Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9815
2026-07-31
Bestuursrecht
ROT 24/1001
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Watervergunning verleend voor het uitvoeren van een reconstructie op een dijklichaam dat in beheer is van het Hoogheemraadschap Schiedam en Krimpenerwaard Artikel 6.21 van de Waterwet kent een limitatieve opsomming van weigeringsgronden voor een watervergunning. Er zijn geen waterstaatkundige bezwaren zodat verweerder de watervergunning terecht heeft verleend.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:4162 Raad van State 16-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.494 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1001
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
en
[naam verweerder] , verweerder
(gemachtigden: mr. D. Wilbers en mr. B. Lhucevic).
Procesverloop
1. Met het besluit van 14 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning verleend voor het in de kernzone van de primaire waterkering uitvoeren van de reconstructie van de kruisingen van de Poolvosweg en IJsseldijk met de Nijverheidsstraat in Capelle aan den IJssel.
1.1.
Met het besluit van 21 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder verwijzing naar en overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie van 14 november 2023 het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
2.1.
De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 20 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard (de Keur) en de Waterwet, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
3. [naam vergunninghouder] (vergunninghouder) heeft op 20 juni 2023 een melding ‘waterstaatswerk of beschermingszone gebruiken (bouwwerk of object bouwen, verbouwen of verwijderen bij een waterkering)’ gedaan in verband met het uitvoeren van een reconstructie van de kruisingen van de Poolvosweg met de IJsseldijk en de Nijverheidsweg in Capelle aan den IJssel om de verkeersveiligheid te vergroten. Daarbij wordt het bestaande asfalt vervangen en worden rammelstroken aangebracht. De werkzaamheden vinden plaats op de primaire waterkering, die in beheer en onderhoud is bij het hoogheemraadschap, ter hoogte van de [adres] , [postcode] Capelle aan den IJssel. Eiser woont in de nabijheid van deze locatie.
4. Verweerder heeft de hiervoor genoemde melding met instemming van vergunninghouder aangemerkt als een aanvraag om een watervergunning. Met het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghouder de gevraagde watervergunning verleend.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de motivering in het advies van de bezwaarschriftencommissie van 14 november 2023 het primaire besluit gehandhaafd. De uit te voeren werkzaamheden hebben volgens verweerder geen nadelige invloed op de dijk of kade. Evenmin hebben de werkzaamheden gevolgen voor de waterkwaliteit. De werkzaamheden hebben ook geen negatieve invloed op de maatschappelijke functievervulling van de dijk of kade. De primaire waterkering heeft geen specifieke maatschappelijke functies die kenmerkend zijn voor de dijk of de kade, aldus verweerder. Verder heeft de bezwaarschriftencommissie in het advies overwogen dat voor het verlenen geen risico-inventarisatie nodig is en dat alleen waterstaatkundige belangen in de belangenafweging kunnen worden betrokken. Wat eiser heeft aangevoerd over participatie, het opstellen van een integraal plan met betrekking tot de Zuidelijke fietsroute, de aanpassing van het Industrieterrein West, de “auto te gast-fietsstraat” en de Stadsvisie 2040 behoort niet tot het toetsingskader van de watervergunning, aldus het advies.
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de watervergunning op onjuiste gronden heeft verleend, omdat verweerder de aangeleverde stukken en de motivering van [naam vergunninghouder] kritiekloos (zonder eigen beoordeling) heeft overgenomen en is meegegaan in onjuiste informatie. Er is geen calamiteitenplan en er had een risico-inventarisatie gemaakt moeten worden, omdat de werkzaamheden schade kunnen toebrengen aan het dijklichaam en kunnen leiden tot verzwakking van het dijklichaam waardoor overstroming reëel is. De werkzaamheden aan het dijklichaam passen niet in de gemeentelijke plannen om van het gehele dijklichaam een “auto te gast-fietsstraat” te maken. Evenmin passen de werkzaamheden in de gemeentelijke Stadsvisie 2024 waarin het dijkgebied een prominente rol heeft als recreatiegebied. Bovendien wordt door de werkzaamheden het plan Zuidelijke fietsroute gefrustreerd. Daarnaast zijn omwonenden niet betrokken bij het plan herontwerp Industrieterrein Capelle-West, terwijl ook zij net als de bedrijven gebruikmaken van de kruisingen nabij de Poolvosweg. Er zijn alternatieven om het wegdek op het dijklichaam aan te passen, aldus eiser.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4162), kent artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden voor een watervergunning. De watervergunning moet worden geweigerd, indien het project niet verenigbaar is met de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet. Er is geen ruimte om, alvorens vergunning te verlenen, meer belangen te betrekken in de besluitvorming dan die welke voortvloeien uit artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet. Indien er geen waterstaatkundige bezwaren zijn, moet het bestuursorgaan de watervergunning verlenen.
