Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9818

2026-07-21 Bestuursrecht ROT 24/11426
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 24/11426
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Woo (artikel 5, tweede lid aanhef onder e en i en artikel 5.2). Niet beschikken over informatie of niet aanwezig zijn van informatie. Er is sprake van onzorgvuldige besluitvorming voor een aantal documenten. Verweerder zal voor die documenten een nieuw besluit met in achtneming van deze uitspraak moeten nemen. Voor het overige is het beroep ongegrond. Zie ook: ECLI:NL:RBROT:2024:9748

Citeert (16)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (41.118 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 24/11426


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.K.W. van Kampen),


en




de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC),
(gemachtigde: mr. E. Dans).





Inleiding en procesverloop


1. Deze procedure is begonnen met een verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) van 17 april 2023. Erasmus MC heeft bij twee deelbesluiten op dit verzoek beslist. Deze zaak gaat alleen over het eerste deelbesluit (deelbesluit I) dat aan eiser is toegezonden op 5 juni 2023.



1.1.
Bij deelbesluit I heeft Erasmus MC beslist op (punten 1 tot en met 14 van) het Woo-verzoek en het verzoek tot openbaarmaking integraal geweigerd. Het bezwaar van eiser tegen dit deelbesluit I is bij besluit van 3 november 2023 ongegrond verklaard. Het door eiser daartegen ingestelde beroep (bij de rechtbank geregistreerd met het procedurenummer ROT 24/719) is bij uitspraak van 25 september 2024 gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 3 november 2023 is vernietigd en Erasmus MC is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van de uitspraak.



1.2.
Eiser heeft op 12 december 2024 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een nieuwe beslissing op zijn bezwaar.



1.3.
Op 12 februari 2025 heeft Erasmus MC alsnog opnieuw op het bezwaar van eiser beslist. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit.



1.4.
Op 26 maart 2025 heeft eiser zijn gronden tegen het besluit van 12 februari 2025 (bestreden besluit) ingediend.



1.5.
Erasmus MC heeft bij besluit van 26 november 2025 het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat alsnog gedeeltelijke openbaarmaking van één document heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit.



1.6.
Erasmus MC heeft de stukken waar het verzoek om openbaarmaking op ziet in een gelakte en in een ongelakte versie aan de rechtbank overgelegd met het verzoek om voor de ongelakte versie toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb, neemt alleen de rechtbank kennis van de ongelakte versie van deze documenten.



1.7.
Erasmus MC heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en [gemachtigde] .



Totstandkoming van en inhoud van het bestreden besluit zoals gewijzigd bij het besluit van 26 november 2025




2. Eiser was als [functie] werkzaam bij Erasmus MC. Bij beschikking van 1 maart 2023 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen eiser en Erasmus MC ontbonden wegens verwijtbaar handelen van eiser. Eiser is daarbij verweten het integriteitsbeleid van Erasmus MC te hebben geschonden door over een tijdvak van meerdere jaren met verschillende studenten en/of ondergeschikten uit zijn werkomgeving relaties aan te gaan, zonder hiervan melding te doen aan zijn leidinggevende.




2.1.
Op 17 april 2023, heeft eiser met een beroep op de Woo verzocht om verstrekking van alle documenten waarover Erasmus MC beschikt inzake, kort samengevat, alles wat betrekking heeft op de meldingen over eiser, het integriteitsonderzoek en het arbeidsrechtelijke traject en de totstandkoming van het integriteitsbeleid. Daarop is bij deelbesluit I beslist.



2.2.
Bij beschikking van 19 december 2023 heeft het gerechtshof Den Haag een verzoek van eiser afgewezen om afschrift van of inzage in bescheiden die betrekking hebben op de meldingen die over hem zijn gedaan, de integriteitsonderzoeken die naar aanleiding daarvan zijn verricht en de besluitvorming die daarover heeft plaatsgevonden.



