Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9913
2026-07-29
Bestuursrecht
ROT 25/1110, 25/1128
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht. Wet hersteloperatie toeslagen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag voor de jaren 2010 en 2017 en de hoogte van de compensatie voor het jaar 2011. Volgens haar heeft de Dienst Toeslagen over 2010 en 2017 vooringenomen gehandeld en is er bij de berekening van de compensatie over 2011 van een onjuist terugvorderingsbedrag uitgegaan. Daarnaast is eiseres van mening dat de Dienst Toeslagen onvoldoende stukken heeft overgelegd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres over de jaren 2010 en 2017 terecht heeft afgewezen en de hoogte van de compensatie over 2011 juist heeft vastgesteld.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3643 Rechtbank Amsterdam 31-03-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3643 Rechtbank Amsterdam 31-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3654 Raad van State 24-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:1961 Raad van State 30-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.084 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/1110 en 25/1128
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over de jaren 2010 en 2017 en met de vastgestelde hoogte van de compensatie over het jaar 2011. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk.
Procesverloop
2. Met het besluit van 27 januari 2022 ( [kenmerknummer 1] ) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2012, 2013, 2017 en 2019 afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 28 april 2022 ( [kenmerknummer 2] ) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres op grond van de Wht voor de jaren 2011, 2014, 2015, 2016 en 2018 een compensatiebedrag van € 77.895,- toegekend.
2.2.
Eiseres heeft op 23 november 2022 tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Op 23 januari 2025 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 januari 2022 ongegrond verklaard en tegen het besluit van 28 april 2022 deels gegrond verklaard, waarbij het compensatiebedrag op € 99.022,- is vastgesteld.
2.4.
Met een brief van 8 april 2026 heeft eiseres, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, de rechtbank verzocht om het beroep kennelijk gegrond te verklaren en terug te verwijzen naar de bezwaarfase. De rechtbank heeft partijen daarop laten weten dat de zitting doorgang zal vinden.
2.5.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de besluiten van
27 januari 2022 en 28 april 2022 heeft van rechtswege betrekking op het bestreden besluit.
2.6.
Met een aanvullend besluit op bezwaar van 3 juni 2026 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2005 tot en met 2010 beoordeeld en compensatie voor die jaren afgewezen. Het beroep ziet van rechtswege mede op het besluit van 3 juni 2026.
2.7.
De Dienst Toeslagen heeft op 19 juni 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.8.
Eiseres heeft met een e-mail van 22 juni 2026 aanvullende beroepsgronden en stukken ingediend.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedag 1] 2009 en [geboortedag 2] 2014. Op
21 februari 2020 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht en heeft zij verzocht om een herbeoordeling van de toeslagjaren 2011 tot en met 2019. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres verzocht om ook de toeslagjaren 2005 tot en met 2010 te beoordelen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Aan de besluitvorming ligt, voor zover in beroep van belang, het volgende ten grondslag. Over 2010 is de kinderopvangtoeslag niet verlaagd en heeft er geen terugvordering plaatsgevonden. Eiseres heeft over dat jaar daarom geen recht op compensatie. Voor het jaar 2011 is de Dienst Toeslagen bij het berekenen van de hoogte van de compensatie uitgegaan van het bedrag van de laatste voorschotbeschikking voorafgaand aan de vooringenomen nihilbeschikking. Over 2017 is geen kinderopvangtoeslag aangevraagd, toegekend of teruggevorderd. De kosten van kinderopvang zouden dit jaar door de gemeente Barendrecht zijn gedragen. Ook over dat jaar heeft eiseres daarom geen recht op compensatie.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
5. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op de bezwaren van eiseres. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom
niet-ontvankelijk.
Wettelijk kader
6. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie die naar aanleiding van de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend, bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten.
