Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9877
2026-07-31
Bestuursrecht
ROT 25/3634
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser heeft compensatie ontvangen maar is het niet eens met de hoogte van de compensatie en stelt dat er stukken ontbreken. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor de maanden november en december 2009, omdat de Dienst Toeslagen niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Het beroep is daarom gegrond. Voor het overige heeft de Dienst Toeslagen de compensatie juist vastgesteld en zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3643 Rechtbank Amsterdam 31-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:571 Hoge Raad 10-04-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:2864 Raad van State 02-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.884 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3634
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser heeft compensatie ontvangen, maar is het niet eens met de hoogte daarvan. Daarnaast stelt hij dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor de maanden november en december 2009, omdat de Dienst Toeslagen niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Het beroep is daarom gegrond. Voor het overige heeft de Dienst Toeslagen de compensatie juist vastgesteld en zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres compensatie toegekend op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 14 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 januari 2023 gegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiser heeft op 8 april 2026 en 13 mei 2026 nadere gronden ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
2.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht op een nadere zitting te worden gehoord, verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft twee kinderen, geboren op [geboortedag 1] 2005 en [geboortedag 2] 2008. Hij heeft op 3 oktober 2020 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 6 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de toeslagjaren 2008 en 2009 beoordeeld en vastgesteld dat ten aanzien van eiser sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Op grond daarvan is aan eiser een compensatiebedrag van € 74.680,- toegekend. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag verhoogd naar € 97.004,-. Voor het toeslagjaar 2009 is compensatie toegekend voor de maanden januari tot en met oktober. Voor de maanden november en december is geen compensatie toegekend, omdat volgens de Dienst Toeslagen voor die periode evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond als gevolg van een door eiser per 12 oktober 2009 doorgegeven stopzetting van de kinderopvangtoeslag. Daarnaast is in het bestreden besluit een hogere vergoeding voor juridische bijstand en een hogere rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag toegekend. Als gevolg daarvan is ook de immateriële schadevergoeding verhoogd.
Wettelijk kader
5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind in het geheel geen opvang heeft genoten. De compensatie die tijdens de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten. Verder kan de Dienst Toeslagen een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) toekennen aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. De O/GS-tegemoetkoming blijft achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht over hetzelfde berekeningsjaar.
Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
6. Eiser stelt dat hij niet kan controleren of het bestreden besluit op juiste gronden is genomen, omdat hij niet over alle relevante gegevens beschikt. Hij voert aan dat de stukken die zien op het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie en de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de Dienst Toeslagen overgelegd hadden moeten worden. Hij verwijst daarvoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Daarnaast stelt eiser dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft nagelaten het SAS-rapport, documenten uit de recent ontdekte datakluis en het document ‘afgehandelde zaken’ over te leggen. Eiser beroept zich op een arrest van de Hoge Raad, waaruit volgens hem volgt dat de Dienst Toeslagen gehouden is alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.
6.1.
Hoewel op zichzelf begrijpelijk is dat eiser zoveel mogelijk inzicht wenst in wat er is gebeurd en daarom graag inzage heeft in zoveel mogelijk stukken die op hem betrekking hebben, moet de rechtbank deze beroepsgrond toetsen aan de maatstaf van artikel 8:42 van de Awb. Op grond van dat artikel is de Dienst Toeslagen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Deze procedure heeft betrekking op de compensatie in het kader van de integrale beoordeling. De juistheid van de compensatieberekening moet kunnen worden getoetst als die in geschil is. De Dienst Toeslagen moet daarom de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de compensatieberekening aan de bestuursrechter overleggen.
6.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de compensatieberekening, ontbreken. De rechtbank licht dat toe.
6.2.1.
De Dienst Toeslagen heeft de stukken over de toeslagjaren 2008 en 2009 in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Aan de hand van de stukken die in het dossier zitten kan de juistheid van de compensatieberekening worden getoetst. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens hem missen, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van zijn aanspraak.
6.2.2.