2.3.
Het tegen de besluiten (waaronder deelbesluit I) van Erasmus MC gemaakte bezwaar en vervolgens beroep heeft uiteindelijk – zoals blijkt uit 1.1. van deze uitspraak – geleid tot de vernietiging van de beslissing op bezwaar van 3 november 2023 waarbij de rechtbank Erasmus MC heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarin Erasmus MC in beginsel per document of onderdeel van een document moet beoordelen of er uitzonderingsgronden van toepassing zijn die aan het openbaar maken van de documenten of onderdelen daarvan in de weg staan. Erasmus MC heeft vervolgens het bestreden besluit zoals gewijzigd bij besluit van 26 november 2026 genomen (gewijzigd bestreden besluit).



Inhoud gewijzigd bestreden besluit




2.4.
Voor een deel van de gevraagde informatie stelt Erasmus MC dat hij daarover niet beschikt of dat de informatie niet beschikbaar is. Voor de documenten die bij de zoekslag zijn gevonden heeft Erasmus MC de onder 2.3 beschreven beoordeling gedaan en de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid aanhef onder e en/of artikel 5.1, tweede lid aanhef onder i en/of artikel 5.2 van de Woo van toepassing geacht en besloten dat de in die artikelen beschreven belangen zwaarder wegen dat het algemeen belang van openbaarheid. Erasmus MC heeft besloten tot openbaarmaking van een deel van de gevraagde documenten waaronder ook gedeeltelijk (want voor een aantal passages heeft hij artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en onder f van de Woo van toepassing geacht) de opdrachtbevestiging aan het onderzoeksbureau. Erasmus MC heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Erasmus MC heeft daarbij ook de documenten waarbij na toepassing van de weigeringsgronden uit de Woo geen zelfstandig leesbaar deel van de tekst overblijft, (gelakt) verstrekt.




Beoordeling door de rechtbank



Beroep niet-tijdig beslissen


3. Erasmus MC heeft inmiddels opnieuw besloten op het bezwaarschrift van eiser. Daarmee is het procesbelang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift komen te vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk. Voor zover eiser heeft verzocht te bepalen dat Erasmus MC een dwangsom heeft verbeurd wegens niet-tijdig beslissen, leidt dat niet tot een ander oordeel. De dwangsomregeling uit de Awb is op grond van artikel 8.2 van de Woo niet van toepassing op Woo-verzoeken en daarmee samenhangende beslissingen op bezwaar. Wel ziet de rechtbank aanleiding om Erasmus MC in de proceskosten van eiser van het ingestelde beroep niet-tijdig beslissen te veroordelen, omdat hij na de uitspraak van 25 september 2024 te laat op het bezwaarschrift heeft beslist.



Beroep gewijzigd bestreden besluit


4. Bij de beoordeling van het beroep heeft de rechtbank kennis genomen van de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken.

5. Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de rechtbank naar de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

6. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de door eiser ingediende gronden van beroep of het bestreden besluit zoals gewijzigd bij besluit van 26 november 2026 in stand kan blijven.

7. Eiser stelt dat alles wat in de bezwaarprocedure en de eerdere beroepsprocedure bij de rechtbank (ROT 24 /719) naar voren is gebracht, als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Voor zover eiser volstaat met het verwijzen naar zijn eerder ingenomen standpunten in bezwaar, levert dit geen grond op waarop de bestuursrechter dient in te gaan nu door eiser niet is aangegeven dat en waarom Erasmus MC daar niet of onvoldoende op is ingegaan. Hierna gaat de rechtbank alleen in op de gronden die in beroep in deze procedure worden toegelicht.



Niet beschikken over informatie of niet aanwezig zijn van informatie


8. Erasmus MC stelt dat hij niet beschikt over de meldingen bij de interne ombudsman van het Erasmus MC en over de correspondentie tussen de melders en deze ombudsman over eiser en dat informatie over de opdracht om een (tweede) integriteitsonderzoek naar eiser te verrichten niet aanwezig is, omdat er geen (tweede) integriteitsonderzoek is gedaan.



