Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2021:5129
2021-10-12
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE-21_2425
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4638 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.632 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 21/2425
uitspraak van 12 oktober 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], Curaçao,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Betreft
Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a van de Awb om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.
Motivering
Belanghebbende heeft bij zijn intrekking een formulier proceskosten overgelegd. De rechtbank merkt dit aan als een verzoek om een vergoeding van proceskosten in verband met de intrekking van het beroep inzake het niet tijdig nemen van een besluit betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2016 met aanslagnummer [aanslagnummer]H.66.01. De inspecteur heeft naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van de rechtbank niet gereageerd op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank merkt op dat uitsluitend zal worden geoordeeld over de kosten in de beroepsfase betreffende het niet tijdig nemen van een besluit daar het beroep, met een ander zaaknummer, voor de inhoudelijke procedure reeds loopt.
De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding nu tijdens de beroepsprocedure wegens niet tijdig beslissen alsnog een besluit is genomen. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 374. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 0,5).
Belanghebbende heeft € 49 aan griffierecht betaald. De wet biedt niet de mogelijkheid om in deze procedure de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht. De inspecteur moet dat echter wel uit zichzelf doen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 374.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 12 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 8:55, derde lid en artikel 8:106, eerste lid Awb).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, r.o. 4.6.4.3
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 21/2425
uitspraak van 12 oktober 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], Curaçao,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Betreft
Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a van de Awb om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.
Motivering
Belanghebbende heeft bij zijn intrekking een formulier proceskosten overgelegd. De rechtbank merkt dit aan als een verzoek om een vergoeding van proceskosten in verband met de intrekking van het beroep inzake het niet tijdig nemen van een besluit betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2016 met aanslagnummer [aanslagnummer]H.66.01. De inspecteur heeft naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van de rechtbank niet gereageerd op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank merkt op dat uitsluitend zal worden geoordeeld over de kosten in de beroepsfase betreffende het niet tijdig nemen van een besluit daar het beroep, met een ander zaaknummer, voor de inhoudelijke procedure reeds loopt.
De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding nu tijdens de beroepsprocedure wegens niet tijdig beslissen alsnog een besluit is genomen. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 374. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 0,5).
Belanghebbende heeft € 49 aan griffierecht betaald. De wet biedt niet de mogelijkheid om in deze procedure de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht. De inspecteur moet dat echter wel uit zichzelf doen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 374.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 12 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 8:55, derde lid en artikel 8:106, eerste lid Awb).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, r.o. 4.6.4.3