Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9707
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12062723 CV EXPL 26-2153
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overeenkomst van opdracht, loon over opzegtermijn. Opdrachtgever krijgt een bewijsopdracht (diefstal/verduistering/onjuiste urenregistratie door opdrachtnemer).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.829 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12062723 CV EXPL 26-2153
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
die handelt onder de naam [handelsnaam] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. B. Bostancieri,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K. Hellinga.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De beoordeling
Wat is de kern
1.1.
Deze zaak gaat over de overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [gedaagde] , op basis waarvan [eiser] werkzaamheden als bedrijfsleider heeft verricht bij [gedaagde] . De overeenkomst was aangegaan voor de duur van een jaar vanaf 1 juli 2025. [gedaagde] heeft de opdracht echter op 4 augustus 2025 per direct beëindigd. [eiser] stelt dat een contractuele opzegtermijn van 2 maanden in acht had moeten worden genomen. Door dit niet te doen is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst dan wel heeft [gedaagde] gehandeld in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daaro is [gedaagde] schadeplichtig tegenover hem, aldus [eiser] . [eiser] eist dat [gedaagde] € 12.588,- inclusief btw met rente en kosten aan hem betaalt. Dit is het loon over de opzegtermijn.
1.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens [gedaagde] is [eiser] niet eerlijk geweest over zijn gewerkte uren en heeft hij diefstal dan wel verduistering gepleegd. [gedaagde] vindt daarom dat [eiser] zich niet op een opzegtermijn kan beroepen en dat zij de overeenkomst per direct mocht beëindigen. [eiser] heeft in strijd met artikel 7:403 lid 2 BW geen rekening en verantwoording afgelegd. Zij vindt dat zij niets meer aan [eiser] is verschuldigd.
De uitkomst
1.3.
[gedaagde] krijgt een bewijsopdracht. Hierna wordt toegelicht waarom.
De partijen mochten een opzegtermijn afspreken
1.4.
Het primaire verweer van [gedaagde] dat zij de overeenkomst per direct mocht beëindigen op grond van artikel 7:408 lid 1 BW slaagt niet. Partijen zijn een opzegtermijn van twee maanden overeengekomen. Dit mochten zij doen, omdat de regeling in artikel 7:408 lid 1 BW alleen van dwingend recht is voor de niet-professionele opdrachtgever. [gedaagde] kwalificeert echter als professionele opdrachtgever, omdat zij de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van haar bedrijf.
[gedaagde] krijgt een bewijsopdracht
1.5.
Het subsidiaire verweer van [gedaagde] is dat zij de overeenkomst met onmiddellijke ingang mocht beëindigen vanwege de hierna genoemde omstandigheden.
1.6.
[gedaagde] stelt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal dan wel verduistering. Hij zou producten uit het restaurant mee naar huis hebben genomen, namelijk een bij Sligro bestelde messenset, twee flessen rum, Tork M2 Wiping Paper, Glorix toiletreiniger, een fles Malibu, een fles Licor 43 en andere flessen. Ook is er onder de verantwoordelijkheid van [eiser] € 230,- uit de fooienpot verdwenen en was er een kasverschil van € 100,-. Verder stelt [gedaagde] dat [eiser] teveel gewerkte uren heeft geregistreerd. Dit alles blijkt volgens [gedaagde] onder meer uit de overgelegde videobeelden met daarop een tijdsaanduiding en verklaringen van personeelsleden van het restaurant. [eiser] heeft alle verwijten betwist.
1.7.
[gedaagde] heeft de bewijslast van haar stellingen en krijgt daarom een bewijsopdracht.
1.8.
Direct nadat [gedaagde] bewijs heeft geleverd, mag [eiser] (tegen)bewijs leveren. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld op elkaars bewijs te reageren, door middel van een conclusie na getuigenbewijs, wanneer het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs is geleverd.
1.9.
De kantonrechter wijst er op dat het verweer van [gedaagde] ook kan slagen als niet van alle maar wel van een relevant aantal verwijten de juistheid is komen vast te staan. Het is aan de kantonrechter om dat (na de bewijslevering) te beoordelen.