Meldingen bij de ombudsman


9. Eiser bestrijdt dat Erasmus MC niet over de (integriteits)meldingen beschikt omdat uit het bestreden besluit blijkt dat Erasmus MC daar wel over beschikt nu onder punt 3 van het bestreden besluit een belangenafweging is gemaakt waarna besloten is om geen documenten openbaar te maken met informatie over de meldingen. Verder stelt eiser – kort gezegd – dat de meldingen die onder de ombudsman berusten, ook onder Erasmus MC berusten omdat deze ombudsman immers een werknemer van het Erasmus MC is. Op de zitting heeft eiser aangevuld dat wat een interne ombudsman doet voor de burger te controleren moet zijn; controle door en binnen de eigen organisatie is niet voldoende.

10. De rechtbank overweegt dat Erasmus MC afdoende heeft toegelicht dat en waarom hij niet beschikt over de meldingen. Erasmus MC heeft toegelicht dat de ombudsman bevoegd is en mandaat heeft om naar aanleiding van meldingen van medewerkers van het Erasmus MC over sociale onveiligheid, ongewenst gedrag of schendingen van integriteit, een onafhankelijk onderzoek te verrichten. Daartoe is het Reglement Ombudsman Sociale Veiligheid (Reglement) opgesteld. Artikel 10 van het Reglement bepaalt dat de ombudsman als enige toegang heeft tot de bij hem in behandeling zijnde dossiers, waaronder concreet ook de bij hem ingediende meldingen. Vertrouwelijkheid van alle informatie-uitwisseling tussen de ombudsman en melders is essentieel voor het goed functioneren van de ombudsman. Vanwege deze vertrouwelijkheid heeft Erasmus MC géén toegang tot de meldingen. Hij heeft de meldingen zelf nooit gezien.
Over de belangenafweging waar eiser op wijst, heeft Erasmus MC toegelicht dat hij enkel bekend is met de inhoud van de meldingen voor zover daarover informatie met hem is gedeeld door de ombudsman en/of anderen overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het Reglement. Het is voor die documenten dat het Erasmus MC een belangenafweging heeft gemaakt en heeft besloten om informatie over de inhoud van de meldingen niet openbaar te maken. Gelet op de inhoud van artikel 7, tweede lid, van het Reglement is het alleszins aannemelijk en ook goed te verenigen met de gegeven motivering, dat Erasmus MC niet beschikt over de meldingen zelf. Erasmus MC stelt dat de meldingen gedaan bij zijn interne ombudsman vanwege de vertrouwelijke aard van de meldingen niet geacht kunnen worden onder hem te berusten. Hij betoogt – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 januari 2009 – naar het oordeel van de rechtbank terecht dat anders het noodzakelijkerwijs, ook ten opzichte van Erasmus MC in acht te nemen, vertrouwelijke karakter daarvan dan niet zou zijn gewaarborgd.



Tweede integriteitsonderzoek


11. Het is vaste rechtspraak dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

12. Eiser betwist dat er geen (tweede) integriteitsonderzoek zou hebben plaatsgevonden. Hij verwijst naar het door hem overgelegd proces-verbaal van de zitting in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024 en door hem overgelegd gespreksverslag van 31 oktober 2022 (bedoeld wordt 17 oktober 2022). Op zitting heeft eiser aangevoerd dat er een opdracht moet zijn van Erasmus MC aan de advocaat omdat een advocaat zulk onderzoek niet uit zichzelf gaat doen en de advocaat tijdens het gesprek zelf heeft bevestigd in feite nieuw onderzoek uit te voeren. De advocaat heeft (kennelijk in dat kader van onderzoek) ook met anderen gesproken.

