Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2022:557

2022-02-04 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE-21_2097
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2022-02-04
Publicatiedatum
2022-02-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE-21_2097
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze inhoud is niet voorzien van een samenvatting.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.257 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer


Locatie: Breda



Zaaknummer BRE 21/2097
uitspraak van 4 februari 2022




Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen






[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,


en




de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.




Motivering


Belanghebbende heeft een verzoek om suppletie omzetbelasting 2015 ingediend. Dit verzoek is in behandeling genomen als een bezwaar tegen de beschikkingen teruggaaf omzetbelasting eerste kwartaal 2015 tot en met het vierde kwartaal 2015 met aanslagnummer [aanslagnummer]B.01.5500. De inspecteur heeft twee beslissingen genomen naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende. Ten eerste is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Ten tweede heeft de inspecteur besloten om geen ambtshalve teruggaven te verlenen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld. De rechtbank gaat op beide beslissingen in.




Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar

De beschikkingen teruggaaf omzetbelasting hebben als dagtekening 9 mei 2015, 14 augustus 2015, 13 november 2015 en 12 februari 2016. Er zijn geen aanwijzingen dat verzending aan belanghebbende pas na die dagtekening heeft plaatsgevonden.



De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op – uitgaande van de laatste beschikking – 29 maart 2016. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ook is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.



Het bezwaarschrift is op 9 maart 2021 bij de inspecteur ontvangen. Het bezwaarschrift is daarom niet tijdig ingediend.



De wetsartikelen over bezwaartermijnen zijn dwingend van aard. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is.



Belanghebbende heeft aangevoerd dat als een gevolg van achterstanden in verband met ziekte van de vorige adviseur, deze heeft verzuimd suppletie aangiften omzetbetaling in te dienen. Daarnaast verzoekt belanghebbende de menselijke maat in acht te nemen en ondanks de termijnoverschrijding alsnog de in het verleden te veel betaalde omzetbelasting aan hem te restitueren.



De rechtbank is van oordeel dat deze redenen de overschrijding niet verschoonbaar maken. Op basis van wat is aangevoerd, kan niet worden geconcludeerd dat belanghebbende niet in staat is geweest tijdig een beroepschrift in te dienen, of een ander in te schakelen om dit namens hem te doen. Het verzuim van de vorige adviseur moet voor rekening van belanghebbende blijven. Er zijn dus geen omstandigheden komen vast te staan op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.



De rechtbank is niet bevoegd om uit coulance voorbij te gaan aan de termijnoverschrijding, aangezien – zie hiervoor – de wetsartikelen over bezwaartermijnen dwingend van aard zijn.



Het bezwaar is dan ook, gelet op de artikelen 6:7 tot en met 6:11 van de Awb, terecht niet-ontvankelijk verklaard.



Het beroep is in zoverre kennelijk ongegrond.




Ambtshalve beslissing

Voor zover het beroep is gericht tegen de beslissing van de inspecteur om niet een ambtshalve teruggaaf te verlenen, verklaart de rechtbank zich kennelijk onbevoegd. Het namelijk om een beslissing op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen. Een dergelijke beslissing is niet voor (bezwaar en) beroep vatbaar. Rechtsmiddelen kunnen worden aangewend bij de civiele rechter.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar;
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de ambtshalve beslissing.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 4 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De griffier, De rechter,






Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.