Het beroep tegen het bestreden besluit
Heeft de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
7. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het ouderdossier is niet overgelegd, waarvan in ieder geval het zogeheten SAS-rapport en het document ‘afgehandelde zaken’ relevant zijn voor de beoordeling van het beroep. De onderliggende stukken die zien op het onderzoek naar de vermelding in de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV), het onderzoek naar het recht op een O/GS-tegemoetkoming en het onderzoek naar discriminatie zijn niet overgelegd, terwijl de rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat in ieder geval de stukken die betrekking hebben op de FSV-vermelding en de O/GS-kwalificatie op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Verder is bekend geworden dat er een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten waarin stukken kunnen zitten die voor deze zaak van belang zijn.
7.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De Dienst Toeslagen heeft de stukken over de in geschil zijnde toeslagjaren in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Aan de hand van de stukken die in het dossier zitten kunnen de vaststelling van het recht op compensatie en de berekening daarvan worden getoetst. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens haar missen, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van haar aanspraak. Anders dan eiseres stelt, zijn de O/GS-stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken. In beroep staan drie toeslagjaren ter discussie: de jaren 2010, 2011 en 2017. Over 2011 heeft eiseres reeds compensatie ontvangen. Voor zover eiseres over het jaar 2011 al een persoonlijke betalingsregeling zou zijn geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie, kan dat niet leiden tot een hogere compensatie. Een O/GS-tegemoetkoming blijft namelijk achterwege als er recht bestaat op compensatie. Over 2010 en 2017 kan eiseres geen recht hebben op een O/GS-tegemoetkoming, omdat over die jaren geen kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Eiseres kan dus ook geen persoonlijke betalingsregeling zijn geweigerd. Dat de stukken die zien op het onderzoek naar de vermelding in de FSV kan leiden tot een andere uitkomst in beroep, is evenmin gebleken. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek naar de datakluis. Door de staatssecretaris van Financiën is in een brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer toegezegd dat er zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van de Dienst Toeslagen is daaraan toegevoegd dat als bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren komt die in het voordeel van de gedupeerde ouder uitpakt, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen.
Toeslagjaar 2010
8. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen over het jaar 2010 ten onrechte geen compensatie heeft toegekend. De Dienst Toeslagen heeft namelijk vooringenomen gehandeld, omdat er geen definitieve beschikking is genomen, waardoor niet gecontroleerd kan worden of de kinderopvangtoeslag juist is berekend.
8.1.
De Dienst Toeslagen heeft erkend dat er ten onrechte geen definitieve beschikking is genomen. De herstelregelingen zijn echter niet bedoeld om fouten die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag mogelijk zijn gemaakt te herstellen. De vraag of de kinderopvangtoeslag over 2010 juist is vastgesteld ligt hier daarom niet voor. Het gaat om de vraag of de Dienst Toeslagen over het jaar 2010 vooringenomen heeft gehandeld. Uit de stukken is niet gebleken dat er over het jaar 2010 een neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden en dat als gevolg daarvan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Er is met ingang van 25 mei 2010 een bedrag van € 4.582,- aan voorschot kinderopvangtoeslag toegekend en per 1 juli 2010 is dit voorschotbedrag verhoogd naar € 7.064,-. De Dienst Toeslagen heeft dan ook terecht geconcludeerd dat over het jaar 2010 geen sprake is van vooringenomen handelen.
Toeslagjaar 2011
9. Volgens eiseres heeft de Dienst Toeslagen in de compensatieberekening over het jaar 2011 component a ten onrechte vastgesteld op € 10.580,-. De Dienst Toeslagen had component a moeten vaststellen op € 12.079,-. Dat is het bedrag dat over 2011 in totaal is teruggevorderd.
9.1.