13. Erasmus MC heeft op de zitting gesteld dat de advocaat van Erasmus MC enkel en alleen als advocaat is aangesteld om Erasmus MC te vertegenwoordigen in het kader van de arbeidsrechtelijke consequenties van deze kwestie. Hij heeft verder bevestigd dat de zoekslag niet was beperkt tot de zoekterm “tweede integriteitsonderzoek” maar dat is gezocht naar een opdrachtbevestiging aan de advocaat voor het doen van nader feitelijk onderzoek. Dat heeft geen documenten opgeleverd. De rechtbank komt deze mededeling van Erasmus MC niet ongeloofwaardig voor. Eiser heeft met zijn stellingen in beroep niet aannemelijk gemaakt dat er (toch) wel documenten over een (tweede) integriteitsonderzoek bij Erasmus MC berusten. Uit de door eiser aangehaalde stukken blijkt niet dat er opdracht is gegeven aan de advocaat van Erasmus MC om een tweede integriteitsonderzoek uit te voeren. Dat de advocaat van Erasmus MC tijdens het gesprek op 17 oktober 2022 op de opmerking van de gemachtigde van eiser “dat het hier volgens hem om feitenonderzoek gaat” heeft gereageerd met de opmerking “op dat punt heb je denk ik wel gelijk”, maakt niet dat het aannemelijk is dat het Erasmus MC zo’n tweede integriteitsonderzoek heeft uitgevoerd. Met het stellen van de vragen heeft de advocaat geen (tweede) integriteitsonderzoek verricht noch heeft Erasmus MC daartoe aan de advocaat opdracht gegeven.



Uitzonderingsgronden


14. Eiser betoogt dat de uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en i, van de Woo niet van toepassing zijn dan wel dat het Erasmus MC een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Verder betwist hij dat de uitzonderingsgrond van artikel 5.2 van de Woo van toepassing is en stelt hij dat het Erasmus MC ten onrechte niet is overgegaan tot verstrekking van de informatie op een wijze die niet tot de natuurlijke persoon herleidbaar was. Hij stelt niet te kunnen verifiëren dat de zwartgelakte informatie inderdaad onder deze uitzonderingen valt en verzoekt – kort gezegd – de rechtbank dat na te gaan.



Wijze van toetsing door de bestuursrechter


15. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een besluit

waarbij toepassing is gegeven aan een van deze uitzonderingsgronden van de Woo zonder
terughoudendheid toetst of het door het bestuursorgaan ingeroepen andere en zwaarder
wegende belang dan het algemeen belang bij openbaarmaking, zich feitelijk voordoet.
Een bestuursorgaan heeft vervolgens beoordelingsruimte bij de te maken afweging tussen
het algemeen belang bij openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde
belang. Dit betekent dat de bestuursrechter de afweging door een bestuursorgaan van de
bestaande belangen, terughoudend toetst. De bestuursrechter toetst dus of het
bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen
belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het door de uitzonderingsgrond beschermde
belang. Bij deze afweging weegt zwaar het uitgangspunt van de Woo dat er een recht op
toegang tot informatie bestaat.




Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo


16. Hierover voert eiser aan dat de namen van de betrokken medewerkers van het Erasmus MC in de verschillende gerechtelijke procedures en bijbehorende processtukken, door het Erasmus MC zelf nimmer zijn geanonimiseerd. Deze namen zijn ook ter sprake gekomen bij de openbare zittingen. Eiser meent dan ook dat het belang van geheimhouding van de namen van de medewerkers van het Erasmus MC gering is, althans onvoldoende gewicht in de schaal legt ten opzichte van het belang dat hij heeft bij openbaarmaking van deze informatie. Erasmus MC heeft de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen.

17. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Woo-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.


17.1.
De rechtbank is van oordeel dat Erasmus MC voldoende heeft gemotiveerd waarom de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer hier aan openbaarmaking van de namen van de medewerkers in de weg staat. Erasmus MC stelt alleen namen van medewerkers die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden niet openbaar te hebben gemaakt. De persoonlijke gegevens van medewerkers van het Erasmus MC zijn niet openbaar gemaakt omdat deze informatie zonder onevenredige inspanning van derden, zowel intern als extern, direct of indirect te herleiden is tot de identiteit van de betrokken medewerkers. Het zijn namelijk medewerkers met een bepaalde expertise en waarbij het zeer voor de hand ligt dat deze medewerkers bij deze zaak (met unieke herkenbare factoren) betrokken zijn. Gelet op rechtspraak dient tevens informatie onleesbaar te worden gemaakt indien deze informatie op een indirecte wijze tot personen te herleiden is. Niet alleen de gegevens op zichzelf maar ook de context waarbinnen zij gepresenteerd worden is van belang. Het belang van privacy en de bescherming van medewerkers weegt zwaarder dan het belang van openbaarbaarheid.



