Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9717
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/10/713717 / HA ZA 26-83
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet. Verzekeringsrecht. Premiebetaling. Mondelinge behandeling zonder aanwezigheid opposant.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.616 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713717 / HA ZA 26-83
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
AUTOBEDRIJF FLAKKEE B.V.,
te Dirksland,
eisende partij in verzet, oorspronkelijk gedaagde partij,
hierna te noemen: Flakkee,
advocaat: mr. M.W. Huijzer,
tegen
N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,
te Nijmegen,
gedaagde partij in verzet, oorspronkelijk eisende partij,
hierna te noemen: Bovemij,
advocaat: mr. J. van de Graaf.
1De zaak in het kort
Flakkee heeft bij Bovemij een verzekering afgesloten. Zij heeft de premie over het jaar 2024 niet betaald. Bovemij vordert dat Flakkee tot betaling wordt veroordeeld. Die vordering wordt toegewezen. De bezwaren daartegen van Flakkee worden afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke inleidende dagvaarding van 4 augustus 2025, met producties;
- het verstekvonnis van 1 oktober 2025 inzake C/10/705304 / HA ZA 25-694;- de verzetdagvaarding van 11 december 2025, met producties;
- de akte aanvulling gronden van verzet van Flakkee;
- de mail van de rechtbank van 28 mei 2026 met een zittingsagenda;
- de twee aktes aanvullende producties van Bovemij, waarin ook een eisvermindering;
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026;
- de pleitaantekeningen van Bovemij.
2.2.
Een dag voor de mondelinge behandeling heeft mr. Huijzer laten weten dat de bestuurder van Flakkee wegens medische omstandigheden aan huis was gebonden en niet in staat was om naar de rechtbank te reizen. De rechtbank heeft daarop laten weten dat de bestuurder van Flakkee ook door middel van een onlineverbinding aan de zitting zou kunnen deelnemen. Daarop heeft mr. Huijzer laten weten dat de bestuurder hiervan geen gebruik zou maken en dat ook hij niet zou verschijnen. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat de mondelinge behandeling doorgaat. Van de kant van Flakkee is niemand ter zitting verschenen.
2.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis wordt gewezen.
3De feiten
3.1.
Flakkee exploiteert een garagebedrijf.
3.2.
Flakkee heeft haar handelsvoorraad auto’s sinds 2017 verzekerd bij Bovemij. Op deze overeenkomst zijn voorwaarden van toepassing die onder andere bepalen dat de overeenkomst stilzwijgend wordt voortgezet voor een opvolgend jaar, tenzij deze wordt opgezegd.
3.3.
Bovemij stelt jaarlijks de premie vast voor het volgende jaar. Dit doet zij op basis van een opgave van de (cataloguswaarde van de) handelsvoorraad door Flakkee. Bij mail van 2 december 2023 aan Flakkee heeft Bovemij de nieuwe premie bekend gemaakt. Flakkee heeft deze mail ontvangen.
3.4.
Op 1 januari 2024 heeft Bovemij de jaarpremie (inclusief belastingen) van € 61.110,11 aan Flakkee gefactureerd. De factuur vermeldt een betalingstermijn van 30 dagen.
3.5.
Flakkee heeft de factuur niet voldaan. Flakkee heeft ook geen deelbetalingen op de factuur gedaan.
3.6.
Gedurende het jaar 2024 heeft Flakkee verschillende auto’s aangemeld onder de verzekering bij Bovemij en ook heeft zij verschillende schademeldingen bij Bovemij gedaan.
3.7.
De verzekeringsovereenkomst is per 1 januari 2025 geëindigd.
3.8.
Bij verstekvonnis van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank de vordering van Bovemij toegewezen.
4Het geschil
4.1.
Na vermindering van eis vordert Bovemij, samengevat, veroordeling van Flakkee tot betaling van € 61.110,11 vermeerderd met de wettelijke (handels)rente, en verder tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.386,10 en van de proceskosten, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
4.2.
In verzet voert Flakkee verweer en vordert zij dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vordering van Bovemij alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van Bovemij in de proceskosten.
5De beoordeling
Het verzet is tijdig ingesteld
5.1.
Flakkee heeft onbetwist gesteld dat zij (althans haar advocaat) op 8 december 2025 heeft kennis genomen van het verstekvonnis van 1 oktober 2025. Van een eerdere ingangsdatum van de verzettermijn is niet gebleken. De verzetdagvaarding dateert van 11 december 2025 en is daarmee tijdig uitgebracht (art. 143 Rv).
Flakkee is de verzekeringspremie verschuldigd
5.2.