5.2.
Gelet op dit toetsingskader heeft verweerder geen ruimte om andere belangen bij de besluitvorming te betrekken dan waterstaatkundige belangen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er in deze zaak geen waterstaatkundige bezwaren bestaan tegen de verlening van de watervergunning. Wat eiser heeft aangevoerd over de verenigbaarheid van de werkzaamheden met gemeentelijke plannen en beleid ziet niet op de waterstaatkundige doelstellingen die zijn vermeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet. Voorts levert het ontbreken van een risico-inventarisatie geen grond op om de watervergunning te weigeren. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat er gezien de beperkte omvang en impact van de werkzaamheden op de kernzone van het dijklichaam geen reden was om een risico-inventarisatie te eisen. Ter zitting heeft verweerder onder verwijzing naar pagina 5 van de watervergunning toegelicht dat aan de hand van een aantal vragen is beoordeeld of de werkzaamheden een nadelig effect hebben op de hoogte, stabiliteit en erosiebestendigheid van de waterkering en dat deze beoordeling gezien kan worden als een voor de aangevraagde werkzaamheden passende risico-inventarisatie. Bovendien heeft verweerder bij de hoorzitting in bezwaar verzekerd dat het dijklichaam van dusdanige kwaliteit is dat het tot het jaar 2100 kan functioneren. Eiser heeft enkel gesteld dat een risico-inventarisatie moet worden uitgevoerd vanwege mogelijke schade die de werkzaamheden aan het dijklichaam kunnen veroorzaken, maar eiser heeft dit niet nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het besluit onzorgvuldig is omdat verweerder uitgaat van een onjuiste locatie. De werkzaamheden worden niet uitgevoerd aan de [adres] , maar op de IJsseldijk en de Nijverheidsstraat. Hierdoor is voor omwonenden niet kenbaar waar de werkzaamheden plaatsvinden en dat zij mogelijk door de werkzaamheden in hun belangen worden getroffen.
6.1.
Op het aanvraagformulier is bij locatie weliswaar vermeld: [adres] , maar bij specifieke locatie staat: “De verbinding aan de Noordkant beide kanten gaan wij gedeeltelijk frezen tot aan de fundering.” Hieruit valt voldoende duidelijk af te leiden dat het niet precies om het adres [adres] gaat, maar dat de werken aan beide kanten van de verbinding worden uitgevoerd. Ook uit de besluitvorming blijkt dat het niet om het exacte adres [adres] gaat, maar om de kruisingen van de Poolvosweg en IJsseldijk met de Nijverheidsstraat in Capelle aan den IJssel. De beroepsgrond slaag niet.
7. Eiser heeft aangevoerd dat bij de hoorzitting is gebleken dat de werkzaamheden niet door de gemeente zelf worden uitgevoerd maar door derden. Eiser vraagt zich af of de daadwerkelijke uitvoerder van de werkzaamheden op de vergunningaanvraag vermeld had moeten worden, of de daadwerkelijke uitvoerder de aanvraag om de watervergunning had moeten indienen en of in de watervergunning vermeld had moeten worden welke veiligheidseisen aan de uitvoerder worden gesteld.
7.1.
In artikel 6.19, aanhef en onder f, van de Waterregeling, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is bepaald dat, indien de handeling wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager, in de aanvraag om een watervergunning wordt vermeld zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer, alsmede zijn e-mailadres. Op het aanvraagformulier is niet expliciet vermeld wie de daadwerkelijke uitvoerder is van de werkzaamheden. Verweerder heeft ter zitting echter toegelicht dat op de tekening die met de aanvraag om de watervergunning is ingediend de Afdeling Stadsbeheer is vermeld waarbij de naam van de projectleider is genoemd. Hiermee zijn voor verweerder de vereiste gegevens verstrekt die verweerder op grond van artikel 6.19 van de Waterregeling nodig heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1001
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
en
[naam verweerder] , verweerder
(gemachtigden: mr. D. Wilbers en mr. B. Lhucevic).