17.2.
De rechtbank heeft aan de hand van de ongelakte stukken gezien dat – voor zover er namen zijn gelakt – het gaat om personen die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden. De rechtbank overweegt dat ook het afdelingshoofd niet vanwege zijn functie in de openbaarheid treedt. Dat geldt ook voor de ombudsman. Deze is aangesteld met als taak bij te dragen aan optimale sociale veiligheid en een open werk- en studieklimaat voor alle medewerkers en studenten binnen de organisatie Erasmus MC. Dat is een intern gerichte taak voor de (private) organisatie Erasmus MC. Dat maakt dat de interne ombudsman niet vanwege zijn functie in de openbaarheid treedt. Hun namen/persoonlijke gegevens zijn dus terecht niet openbaar gemaakt. Verder stelt eiser een persoonlijk belang te hebben bij kennisneming van de namen waardoor het belang van de openbaarheid hier zwaarder zou moeten wegen. Een persoonlijk belang van de Woo-verzoeker (in dit geval eiser) speelt echter geen rol bij de beoordeling of de gevraagde stukken al dan niet openbaar moeten worden gemaakt. Bij die beoordeling speelt alleen mee of de uitzonderingsgronden in de Woo aan openbaarmaking van de documenten in de weg staan. Dat in een civiele procedure wel namen zijn genoemd, betekent niet dat die namen openbaar zijn in de zin van de Woo en maakt de door Erasmus MC te maken afweging dan ook niet anders.



17.3.
De rechtbank heeft wel geconstateerd dat deze uitzonderingsgrond (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo) bij de volgende (gedeelten van) documenten ten onrechte is toegepast. Het gaat om document 0009 ( [dossiernummer 2] ) voor de tekst “gesprek a.s. dinsdag”; document 0001 ( [dossiernummer 11] ) voor het tijdstip van de zitting; document 0003 ( [dossiernummer 7] ) voor die gedeelten waarin de naam van het advocatenkantoor staat vermeld (de e-grond ziet immers alleen op de naam van de advocaat zelf, niet op zakelijke informatie van diens kantoororganisatie) en document 0004 ( [dossiernummer 12] ) voor de tekst “de gemachtigde”. Hiermee is sprake van onzorgvuldige besluitvorming en dus strijd met artikel 3:2 van de Awb. Erasmus MC zal voor deze documenten een nieuw besluit met in achtneming van deze uitspraak moeten nemen.



17.4.
Voor het document 0016 ( [dossiernummer 13] ) heeft de rechtbank geconstateerd dat deze uitzonderingsgrond is toegepast op de volledige tekst van deze brief van de ombudsman. Hoewel de motivering van het bestreden besluit ziet op de namen van medewerkers en melders en het daarmee niet volledig duidelijk is dat in dit geval ook de identiteit van eiser is bedoeld te beschermen, gaat de rechtbank daar wel van uit gelet op de tekst van het ongelakte stuk. In de context van deze zaak oordeelt de rechtbank dat Erasmus MC daarnaast deze uitzonderingsgrond op goede gronden heeft toegepast voor wat betreft de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van diverse medewerkers, melders en eiser.



17.5.
Voor document 0004 ( [dossiernummer 1] ) heeft Erasmus MC op de zitting gezegd dat hier ten onrechte artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo is vermeld en dat dat artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo moet zijn. De rechtbank ziet aanleiding dit door Erasmus MC erkende gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren nu de door eiser al aangevoerde beroepsgrond tegen de toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo ook op dit document kan zien zodat eiser hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank zal dit document betrekken in haar beoordeling over de toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.



Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo


18. Eiser betoogt dat het Erasmus MC in dit specifieke geval de betrokken belangen anders had moeten afwegen. Eiser heeft een groot belang bij openbaarmaking van de verzochte informatie, namelijk het belang van waarheidsvinding. Hij meent dat dit persoonlijke (en voorts ook algemene, maatschappelijke) belang bij waarheidsvinding hier dient te prevaleren boven de door Erasmus MC aangevoerde belangen. Daartoe stelt hij dat hij in een civiele procedure bij het Gerechtshof Den Haag gebaseerd op het oude artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft geprobeerd om informatie te verkrijgen, maar nul op rekest heeft gekregen. In die procedure heeft Erasmus MC zich aldus eiser verscholen achter de lopende Woo-procedure om vervolgens in die Woo-procedure informatie niet openbaar te maken. Er staat voor eiser nu geen andere juridische mogelijkheid open dan via deze Woo-procedure alsnog de waarheid boven tafel te krijgen.

19. De rechtbank is van oordeel dat Erasmus MC voldoende heeft gemotiveerd waarom bij openbaarmaking van de meldingen en van correspondentie met het onderzoeksbureau – of informatie direct gerelateerd aan het onderzoeksbureau –, het goed functioneren het Erasmus MC in het geding komt. Dat betreft de volgende motivering. Het goed functioneren komt in het geding als integriteitsschendingen niet aan het licht komen doordat medewerkers niet meer in vrijheid durven te verklaren en niet meer openhartig aan een onderzoek willen meewerken, of hierin terughoudend worden. Vertrouwelijkheid is noodzakelijk om – nu en in de toekomst – feiten over integriteitsschendingen boven water te krijgen. Dit geldt ook voor inhoudelijke correspondentie die tussen de betrokken afdelingen binnen het Erasmus MC is gevoerd over deze onderzoeken, omdat daaruit eveneens blijkt wie meldingen hebben gedaan. De anonimiteit van melders en de vertrouwelijke communicatie met hen is juist ook van belang ter bescherming tegen negatieve gevolgen in relatie tot degene over wie de melding gaat, zoals in dit geval eiser. Ook voor de correspondentie met het onderzoeksbureau – of informatie direct gerelateerd aan het onderzoeksbureau – geldt dat indien deze gevraagde informatie openbaar wordt gemaakt, het zeker niet ondenkbaar is dat medewerkers in de toekomst terughoudender worden in het doen van meldingen of in het openhartig mee willen werken aan onderzoek. Dit kan een effectieve besluitvorming, en daarmee het goed functioneren, van het Erasmus MC schaden. Het feit dat het gaat om correspondentie die is gevoerd in het kader van een al afgerond onderzoek, doet daar niet aan af.

20. Het belang van het in alle vrijheid kunnen doen van meldingen weegt volgens Erasmus MC in dit geval zwaarder dan het belang van openbaarheid van de gevraagde informatie. Erasmus MC heeft wat betreft de correspondentie met het onderzoeksbureau de bijzondere positie van de interne ombudsman meegenomen. Het belang om in vrijheid een onafhankelijk onderzoek naar integriteit te starten weegt zwaarder dan het belang van openbaarheid.

21. Zoals onder 17.2 al overwogen speelt een persoonlijk belang geen rol bij de beoordeling of de gevraagde stukken al dan niet openbaar moeten worden gemaakt. Het gestelde – verder ook niet onderbouwde – algemene, maatschappelijke belang bij het onderwerp van de documenten kan naar het oordeel van de rechtbank niet betekenen dat er meer gewicht aan het belang van openbaarmaking gehecht moet worden.



21.1.