Met de vordering wil Bovemij bereiken dat Flakkee de premie betaalt die zij is verschuldigd in het kader van de tussen partijen tot stand gekomen verzekeringsovereenkomst over het jaar 2024. Daarop ziet de gevorderde hoofdsom.
5.3.
De overeenkomst waarop deze vordering is gebaseerd is daadwerkelijk tot stand gekomen. Flakkee exploiteert een autobedrijf en ten behoeve van de verzekering van haar auto’s heeft zij al in 2017 bij Bovemij een verzekeringsovereenkomst gesloten. Die overeenkomst is jaarlijks verlengd. Hierover bestaat tussen partijen geen discussie. De overeenkomst is ook voor het jaar 2024 verlengd, omdat deze niet door Flakkee is opgezegd en de polisvoorwaarden in dat geval voorzien in stilzwijgende verlenging voor een jaar. Dat ook Flakkee er vanuit ging dat de verzekering in 2024 doorliep, blijkt uit het (vaststaande) feit dat zij gedurende dat jaar van de verzekering gebruik heeft gemaakt door auto’s aan te melden en schades te melden. Flakkee was dus voor het jaar 2024 de premie verschuldigd.
5.4.
Op basis van de cataloguswaarde van de handelsvoorraad van Flakkee heeft Bovemij de premie voor het jaar 2024 vastgesteld. Deze heeft zij op 2 december 2023 aan Flakkee gemaild, welke mail door Flakkee is ontvangen. Hierop heeft Flakkee niet gereageerd. Bovemij heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat Flakkee gerechtigd was de overeenkomst op te zeggen als zij het niet met deze premie eens was. Dat heeft Flakkee niet gedaan. Bovemij mocht er daarom vanuit gaan dat Flakkee akkoord was met de gewijzigde premie.
5.5.
Wat Flakkee hier tegenover heeft gesteld doet aan het voorgaande niet af. Flakkee voert aan dat zij signalen heeft gegeven dat het niet goed ging met haar bedrijf en ook dat zij op enig moment heeft gevraagd om niet langer per jaar maar maandelijks te mogen betalen. Volgens Flakkee heeft Bovemij hier niet op gereageerd. Bovemij heeft ter voorbereiding op de mondelinge behandeling aanvullende stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd met Flakkee in contact te komen om met haar over de achterblijvende betaling te overleggen. In het licht van deze stukken heeft het verweer van Flakkee onvoldoende handen en voeten gekregen. Overigens heeft Flakkee helemaal niets betaald van de premie, dus ook geen deelbedrag dat dan op de jaarpremie in mindering had kunnen strekken. De rechtbank verwerpt het verweer van Flakkee.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de gevorderde hoofdsom toewijsbaar.
Flakkee is de wettelijke handelsrente verschuldigd
5.7.
Over de hoofdsom is zoals gevorderd de wettelijke handelsrente verschuldigd. De ingangsdatum hiervan is 31 januari 2024, te weten de vervaltermijn voor de factuur met betrekking tot de jaarpremie over dat jaar.
Flakkee is een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd
5.8.
Bij inleidende dagvaarding heeft Bovemij onderbouwd gesteld dat zij diverse handelingen heeft verricht om tot voldoening van haar vordering buiten rechte te komen. Hiervoor is Flakkee een vergoeding verschuldigd. Het gevorderde bedrag van € 1.386,10 is conform de gebruikelijke methode berekend. Deze vordering wordt toegewezen.
Flakkee moet de proceskosten van Bovemij vergoeden
5.9.
Omdat Flakkee ongelijk krijgt wordt zij veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Bovemij. Deze worden als volgt begroot:
dagvaardingskosten € 122,35
griffierecht € 2.995,00
salaris advocaat € 2.580,00
nakosten € 189,00 (plus de verhoging genoemd in het dictum)
totaal € 5.886,35
Voor de duidelijkheid zal het verstekvonnis worden vernietigd
5.10.
Omdat op details de beslissing anders wordt dan in het verstekvonnis opgenomen, zal de rechtbank ter voorkoming van onduidelijkheden dit verstekvonnis vernietigen en een geheel nieuwe beslissing opnemen in het dictum.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
vernietigt het verstekvonnis van 1 oktober 2025, gewezen in de zaak met nummer C/10/705304 / HA ZA 25-694, en opnieuw rechtdoende:
6.2.
veroordeelt Flakkee tot betaling aan Bovemij van € 61.110,11, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 31 januari 2024 tot aan de dag van voldoening;
6.3.
veroordeelt Flakkee tot betaling aan Bovemij van € 1.386,10;
6.4.
veroordeelt Flakkee in de proceskosten van Bovemij van € 5.886,35, vermeerderd met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
1980/3488
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713717 / HA ZA 26-83
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
AUTOBEDRIJF FLAKKEE B.V.,
te Dirksland,
eisende partij in verzet, oorspronkelijk gedaagde partij,
hierna te noemen: Flakkee,
advocaat: mr. M.W. Huijzer,
tegen
N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,
te Nijmegen,
gedaagde partij in verzet, oorspronkelijk eisende partij,
hierna te noemen: Bovemij,
advocaat: mr. J. van de Graaf.