Het door eiser genoemde arrest van de Hoge Raad leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak stond vast dat het bestuursorgaan niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd en spitste het geschil zich toe op de vraag of het hof op grond van artikel 8:31 van de Awb aan die schending voorbij mocht gaan. Dat is een andere rechtsvraag dan die in deze zaak aan de orde is.
6.2.3.
Ten aanzien van de stukken die zien op de O/GS-beoordeling en de FSV-registratie overweegt de rechtbank het volgende. Voor alle toeslagjaren waarvoor eiser compensatie heeft aangevraagd, is compensatie toegekend vanwege vooringenomenheid. Zoals onder 5 is beschreven, blijft de O/GS-tegemoetkoming achterwege indien voor hetzelfde berekeningsjaar recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht. De vraag of aan eiser een O/GS-tegemoetkoming toekomt kan dus niet tot een andere uitkomst leiden. Stukken die uitsluitend zien op de O/GS-beoordeling zijn om die reden geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Ook de stukken met betrekking tot de FSV-registratie kunnen niet tot een hogere compensatie leiden en zijn daarom evenmin op de zaak betrekking hebbende stukken.
6.2.4.
Wat betreft de datakluis is ter zitting besproken dat er op dit moment nog geen duidelijkheid is over de aard van de stukken in de datakluis en dat het onderzoek daarnaar nog loopt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden, nu door de staatssecretaris van Financiën in een brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat er zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van de Dienst Toeslagen is daaraan toegevoegd dat als bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren komt die in het voordeel van de gedupeerde ouder uitpakt, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen.
Had eiser evident geen recht op kinderopvangtoeslag over de maanden november en december 2009?
7. Eiser voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft aangenomen dat voor de maanden november en december 2009 sprake was van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Volgens eiser is de stopzetting van de kinderopvangtoeslag (per 12 oktober 2009) waarop de Dienst Toeslagen zich baseert niet door hem gedaan.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt. De Dienst Toeslagen heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiser in de maanden november en december 2009 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Aan het standpunt dat voor deze maanden evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, heeft de Dienst Toeslagen uitsluitend ten grondslag gelegd dat eiser de kinderopvangtoeslag per 12 oktober 2009 zelf zou hebben stopgezet. Ter onderbouwing daarvan heeft de Dienst Toeslagen eerst na de zitting een XML-bestand overgelegd. Uit dat bestand blijkt volgens de toelichting van de Dienst Toeslagen dat de stopzetting niet door een medewerker van de Dienst Toeslagen is verwerkt, omdat de gebruikelijke medewerkerscode ontbreekt. Eiser heeft echter betwist dat hij zelf de stopzetting heeft doorgegeven. De rechtbank stelt vast dat uit het XML-bestand geen gegevens blijken die de stopzetting tot eiser herleiden. De Dienst Toeslagen heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de stopzetting door eiser is verricht. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het dossier volgt dat de toeslag op 15 september 2009 – en dus een kleine maand voor de stopzetting – is ‘aangepast op basis van fraude-onderzoek’. Niet kan worden uitgesloten dat de stopzetting verband hield met het fraudeonderzoek. Nu de Dienst Toeslagen niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de stopzetting zelf heeft verricht, heeft hij ook niet aannemelijk gemaakt dat voor de maanden november en december 2009 evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. De Dienst Toeslagen heeft deze maanden dan ook ten onrechte buiten de compensatieberekening gelaten.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de compensatie juist vastgesteld?
8. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen de hoogte van de compensatie onjuist heeft vastgesteld. Bij de berekening van de compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 is de Dienst Toeslagen ten onrechte uitgegaan van de voorschotbedragen zoals die waren vastgesteld voorafgaand aan de vooringenomen neerwaartse correcties. Volgens eiser had moeten worden uitgegaan van het bedrag waarop hij daadwerkelijk recht had.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 2.2, onder a, van de Wht bepaalt, voor zover relevant, dat de compensatie bestaat uit (i) een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of (ii) het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Artikel 2.3, eerste lid, van de Wht bepaalt vervolgens dat het bedrag aan compensatie gelijk is aan (i) het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of (ii) het bedrag dat als gevolg van de beschikking is teruggevorderd. In zowel 2008 als 2009 deed de situatie zich voor dat een voorschotverlening is beëindigd (situatie ii uit artikel 2.2, onder a, van de Wht) en het voorschotbedrag vervolgens is teruggevorderd. Dat betekent dat de compensatie gelijk is aan het bedrag dat is teruggevorderd (berekeningswijze ii uit artikel 2.3, eerste lid, van de Wht). Dat betekent dat de compensatie gelijk is aan het bedrag dat is teruggevorderd (berekeningswijze ii uit artikel 2.3, eerste lid, van de Wht). De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht als uitgangspunt genomen de voorschotbedragen zoals die waren vastgesteld voorafgaand aan de vooringenomen neerwaartse correcties. Dat neemt echter niet weg dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft aangenomen dat voor de maanden november en december 2009 evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, zodat ook die maanden bij de compensatieberekening moeten worden betrokken (zoals de rechtbank in 7.1. heeft overwogen). Indien eiser van mening is dat de werkelijke geleden schade hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met het zevende lid, van de Wht, staat voor hem de mogelijkheid open om op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht te verzoeken om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Heeft de Dienst Toeslagen het besluit voldoende gemotiveerd?
9. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de hoogte van de compensatie voor invorderingskosten, invorderingsrente en juridische hulp is vastgesteld.
9.1.
De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie. Op grond van artikel 3:49 van de Awb mag een bestuursorgaan ter motivering volstaan met een verwijzing naar een advies dat de motivering bevat. Daarvan is hier sprake. De commissie heeft per component en per toeslagjaar uiteengezet hoe de bedragen zijn vastgesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die motivering onjuist of ontoereikend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, tweede lid, van de Wht en kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de berekening van de hoogte van de compensatie te ingewikkeld is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de afwijzing van compensatie betreft over de periode van november tot en met december 2009 en de Dienst Toeslagen opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 7.1. is overwogen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van zes weken.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de maanden november en december 2009;
draagt de Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 35 151, nr. 3, p. 72.
Artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
Artikel 2.6, vierde lid, van de Wht.
Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:571.
ABRvS 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864, r.o. 11.2.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3634
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser heeft compensatie ontvangen, maar is het niet eens met de hoogte daarvan. Daarnaast stelt hij dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor de maanden november en december 2009, omdat de Dienst Toeslagen niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Het beroep is daarom gegrond. Voor het overige heeft de Dienst Toeslagen de compensatie juist vastgesteld en zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres compensatie toegekend op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 14 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 januari 2023 gegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiser heeft op 8 april 2026 en 13 mei 2026 nadere gronden ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
2.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht op een nadere zitting te worden gehoord, verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft twee kinderen, geboren op [geboortedag 1] 2005 en [geboortedag 2] 2008. Hij heeft op 3 oktober 2020 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 6 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de toeslagjaren 2008 en 2009 beoordeeld en vastgesteld dat ten aanzien van eiser sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Op grond daarvan is aan eiser een compensatiebedrag van € 74.680,- toegekend. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag verhoogd naar € 97.004,-. Voor het toeslagjaar 2009 is compensatie toegekend voor de maanden januari tot en met oktober. Voor de maanden november en december is geen compensatie toegekend, omdat volgens de Dienst Toeslagen voor die periode evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond als gevolg van een door eiser per 12 oktober 2009 doorgegeven stopzetting van de kinderopvangtoeslag. Daarnaast is in het bestreden besluit een hogere vergoeding voor juridische bijstand en een hogere rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag toegekend. Als gevolg daarvan is ook de immateriële schadevergoeding verhoogd.
Wettelijk kader
5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind in het geheel geen opvang heeft genoten. De compensatie die tijdens de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten. Verder kan de Dienst Toeslagen een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) toekennen aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. De O/GS-tegemoetkoming blijft achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht over hetzelfde berekeningsjaar.
Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
6. Eiser stelt dat hij niet kan controleren of het bestreden besluit op juiste gronden is genomen, omdat hij niet over alle relevante gegevens beschikt. Hij voert aan dat de stukken die zien op het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie en de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de Dienst Toeslagen overgelegd hadden moeten worden. Hij verwijst daarvoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Daarnaast stelt eiser dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft nagelaten het SAS-rapport, documenten uit de recent ontdekte datakluis en het document ‘afgehandelde zaken’ over te leggen. Eiser beroept zich op een arrest van de Hoge Raad, waaruit volgens hem volgt dat de Dienst Toeslagen gehouden is alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.
6.1.
Hoewel op zichzelf begrijpelijk is dat eiser zoveel mogelijk inzicht wenst in wat er is gebeurd en daarom graag inzage heeft in zoveel mogelijk stukken die op hem betrekking hebben, moet de rechtbank deze beroepsgrond toetsen aan de maatstaf van artikel 8:42 van de Awb. Op grond van dat artikel is de Dienst Toeslagen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Deze procedure heeft betrekking op de compensatie in het kader van de integrale beoordeling. De juistheid van de compensatieberekening moet kunnen worden getoetst als die in geschil is. De Dienst Toeslagen moet daarom de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de compensatieberekening aan de bestuursrechter overleggen.
6.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de compensatieberekening, ontbreken. De rechtbank licht dat toe.
6.2.1.
De Dienst Toeslagen heeft de stukken over de toeslagjaren 2008 en 2009 in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Aan de hand van de stukken die in het dossier zitten kan de juistheid van de compensatieberekening worden getoetst. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens hem missen, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van zijn aanspraak.
6.2.2.
Het door eiser genoemde arrest van de Hoge Raad leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak stond vast dat het bestuursorgaan niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd en spitste het geschil zich toe op de vraag of het hof op grond van artikel 8:31 van de Awb aan die schending voorbij mocht gaan. Dat is een andere rechtsvraag dan die in deze zaak aan de orde is.
6.2.3.
Ten aanzien van de stukken die zien op de O/GS-beoordeling en de FSV-registratie overweegt de rechtbank het volgende. Voor alle toeslagjaren waarvoor eiser compensatie heeft aangevraagd, is compensatie toegekend vanwege vooringenomenheid. Zoals onder 5 is beschreven, blijft de O/GS-tegemoetkoming achterwege indien voor hetzelfde berekeningsjaar recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht. De vraag of aan eiser een O/GS-tegemoetkoming toekomt kan dus niet tot een andere uitkomst leiden. Stukken die uitsluitend zien op de O/GS-beoordeling zijn om die reden geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Ook de stukken met betrekking tot de FSV-registratie kunnen niet tot een hogere compensatie leiden en zijn daarom evenmin op de zaak betrekking hebbende stukken.
6.2.4.
Wat betreft de datakluis is ter zitting besproken dat er op dit moment nog geen duidelijkheid is over de aard van de stukken in de datakluis en dat het onderzoek daarnaar nog loopt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden, nu door de staatssecretaris van Financiën in een brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat er zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van de Dienst Toeslagen is daaraan toegevoegd dat als bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren komt die in het voordeel van de gedupeerde ouder uitpakt, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen.
Had eiser evident geen recht op kinderopvangtoeslag over de maanden november en december 2009?