De rechtbank heeft na het bekijken van de ongelakte documenten – gelet op wat zij onder 17.5 heeft overwogen inclusief ongelakt document 0004 ( [dossiernummer 1] ) – geconstateerd dat – met uitzondering van de hierna genoemde documenten – Erasmus MC deze uitzonderingsgrond terecht heeft ingeroepen. De rechtbank is van oordeel dat het Erasmus MC bij het eerste deel van de tekst van document 0012 ( [dossiernummer 8] ) ten onrechte – in plaats van de uitzonderingsgrond van artikel 5.2 van de Woo – de uitzonderingsgrond van artikel 5, tweede lid aanhef en onder i, van de Woo toe heeft gepast. De rechtbank zal deze onzorgvuldige besluitvorming passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat eisers al aangevoerde beroepsgrond tegen de toepassing van artikel 5.2 van de Woo ook op dit document kan zien zodat eiser niet is benadeeld. De rechtbank zal dit document betrekken in haar beoordeling over de toepassing van artikel 5.2 van de Woo.
Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat de uitzonderingsgrond van artikel 5, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo (naast de uitzonderingsgrond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo) in document 0001 ( [dossiernummer 10] ) voor de e-mail van 29 juni 2022 wordt gehanteerd, maar bij document 0007 ( [dossiernummer 9] ) voor dezelfde e-mail van 29 juni 2022 niet wordt gehanteerd. De rechtbank constateert dat eiser door deze onzorgvuldigheid beschikt over een versie van dit document waarbij artikel 5, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo niet is toegepast. Tot slot heeft de rechtbank geconstateerd dat Erasmus MC in document 0016 ( [dossiernummer 13] ) voor een groot gedeelte van de tekst alleen de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid onder e, van de Woo heeft toegepast terwijl daarop in het licht van de motivering van het bestreden besluit ook de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid onder i, van de Woo toegepast had moeten zijn. Dat is onzorgvuldig, maar omdat dezelfde tekst ook al met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo onleesbaar is gemaakt, en de motivering daarnaast de toepassing van artikel 5.1, tweede lid onder i, van de Woo rechtvaardigt, zal de rechtbank deze onzorgvuldige besluitvorming passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat eiser door deze onzorgvuldigheid niet is benadeeld.

Artikel 5.2 van de Woo


22. Eiser betwist dat deze uitzonderingsgrond van toepassing is en stelt dat Erasmus MC ten onrechte niet is overgegaan tot verstrekking van de informatie op een wijze die niet herleidbaar was tot de natuurlijke persoon die de persoonlijke beleidsopvattingen heeft geuit. Hij stelt niet te kunnen verifiëren dat de zwartgelakte informatie inderdaad onder deze uitzondering valt en verzoekt de rechtbank expliciet dat na te gaan.

23. Erasmus MC voert in zijn verweer aan dat het hier gaat om opvattingen van medewerkers van Erasmus MC en van een externe, door Erasmus MC ingeschakelde, partij over hoe om te gaan met het integriteitsonderzoek naar eiser en de mogelijke gevolgen van dat onderzoek voor eiser. Het betreft hier (ambtelijke) adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. De adviezen van de bedoelde externe partij zijn gegeven zonder dat die partij een ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid. Het gaat daarmee om persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Er is geen toepassing gegeven aan artikel 5.2, tweede lid, van de Woo, omdat uit de context en gezien de kleine kring van betrokkenen kan worden afgeleid wie de uitlatingen heeft gedaan. Dat zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat binnen een bestuursorgaan vrijelijk van gedachten moet kunnen worden gewisseld, zonder dat betrokkenen daarop naderhand kunnen worden aangesproken.

24. De rechtbank heeft de ongelakte stukken bekeken en is van oordeel dat Erasmus MC deze grond terecht heeft ingeroepen en volgt de door Erasmus MC aangevoerde redenering om geen toepassing te geven artikel 5.2, tweede lid, van de Woo. De rechtbank heeft – gelet op wat zij onder 21.1 heeft overwogen – ook beoordeeld of voor document 0012 ( [dossiernummer 8] ) deze uitzonderingsgrond van toepassing is en is van oordeel dat dat zo is en dat de door Erasmus MC gegeven redenering om geen toepassing te geven aan artikel 5.2, tweede lid, van de Woo ook hier geldt.




