de bij beschikking opgelegde boete van [belanghebbende] (hierna: de belastingplichtige). Omdat er reeds uitspraak op bezwaar is gedaan, is dit tweede bezwaarschrift door de inspecteur aangemerkt als een beroepschrift en doorgezonden naar de rechtbank omdat de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen. Voor dit beroep is de belastingplichtige eenmaal griffierecht verschuldigd van € 49. De griffier heeft de gesteld gemachtigde daarover schriftelijk geïnformeerd.
De griffier heeft de gesteld gemachtigde in een aangetekende brief van 10 december 2021 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. De brief vermeldt dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen, indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van de brief is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Volgens gegevens van Track&Trace van PostNL is de brief afgeleverd op het door de gesteld gemachtigde opgegeven adres.
Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 28 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.