Bij beschikking van 4 december 2010 is het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 vastgesteld op € 12.079,-. Op 14 december 2011 is het voorschotbedrag bijgesteld naar € 10.583,-. De Dienst Toeslagen heeft onweersproken gesteld dat deze verlaging het gevolg was van reguliere wijzigingen, onder meer vanwege een wijziging in het inkomen van eiseres. Vervolgens is de kinderopvangtoeslag bij beschikking van 16 mei 2013 op nihil gesteld. Deze nihilbeschikking was het gevolg van vooringenomen handelen. Dat betekent dat eiseres recht heeft op compensatie ter hoogte van het bedrag dat als gevolg van deze nihilbeschikking is teruggevorderd, vermeerderd en verminderd met de in artikel 2.3, eerste lid, van de Wht genoemde bedragen. De Dienst Toeslagen heeft daarom component a in de compensatieberekening terecht vastgesteld op € 10.580,-. Dat is immers het bedrag van de laatste voorschotbeschikking, voorafgaand aan de vooringenomen nihilbeschikking. Dat het uitgangspunt bij de hersteloperatie ‘ruimhartigheid’ is, zoal eiseres ter zitting heeft gesteld, maakt niet dat de Dienst Toeslagen eiseres ook moet compenseren voor de terugvordering van het bedrag van € 1.496,- (het verschil tussen het aanvankelijke voorschotbedrag van € 12.079,- en het latere voorschotbedrag van € 10.583,-).
Toeslagjaar 2017
10. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over het jaar 2017. De kinderopvangtoeslag is in 2017 niet automatisch gecontinueerd als gevolg van een stopzetting van de kinderopvangtoeslag in 2016. Die stopzetting was het gevolg van vooringenomen handelen.
10.1.
De Dienst Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag over 2016 per 1 april 2016 stopgezet. Die stopzetting hield verband met het feit dat de kinderen van eiseres vanaf 1 april 2016 niet meer naar de opvang gingen. Dat de kinderen van eiseres vanaf 1 april 2016 niet meer naar de opvang gingen, wordt bevestigd door het door eiseres op 15 juni 2017 ondertekende ‘Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2016’. Daarin staat dat in 2016 gebruik is gemaakt van kinderopvang van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016. De stopzetting in 2016 was dus, anders dan eiseres stelt, niet het gevolg van vooringenomen handelen. Dat er over 2016 wel compensatie is toegekend, komt omdat de Dienst Toeslagen in de primaire fasehad vastgesteld dat er over het jaar 2016 wel sprake was van vooringenomen handelen. Uit de beschouwing van de Dienst Toeslagen in bezwaar blijkt dat de Dienst Toeslagen bij nader inzien van oordeel is dat er over het jaar 2016 geen sprake is van vooringenomen handelen, maar dat eiseres door haar bezwaar niet in een nadeligere positie mag komen te verkeren. Daarom heeft de Dienst Toeslagen de conclusie dat over het jaar 2016 vooringenomen is gehandeld, in stand gehouden.
10.2.
Dat de stopzetting in 2016 feitelijk niet vooringenomen was, is van belang voor de beoordeling van het recht op compensatie over het jaar 2017. Nu de stopzetting in 2016 niet vooringenomen was, is er geen sprake van een situatie dat de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag in 2017 automatisch had moeten continueren. Dat betekent dat eiseres over 2017 een nieuwe aanvraag had moeten doen. Niet gebleken is dat eiseres voor het jaar 2017 een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Reeds daarom komt zij niet in aanmerking voor compensatie over het jaar 2017. Wat eiseres verder heeft aangevoerd ten aanzien van toeslagjaar 2017, behoeft daarom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van 7 april 2025 en het aanvullende besluit op bezwaar van 3 juni 2026 in stand blijven.
11.1.
Omdat het bestreden besluit van 7 april 2025 niet volledig was en is aangevuld met het besluit van 3 juni 2026, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. De Dienst Toeslagen moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
12. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, is niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet wel aanleiding de Dienst Toeslagen te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft immers terecht beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van het bestreden besluit. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). Voor het deelnemen aan de zitting wordt geen punt toegekend. De beroepen zijn namelijk gevoegd behandeld en voor het deelnemen aan de zitting ontvangt eiseres al een vergoeding (zie hiervoor, onder 11.1). De rechtbank hanteert bij dit soort beroepszaken een wegingsfactor van 0,5. Dit levert een proceskostenvergoeding op van € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 7 april 2025 en 3 juni 2026 ongegrond;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr.J. Nieuwstraten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Dit volgt uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikelen 2.2. en 2.3. van de Wht.
Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.
Artikel 2.6, vierde lid, van de Wht.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3654.
Uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/1110 en 25/1128
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over de jaren 2010 en 2017 en met de vastgestelde hoogte van de compensatie over het jaar 2011. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk.
Procesverloop
2. Met het besluit van 27 januari 2022 ( [kenmerknummer 1] ) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2012, 2013, 2017 en 2019 afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 28 april 2022 ( [kenmerknummer 2] ) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres op grond van de Wht voor de jaren 2011, 2014, 2015, 2016 en 2018 een compensatiebedrag van € 77.895,- toegekend.
2.2.
Eiseres heeft op 23 november 2022 tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Op 23 januari 2025 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 januari 2022 ongegrond verklaard en tegen het besluit van 28 april 2022 deels gegrond verklaard, waarbij het compensatiebedrag op € 99.022,- is vastgesteld.
2.4.
Met een brief van 8 april 2026 heeft eiseres, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, de rechtbank verzocht om het beroep kennelijk gegrond te verklaren en terug te verwijzen naar de bezwaarfase. De rechtbank heeft partijen daarop laten weten dat de zitting doorgang zal vinden.
2.5.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de besluiten van
27 januari 2022 en 28 april 2022 heeft van rechtswege betrekking op het bestreden besluit.
2.6.
Met een aanvullend besluit op bezwaar van 3 juni 2026 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2005 tot en met 2010 beoordeeld en compensatie voor die jaren afgewezen. Het beroep ziet van rechtswege mede op het besluit van 3 juni 2026.
2.7.
De Dienst Toeslagen heeft op 19 juni 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.8.
Eiseres heeft met een e-mail van 22 juni 2026 aanvullende beroepsgronden en stukken ingediend.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedag 1] 2009 en [geboortedag 2] 2014. Op
21 februari 2020 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht en heeft zij verzocht om een herbeoordeling van de toeslagjaren 2011 tot en met 2019. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres verzocht om ook de toeslagjaren 2005 tot en met 2010 te beoordelen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Aan de besluitvorming ligt, voor zover in beroep van belang, het volgende ten grondslag. Over 2010 is de kinderopvangtoeslag niet verlaagd en heeft er geen terugvordering plaatsgevonden. Eiseres heeft over dat jaar daarom geen recht op compensatie. Voor het jaar 2011 is de Dienst Toeslagen bij het berekenen van de hoogte van de compensatie uitgegaan van het bedrag van de laatste voorschotbeschikking voorafgaand aan de vooringenomen nihilbeschikking. Over 2017 is geen kinderopvangtoeslag aangevraagd, toegekend of teruggevorderd. De kosten van kinderopvang zouden dit jaar door de gemeente Barendrecht zijn gedragen. Ook over dat jaar heeft eiseres daarom geen recht op compensatie.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
5. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op de bezwaren van eiseres. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom
niet-ontvankelijk.
Wettelijk kader
6. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie die naar aanleiding van de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend, bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten.
Het beroep tegen het bestreden besluit
Heeft de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
7. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het ouderdossier is niet overgelegd, waarvan in ieder geval het zogeheten SAS-rapport en het document ‘afgehandelde zaken’ relevant zijn voor de beoordeling van het beroep. De onderliggende stukken die zien op het onderzoek naar de vermelding in de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV), het onderzoek naar het recht op een O/GS-tegemoetkoming en het onderzoek naar discriminatie zijn niet overgelegd, terwijl de rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat in ieder geval de stukken die betrekking hebben op de FSV-vermelding en de O/GS-kwalificatie op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Verder is bekend geworden dat er een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten waarin stukken kunnen zitten die voor deze zaak van belang zijn.