Conclusie en gevolgen

25. Het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt hiervoor wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

26. Het beroep tegen het bestreden besluit zoals gewijzigd bij besluit van 26 november 2025 is gelet op wat is overwogen onder 17.3 gegrond vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover in document 0001( [dossiernummer 10] ) artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo is toegepast en voorzover artikel 5, tweede lid, aanhef onder e, van de Woo is toegepast voor een deel van de documenten 0009 ( [dossiernummer 2] ), 0001 ( [dossiernummer 11] ), 0003 ( [dossiernummer 7] ) en 0004 ( [dossiernummer 12] ). De rechtbank vernietigt het gewijzigde bestreden besluit in zoverre en herroept deelbesluit I in zoverre. Erasmus MC zal met in achtneming van deze uitspraak ten aanzien van deze documenten binnen 4 weken een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Voor het overige is het beroep ongegrond.


26.1.
Omdat het beroep gegrond is moet Erasmus MC het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Erasmus MC moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (2 punten omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het gewijzigde bestreden besluit gegrond voor zover het de documenten 0009 ( [dossiernummer 2] ), 0001 ( [dossiernummer 11] ), 0003 ( [dossiernummer 7] ) en 0004 ( [dossiernummer 12] ) en 0001( [dossiernummer 10] ) betreft;
- vernietigt het gewijzigde bestreden besluit in zoverre;
- draagt Erasmus MC op binnen 4 weken na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;- bepaalt dat Erasmus MC het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt Erasmus MC tot betaling van (totaal) € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:29

1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2 Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
3 De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
6 Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.
Artikel 8:79 voor zover relevant
1. Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak stelt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen.
2 Anderen dan partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. […]



Woo voor zover relevant

Artikel 5.1:

2 Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…]
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
3 Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.


Artikel 5.2

1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
2. Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.



Artikel 8:29, eerste lid, van de Awb luidt: Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.Artikel 8:29, derde lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.


Dit artikellid luidt als volgt: Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.


Zie bijvoorbeeld Afdeling 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1950 en CBb 10 april 2014, ECLI:NL:CBB:2014:118.


Vergelijk Afdeling 6 november 2023, ECLI:NL:RVS:2013:1794, onder 2 laatste volzin.


Artikel 7, tweede lid, van het Reglement luidt als volgt: Het in lid 1 bepaalde laat onverlet de verantwoordelijkheid van de ombudsman om bij de Raad van Bestuur, conform het gestelde in artikel 5 structurele knelpunten en misstanden te melden. De ombudsman deelt het voornemen om dit te doen mee aan de melder. Indien de melder dit wenst, vindt de melding plaats zonder het kenbaar maken van de identiteit van de melder aan de Raad van Bestuur.
Artikel 7, eerste lid, van het Reglement bepaalt dat de ombudsman en de deskundigen op wie een beroep tot advisering is gedaan zijn gehouden tot geheimhouding van de door de melder verstrekte informatie. Deze verplichting geldt niet jegens personen die door hen worden benaderd, gehoord, of geraadpleegd in het kader van de voorbereiding van hun advies en/of het onderzoek.


ECLI:NL:RVS:2009:BH0453.


Bijvoorbeeld Afdeling 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870, r.o. 5.1.



Zie artikel 2.5 van de Woo en bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling van 19 november 2025,
ECLI:NL:RVS:2025:5627, punt 6.2 en 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6388. punt 5.2.


Bijvoorbeeld Afdeling 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4322.


Bijvoorbeeld Afdeling 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321, Afdeling 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2622 en Afdeling 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4859.


Zie ook Afdeling 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:143, punt 4.1.


Afdeling 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2217, r.o. 4.1


Dus ook strijd met artikel 3:2 van de Awb.


Artikel 6:22 van de Awb luidt: Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.


Vergelijk ook rechtbank Amsterdam 27 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:667 en Afdeling 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4859.


Zie ook Afdeling 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883, r.o. 9.1.


In strijd met artikel 3:2 van de Awb.


In strijd met artikel 3:2 van de Awb.


Als bedoeld in het tweede lid van artikel 5.2 van de Woo.