1De zaak in het kort
Flakkee heeft bij Bovemij een verzekering afgesloten. Zij heeft de premie over het jaar 2024 niet betaald. Bovemij vordert dat Flakkee tot betaling wordt veroordeeld. Die vordering wordt toegewezen. De bezwaren daartegen van Flakkee worden afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke inleidende dagvaarding van 4 augustus 2025, met producties;
- het verstekvonnis van 1 oktober 2025 inzake C/10/705304 / HA ZA 25-694;- de verzetdagvaarding van 11 december 2025, met producties;
- de akte aanvulling gronden van verzet van Flakkee;
- de mail van de rechtbank van 28 mei 2026 met een zittingsagenda;
- de twee aktes aanvullende producties van Bovemij, waarin ook een eisvermindering;
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026;
- de pleitaantekeningen van Bovemij.
2.2.
Een dag voor de mondelinge behandeling heeft mr. Huijzer laten weten dat de bestuurder van Flakkee wegens medische omstandigheden aan huis was gebonden en niet in staat was om naar de rechtbank te reizen. De rechtbank heeft daarop laten weten dat de bestuurder van Flakkee ook door middel van een onlineverbinding aan de zitting zou kunnen deelnemen. Daarop heeft mr. Huijzer laten weten dat de bestuurder hiervan geen gebruik zou maken en dat ook hij niet zou verschijnen. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat de mondelinge behandeling doorgaat. Van de kant van Flakkee is niemand ter zitting verschenen.
2.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis wordt gewezen.
3De feiten
3.1.
Flakkee exploiteert een garagebedrijf.
3.2.
Flakkee heeft haar handelsvoorraad auto’s sinds 2017 verzekerd bij Bovemij. Op deze overeenkomst zijn voorwaarden van toepassing die onder andere bepalen dat de overeenkomst stilzwijgend wordt voortgezet voor een opvolgend jaar, tenzij deze wordt opgezegd.
3.3.
Bovemij stelt jaarlijks de premie vast voor het volgende jaar. Dit doet zij op basis van een opgave van de (cataloguswaarde van de) handelsvoorraad door Flakkee. Bij mail van 2 december 2023 aan Flakkee heeft Bovemij de nieuwe premie bekend gemaakt. Flakkee heeft deze mail ontvangen.
3.4.
Op 1 januari 2024 heeft Bovemij de jaarpremie (inclusief belastingen) van € 61.110,11 aan Flakkee gefactureerd. De factuur vermeldt een betalingstermijn van 30 dagen.
3.5.
Flakkee heeft de factuur niet voldaan. Flakkee heeft ook geen deelbetalingen op de factuur gedaan.
3.6.
Gedurende het jaar 2024 heeft Flakkee verschillende auto’s aangemeld onder de verzekering bij Bovemij en ook heeft zij verschillende schademeldingen bij Bovemij gedaan.
3.7.
De verzekeringsovereenkomst is per 1 januari 2025 geëindigd.
3.8.
Bij verstekvonnis van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank de vordering van Bovemij toegewezen.
4Het geschil
4.1.
Na vermindering van eis vordert Bovemij, samengevat, veroordeling van Flakkee tot betaling van € 61.110,11 vermeerderd met de wettelijke (handels)rente, en verder tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.386,10 en van de proceskosten, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
4.2.
In verzet voert Flakkee verweer en vordert zij dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vordering van Bovemij alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van Bovemij in de proceskosten.
5De beoordeling
Het verzet is tijdig ingesteld
5.1.
Flakkee heeft onbetwist gesteld dat zij (althans haar advocaat) op 8 december 2025 heeft kennis genomen van het verstekvonnis van 1 oktober 2025. Van een eerdere ingangsdatum van de verzettermijn is niet gebleken. De verzetdagvaarding dateert van 11 december 2025 en is daarmee tijdig uitgebracht (art. 143 Rv).
Flakkee is de verzekeringspremie verschuldigd
5.2.