Procesverloop
1. Met het besluit van 14 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een watervergunning verleend voor het in de kernzone van de primaire waterkering uitvoeren van de reconstructie van de kruisingen van de Poolvosweg en IJsseldijk met de Nijverheidsstraat in Capelle aan den IJssel.
1.1.
Met het besluit van 21 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder verwijzing naar en overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie van 14 november 2023 het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
2.1.
De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 20 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard (de Keur) en de Waterwet, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
3. [naam vergunninghouder] (vergunninghouder) heeft op 20 juni 2023 een melding ‘waterstaatswerk of beschermingszone gebruiken (bouwwerk of object bouwen, verbouwen of verwijderen bij een waterkering)’ gedaan in verband met het uitvoeren van een reconstructie van de kruisingen van de Poolvosweg met de IJsseldijk en de Nijverheidsweg in Capelle aan den IJssel om de verkeersveiligheid te vergroten. Daarbij wordt het bestaande asfalt vervangen en worden rammelstroken aangebracht. De werkzaamheden vinden plaats op de primaire waterkering, die in beheer en onderhoud is bij het hoogheemraadschap, ter hoogte van de [adres] , [postcode] Capelle aan den IJssel. Eiser woont in de nabijheid van deze locatie.
4. Verweerder heeft de hiervoor genoemde melding met instemming van vergunninghouder aangemerkt als een aanvraag om een watervergunning. Met het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghouder de gevraagde watervergunning verleend.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de motivering in het advies van de bezwaarschriftencommissie van 14 november 2023 het primaire besluit gehandhaafd. De uit te voeren werkzaamheden hebben volgens verweerder geen nadelige invloed op de dijk of kade. Evenmin hebben de werkzaamheden gevolgen voor de waterkwaliteit. De werkzaamheden hebben ook geen negatieve invloed op de maatschappelijke functievervulling van de dijk of kade. De primaire waterkering heeft geen specifieke maatschappelijke functies die kenmerkend zijn voor de dijk of de kade, aldus verweerder. Verder heeft de bezwaarschriftencommissie in het advies overwogen dat voor het verlenen geen risico-inventarisatie nodig is en dat alleen waterstaatkundige belangen in de belangenafweging kunnen worden betrokken. Wat eiser heeft aangevoerd over participatie, het opstellen van een integraal plan met betrekking tot de Zuidelijke fietsroute, de aanpassing van het Industrieterrein West, de “auto te gast-fietsstraat” en de Stadsvisie 2040 behoort niet tot het toetsingskader van de watervergunning, aldus het advies.
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de watervergunning op onjuiste gronden heeft verleend, omdat verweerder de aangeleverde stukken en de motivering van [naam vergunninghouder] kritiekloos (zonder eigen beoordeling) heeft overgenomen en is meegegaan in onjuiste informatie. Er is geen calamiteitenplan en er had een risico-inventarisatie gemaakt moeten worden, omdat de werkzaamheden schade kunnen toebrengen aan het dijklichaam en kunnen leiden tot verzwakking van het dijklichaam waardoor overstroming reëel is. De werkzaamheden aan het dijklichaam passen niet in de gemeentelijke plannen om van het gehele dijklichaam een “auto te gast-fietsstraat” te maken. Evenmin passen de werkzaamheden in de gemeentelijke Stadsvisie 2024 waarin het dijkgebied een prominente rol heeft als recreatiegebied. Bovendien wordt door de werkzaamheden het plan Zuidelijke fietsroute gefrustreerd. Daarnaast zijn omwonenden niet betrokken bij het plan herontwerp Industrieterrein Capelle-West, terwijl ook zij net als de bedrijven gebruikmaken van de kruisingen nabij de Poolvosweg. Er zijn alternatieven om het wegdek op het dijklichaam aan te passen, aldus eiser.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4162), kent artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden voor een watervergunning. De watervergunning moet worden geweigerd, indien het project niet verenigbaar is met de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet. Er is geen ruimte om, alvorens vergunning te verlenen, meer belangen te betrekken in de besluitvorming dan die welke voortvloeien uit artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet. Indien er geen waterstaatkundige bezwaren zijn, moet het bestuursorgaan de watervergunning verlenen.