7.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De Dienst Toeslagen heeft de stukken over de in geschil zijnde toeslagjaren in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Aan de hand van de stukken die in het dossier zitten kunnen de vaststelling van het recht op compensatie en de berekening daarvan worden getoetst. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens haar missen, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van haar aanspraak. Anders dan eiseres stelt, zijn de O/GS-stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken. In beroep staan drie toeslagjaren ter discussie: de jaren 2010, 2011 en 2017. Over 2011 heeft eiseres reeds compensatie ontvangen. Voor zover eiseres over het jaar 2011 al een persoonlijke betalingsregeling zou zijn geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie, kan dat niet leiden tot een hogere compensatie. Een O/GS-tegemoetkoming blijft namelijk achterwege als er recht bestaat op compensatie. Over 2010 en 2017 kan eiseres geen recht hebben op een O/GS-tegemoetkoming, omdat over die jaren geen kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Eiseres kan dus ook geen persoonlijke betalingsregeling zijn geweigerd. Dat de stukken die zien op het onderzoek naar de vermelding in de FSV kan leiden tot een andere uitkomst in beroep, is evenmin gebleken. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek naar de datakluis. Door de staatssecretaris van Financiën is in een brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer toegezegd dat er zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van de Dienst Toeslagen is daaraan toegevoegd dat als bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren komt die in het voordeel van de gedupeerde ouder uitpakt, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen.
Toeslagjaar 2010
8. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen over het jaar 2010 ten onrechte geen compensatie heeft toegekend. De Dienst Toeslagen heeft namelijk vooringenomen gehandeld, omdat er geen definitieve beschikking is genomen, waardoor niet gecontroleerd kan worden of de kinderopvangtoeslag juist is berekend.
8.1.
De Dienst Toeslagen heeft erkend dat er ten onrechte geen definitieve beschikking is genomen. De herstelregelingen zijn echter niet bedoeld om fouten die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag mogelijk zijn gemaakt te herstellen. De vraag of de kinderopvangtoeslag over 2010 juist is vastgesteld ligt hier daarom niet voor. Het gaat om de vraag of de Dienst Toeslagen over het jaar 2010 vooringenomen heeft gehandeld. Uit de stukken is niet gebleken dat er over het jaar 2010 een neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden en dat als gevolg daarvan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Er is met ingang van 25 mei 2010 een bedrag van € 4.582,- aan voorschot kinderopvangtoeslag toegekend en per 1 juli 2010 is dit voorschotbedrag verhoogd naar € 7.064,-. De Dienst Toeslagen heeft dan ook terecht geconcludeerd dat over het jaar 2010 geen sprake is van vooringenomen handelen.
Toeslagjaar 2011
9. Volgens eiseres heeft de Dienst Toeslagen in de compensatieberekening over het jaar 2011 component a ten onrechte vastgesteld op € 10.580,-. De Dienst Toeslagen had component a moeten vaststellen op € 12.079,-. Dat is het bedrag dat over 2011 in totaal is teruggevorderd.
9.1.
Bij beschikking van 4 december 2010 is het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 vastgesteld op € 12.079,-. Op 14 december 2011 is het voorschotbedrag bijgesteld naar € 10.583,-. De Dienst Toeslagen heeft onweersproken gesteld dat deze verlaging het gevolg was van reguliere wijzigingen, onder meer vanwege een wijziging in het inkomen van eiseres. Vervolgens is de kinderopvangtoeslag bij beschikking van 16 mei 2013 op nihil gesteld. Deze nihilbeschikking was het gevolg van vooringenomen handelen. Dat betekent dat eiseres recht heeft op compensatie ter hoogte van het bedrag dat als gevolg van deze nihilbeschikking is teruggevorderd, vermeerderd en verminderd met de in artikel 2.3, eerste lid, van de Wht genoemde bedragen. De Dienst Toeslagen heeft daarom component a in de compensatieberekening terecht vastgesteld op € 10.580,-. Dat is immers het bedrag van de laatste voorschotbeschikking, voorafgaand aan de vooringenomen nihilbeschikking. Dat het uitgangspunt bij de hersteloperatie ‘ruimhartigheid’ is, zoal eiseres ter zitting heeft gesteld, maakt niet dat de Dienst Toeslagen eiseres ook moet compenseren voor de terugvordering van het bedrag van € 1.496,- (het verschil tussen het aanvankelijke voorschotbedrag van € 12.079,- en het latere voorschotbedrag van € 10.583,-).