Met de vordering wil Bovemij bereiken dat Flakkee de premie betaalt die zij is verschuldigd in het kader van de tussen partijen tot stand gekomen verzekeringsovereenkomst over het jaar 2024. Daarop ziet de gevorderde hoofdsom.
5.3.
De overeenkomst waarop deze vordering is gebaseerd is daadwerkelijk tot stand gekomen. Flakkee exploiteert een autobedrijf en ten behoeve van de verzekering van haar auto’s heeft zij al in 2017 bij Bovemij een verzekeringsovereenkomst gesloten. Die overeenkomst is jaarlijks verlengd. Hierover bestaat tussen partijen geen discussie. De overeenkomst is ook voor het jaar 2024 verlengd, omdat deze niet door Flakkee is opgezegd en de polisvoorwaarden in dat geval voorzien in stilzwijgende verlenging voor een jaar. Dat ook Flakkee er vanuit ging dat de verzekering in 2024 doorliep, blijkt uit het (vaststaande) feit dat zij gedurende dat jaar van de verzekering gebruik heeft gemaakt door auto’s aan te melden en schades te melden. Flakkee was dus voor het jaar 2024 de premie verschuldigd.
5.4.
Op basis van de cataloguswaarde van de handelsvoorraad van Flakkee heeft Bovemij de premie voor het jaar 2024 vastgesteld. Deze heeft zij op 2 december 2023 aan Flakkee gemaild, welke mail door Flakkee is ontvangen. Hierop heeft Flakkee niet gereageerd. Bovemij heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat Flakkee gerechtigd was de overeenkomst op te zeggen als zij het niet met deze premie eens was. Dat heeft Flakkee niet gedaan. Bovemij mocht er daarom vanuit gaan dat Flakkee akkoord was met de gewijzigde premie.
5.5.
Wat Flakkee hier tegenover heeft gesteld doet aan het voorgaande niet af. Flakkee voert aan dat zij signalen heeft gegeven dat het niet goed ging met haar bedrijf en ook dat zij op enig moment heeft gevraagd om niet langer per jaar maar maandelijks te mogen betalen. Volgens Flakkee heeft Bovemij hier niet op gereageerd. Bovemij heeft ter voorbereiding op de mondelinge behandeling aanvullende stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd met Flakkee in contact te komen om met haar over de achterblijvende betaling te overleggen. In het licht van deze stukken heeft het verweer van Flakkee onvoldoende handen en voeten gekregen. Overigens heeft Flakkee helemaal niets betaald van de premie, dus ook geen deelbedrag dat dan op de jaarpremie in mindering had kunnen strekken. De rechtbank verwerpt het verweer van Flakkee.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de gevorderde hoofdsom toewijsbaar.
Flakkee is de wettelijke handelsrente verschuldigd
5.7.
Over de hoofdsom is zoals gevorderd de wettelijke handelsrente verschuldigd. De ingangsdatum hiervan is 31 januari 2024, te weten de vervaltermijn voor de factuur met betrekking tot de jaarpremie over dat jaar.
Flakkee is een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd
5.8.
Bij inleidende dagvaarding heeft Bovemij onderbouwd gesteld dat zij diverse handelingen heeft verricht om tot voldoening van haar vordering buiten rechte te komen. Hiervoor is Flakkee een vergoeding verschuldigd. Het gevorderde bedrag van € 1.386,10 is conform de gebruikelijke methode berekend. Deze vordering wordt toegewezen.
Flakkee moet de proceskosten van Bovemij vergoeden
5.9.
Omdat Flakkee ongelijk krijgt wordt zij veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Bovemij. Deze worden als volgt begroot:
dagvaardingskosten € 122,35
griffierecht € 2.995,00
salaris advocaat € 2.580,00
nakosten € 189,00 (plus de verhoging genoemd in het dictum)
totaal € 5.886,35
Voor de duidelijkheid zal het verstekvonnis worden vernietigd
5.10.
Omdat op details de beslissing anders wordt dan in het verstekvonnis opgenomen, zal de rechtbank ter voorkoming van onduidelijkheden dit verstekvonnis vernietigen en een geheel nieuwe beslissing opnemen in het dictum.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
vernietigt het verstekvonnis van 1 oktober 2025, gewezen in de zaak met nummer C/10/705304 / HA ZA 25-694, en opnieuw rechtdoende:
6.2.
veroordeelt Flakkee tot betaling aan Bovemij van € 61.110,11, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 31 januari 2024 tot aan de dag van voldoening;
6.3.
veroordeelt Flakkee tot betaling aan Bovemij van € 1.386,10;
6.4.
veroordeelt Flakkee in de proceskosten van Bovemij van € 5.886,35, vermeerderd met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
1980/3488