5.2.
Gelet op dit toetsingskader heeft verweerder geen ruimte om andere belangen bij de besluitvorming te betrekken dan waterstaatkundige belangen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er in deze zaak geen waterstaatkundige bezwaren bestaan tegen de verlening van de watervergunning. Wat eiser heeft aangevoerd over de verenigbaarheid van de werkzaamheden met gemeentelijke plannen en beleid ziet niet op de waterstaatkundige doelstellingen die zijn vermeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet. Voorts levert het ontbreken van een risico-inventarisatie geen grond op om de watervergunning te weigeren. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat er gezien de beperkte omvang en impact van de werkzaamheden op de kernzone van het dijklichaam geen reden was om een risico-inventarisatie te eisen. Ter zitting heeft verweerder onder verwijzing naar pagina 5 van de watervergunning toegelicht dat aan de hand van een aantal vragen is beoordeeld of de werkzaamheden een nadelig effect hebben op de hoogte, stabiliteit en erosiebestendigheid van de waterkering en dat deze beoordeling gezien kan worden als een voor de aangevraagde werkzaamheden passende risico-inventarisatie. Bovendien heeft verweerder bij de hoorzitting in bezwaar verzekerd dat het dijklichaam van dusdanige kwaliteit is dat het tot het jaar 2100 kan functioneren. Eiser heeft enkel gesteld dat een risico-inventarisatie moet worden uitgevoerd vanwege mogelijke schade die de werkzaamheden aan het dijklichaam kunnen veroorzaken, maar eiser heeft dit niet nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het besluit onzorgvuldig is omdat verweerder uitgaat van een onjuiste locatie. De werkzaamheden worden niet uitgevoerd aan de [adres] , maar op de IJsseldijk en de Nijverheidsstraat. Hierdoor is voor omwonenden niet kenbaar waar de werkzaamheden plaatsvinden en dat zij mogelijk door de werkzaamheden in hun belangen worden getroffen.
6.1.
Op het aanvraagformulier is bij locatie weliswaar vermeld: [adres] , maar bij specifieke locatie staat: “De verbinding aan de Noordkant beide kanten gaan wij gedeeltelijk frezen tot aan de fundering.” Hieruit valt voldoende duidelijk af te leiden dat het niet precies om het adres [adres] gaat, maar dat de werken aan beide kanten van de verbinding worden uitgevoerd. Ook uit de besluitvorming blijkt dat het niet om het exacte adres [adres] gaat, maar om de kruisingen van de Poolvosweg en IJsseldijk met de Nijverheidsstraat in Capelle aan den IJssel. De beroepsgrond slaag niet.
7. Eiser heeft aangevoerd dat bij de hoorzitting is gebleken dat de werkzaamheden niet door de gemeente zelf worden uitgevoerd maar door derden. Eiser vraagt zich af of de daadwerkelijke uitvoerder van de werkzaamheden op de vergunningaanvraag vermeld had moeten worden, of de daadwerkelijke uitvoerder de aanvraag om de watervergunning had moeten indienen en of in de watervergunning vermeld had moeten worden welke veiligheidseisen aan de uitvoerder worden gesteld.
7.1.
In artikel 6.19, aanhef en onder f, van de Waterregeling, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is bepaald dat, indien de handeling wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager, in de aanvraag om een watervergunning wordt vermeld zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer, alsmede zijn e-mailadres. Op het aanvraagformulier is niet expliciet vermeld wie de daadwerkelijke uitvoerder is van de werkzaamheden. Verweerder heeft ter zitting echter toegelicht dat op de tekening die met de aanvraag om de watervergunning is ingediend de Afdeling Stadsbeheer is vermeld waarbij de naam van de projectleider is genoemd. Hiermee zijn voor verweerder de vereiste gegevens verstrekt die verweerder op grond van artikel 6.19 van de Waterregeling nodig heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.