7. Eiser voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft aangenomen dat voor de maanden november en december 2009 sprake was van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Volgens eiser is de stopzetting van de kinderopvangtoeslag (per 12 oktober 2009) waarop de Dienst Toeslagen zich baseert niet door hem gedaan.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt. De Dienst Toeslagen heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiser in de maanden november en december 2009 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Aan het standpunt dat voor deze maanden evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, heeft de Dienst Toeslagen uitsluitend ten grondslag gelegd dat eiser de kinderopvangtoeslag per 12 oktober 2009 zelf zou hebben stopgezet. Ter onderbouwing daarvan heeft de Dienst Toeslagen eerst na de zitting een XML-bestand overgelegd. Uit dat bestand blijkt volgens de toelichting van de Dienst Toeslagen dat de stopzetting niet door een medewerker van de Dienst Toeslagen is verwerkt, omdat de gebruikelijke medewerkerscode ontbreekt. Eiser heeft echter betwist dat hij zelf de stopzetting heeft doorgegeven. De rechtbank stelt vast dat uit het XML-bestand geen gegevens blijken die de stopzetting tot eiser herleiden. De Dienst Toeslagen heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de stopzetting door eiser is verricht. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het dossier volgt dat de toeslag op 15 september 2009 – en dus een kleine maand voor de stopzetting – is ‘aangepast op basis van fraude-onderzoek’. Niet kan worden uitgesloten dat de stopzetting verband hield met het fraudeonderzoek. Nu de Dienst Toeslagen niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de stopzetting zelf heeft verricht, heeft hij ook niet aannemelijk gemaakt dat voor de maanden november en december 2009 evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. De Dienst Toeslagen heeft deze maanden dan ook ten onrechte buiten de compensatieberekening gelaten.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de compensatie juist vastgesteld?
8. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen de hoogte van de compensatie onjuist heeft vastgesteld. Bij de berekening van de compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 is de Dienst Toeslagen ten onrechte uitgegaan van de voorschotbedragen zoals die waren vastgesteld voorafgaand aan de vooringenomen neerwaartse correcties. Volgens eiser had moeten worden uitgegaan van het bedrag waarop hij daadwerkelijk recht had.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 2.2, onder a, van de Wht bepaalt, voor zover relevant, dat de compensatie bestaat uit (i) een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of (ii) het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Artikel 2.3, eerste lid, van de Wht bepaalt vervolgens dat het bedrag aan compensatie gelijk is aan (i) het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of (ii) het bedrag dat als gevolg van de beschikking is teruggevorderd. In zowel 2008 als 2009 deed de situatie zich voor dat een voorschotverlening is beëindigd (situatie ii uit artikel 2.2, onder a, van de Wht) en het voorschotbedrag vervolgens is teruggevorderd. Dat betekent dat de compensatie gelijk is aan het bedrag dat is teruggevorderd (berekeningswijze ii uit artikel 2.3, eerste lid, van de Wht). Dat betekent dat de compensatie gelijk is aan het bedrag dat is teruggevorderd (berekeningswijze ii uit artikel 2.3, eerste lid, van de Wht). De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht als uitgangspunt genomen de voorschotbedragen zoals die waren vastgesteld voorafgaand aan de vooringenomen neerwaartse correcties. Dat neemt echter niet weg dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft aangenomen dat voor de maanden november en december 2009 evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, zodat ook die maanden bij de compensatieberekening moeten worden betrokken (zoals de rechtbank in 7.1. heeft overwogen). Indien eiser van mening is dat de werkelijke geleden schade hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met het zevende lid, van de Wht, staat voor hem de mogelijkheid open om op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht te verzoeken om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Heeft de Dienst Toeslagen het besluit voldoende gemotiveerd?
9. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de hoogte van de compensatie voor invorderingskosten, invorderingsrente en juridische hulp is vastgesteld.
9.1.
De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie. Op grond van artikel 3:49 van de Awb mag een bestuursorgaan ter motivering volstaan met een verwijzing naar een advies dat de motivering bevat. Daarvan is hier sprake. De commissie heeft per component en per toeslagjaar uiteengezet hoe de bedragen zijn vastgesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die motivering onjuist of ontoereikend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, tweede lid, van de Wht en kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de berekening van de hoogte van de compensatie te ingewikkeld is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de afwijzing van compensatie betreft over de periode van november tot en met december 2009 en de Dienst Toeslagen opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 7.1. is overwogen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van zes weken.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de maanden november en december 2009;
draagt de Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 35 151, nr. 3, p. 72.
Artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
Artikel 2.6, vierde lid, van de Wht.
Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.
Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:571.
ABRvS 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864, r.o. 11.2.