Toeslagjaar 2017
10. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over het jaar 2017. De kinderopvangtoeslag is in 2017 niet automatisch gecontinueerd als gevolg van een stopzetting van de kinderopvangtoeslag in 2016. Die stopzetting was het gevolg van vooringenomen handelen.
10.1.
De Dienst Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag over 2016 per 1 april 2016 stopgezet. Die stopzetting hield verband met het feit dat de kinderen van eiseres vanaf 1 april 2016 niet meer naar de opvang gingen. Dat de kinderen van eiseres vanaf 1 april 2016 niet meer naar de opvang gingen, wordt bevestigd door het door eiseres op 15 juni 2017 ondertekende ‘Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2016’. Daarin staat dat in 2016 gebruik is gemaakt van kinderopvang van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016. De stopzetting in 2016 was dus, anders dan eiseres stelt, niet het gevolg van vooringenomen handelen. Dat er over 2016 wel compensatie is toegekend, komt omdat de Dienst Toeslagen in de primaire fasehad vastgesteld dat er over het jaar 2016 wel sprake was van vooringenomen handelen. Uit de beschouwing van de Dienst Toeslagen in bezwaar blijkt dat de Dienst Toeslagen bij nader inzien van oordeel is dat er over het jaar 2016 geen sprake is van vooringenomen handelen, maar dat eiseres door haar bezwaar niet in een nadeligere positie mag komen te verkeren. Daarom heeft de Dienst Toeslagen de conclusie dat over het jaar 2016 vooringenomen is gehandeld, in stand gehouden.
10.2.
Dat de stopzetting in 2016 feitelijk niet vooringenomen was, is van belang voor de beoordeling van het recht op compensatie over het jaar 2017. Nu de stopzetting in 2016 niet vooringenomen was, is er geen sprake van een situatie dat de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag in 2017 automatisch had moeten continueren. Dat betekent dat eiseres over 2017 een nieuwe aanvraag had moeten doen. Niet gebleken is dat eiseres voor het jaar 2017 een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Reeds daarom komt zij niet in aanmerking voor compensatie over het jaar 2017. Wat eiseres verder heeft aangevoerd ten aanzien van toeslagjaar 2017, behoeft daarom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van 7 april 2025 en het aanvullende besluit op bezwaar van 3 juni 2026 in stand blijven.
11.1.
Omdat het bestreden besluit van 7 april 2025 niet volledig was en is aangevuld met het besluit van 3 juni 2026, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. De Dienst Toeslagen moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
12. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, is niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet wel aanleiding de Dienst Toeslagen te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft immers terecht beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van het bestreden besluit. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). Voor het deelnemen aan de zitting wordt geen punt toegekend. De beroepen zijn namelijk gevoegd behandeld en voor het deelnemen aan de zitting ontvangt eiseres al een vergoeding (zie hiervoor, onder 11.1). De rechtbank hanteert bij dit soort beroepszaken een wegingsfactor van 0,5. Dit levert een proceskostenvergoeding op van € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 7 april 2025 en 3 juni 2026 ongegrond;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr.J. Nieuwstraten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Dit volgt uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikelen 2.2. en 2.3. van de Wht.
Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.
Artikel 2.6, vierde lid, van de Wht.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3654.
Uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.