2.0.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2De beslissing
De kantonrechter:
2.1.
draagt [gedaagde] op om te bewijzen dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal dan wel verduistering c.q. het zonder toestemming van [gedaagde] wegnemen van goederen van [gedaagde] en/of geld;
2.2.
draagt [gedaagde] op om te bewijzen dat [eiser] teveel gewerkte uren heeft geregistreerd;
schriftelijk bewijs
2.3.
bepaalt dat als [gedaagde] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van woensdag 19 augustus 2026 om 11:30 uur in tweevoud door de rechtbank moet zijn ontvangen (met een kopie aan de gemachtigde van [eiser] );
getuigenbewijs
2.4.
bepaalt dat als [gedaagde] getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen aan de rechtbank moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden augustus 2026 tot en met maart 2027 (met een kopie aan de gemachtigde van [eiser] );
2.5.
wijst erop dat [gedaagde] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
2.6.
bepaalt dat als [gedaagde] ook op een andere manier bewijs wil leveren, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe (met een kopie aan de gemachtigde van [eiser] );
2.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit proces-verbaal is op 28 juli 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter, mr. J.W. Langeler.
43416
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12062723 CV EXPL 26-2153
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
die handelt onder de naam [handelsnaam] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. B. Bostancieri,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K. Hellinga.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De beoordeling
Wat is de kern
1.1.
Deze zaak gaat over de overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [gedaagde] , op basis waarvan [eiser] werkzaamheden als bedrijfsleider heeft verricht bij [gedaagde] . De overeenkomst was aangegaan voor de duur van een jaar vanaf 1 juli 2025. [gedaagde] heeft de opdracht echter op 4 augustus 2025 per direct beëindigd. [eiser] stelt dat een contractuele opzegtermijn van 2 maanden in acht had moeten worden genomen. Door dit niet te doen is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst dan wel heeft [gedaagde] gehandeld in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daaro is [gedaagde] schadeplichtig tegenover hem, aldus [eiser] . [eiser] eist dat [gedaagde] € 12.588,- inclusief btw met rente en kosten aan hem betaalt. Dit is het loon over de opzegtermijn.
1.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens [gedaagde] is [eiser] niet eerlijk geweest over zijn gewerkte uren en heeft hij diefstal dan wel verduistering gepleegd. [gedaagde] vindt daarom dat [eiser] zich niet op een opzegtermijn kan beroepen en dat zij de overeenkomst per direct mocht beëindigen. [eiser] heeft in strijd met artikel 7:403 lid 2 BW geen rekening en verantwoording afgelegd. Zij vindt dat zij niets meer aan [eiser] is verschuldigd.
De uitkomst
1.3.
[gedaagde] krijgt een bewijsopdracht. Hierna wordt toegelicht waarom.
De partijen mochten een opzegtermijn afspreken
1.4.
Het primaire verweer van [gedaagde] dat zij de overeenkomst per direct mocht beëindigen op grond van artikel 7:408 lid 1 BW slaagt niet. Partijen zijn een opzegtermijn van twee maanden overeengekomen. Dit mochten zij doen, omdat de regeling in artikel 7:408 lid 1 BW alleen van dwingend recht is voor de niet-professionele opdrachtgever. [gedaagde] kwalificeert echter als professionele opdrachtgever, omdat zij de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van haar bedrijf.
[gedaagde] krijgt een bewijsopdracht
1.5.
Het subsidiaire verweer van [gedaagde] is dat zij de overeenkomst met onmiddellijke ingang mocht beëindigen vanwege de hierna genoemde omstandigheden.
1.6.
[gedaagde] stelt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal dan wel verduistering. Hij zou producten uit het restaurant mee naar huis hebben genomen, namelijk een bij Sligro bestelde messenset, twee flessen rum, Tork M2 Wiping Paper, Glorix toiletreiniger, een fles Malibu, een fles Licor 43 en andere flessen. Ook is er onder de verantwoordelijkheid van [eiser] € 230,- uit de fooienpot verdwenen en was er een kasverschil van € 100,-. Verder stelt [gedaagde] dat [eiser] teveel gewerkte uren heeft geregistreerd. Dit alles blijkt volgens [gedaagde] onder meer uit de overgelegde videobeelden met daarop een tijdsaanduiding en verklaringen van personeelsleden van het restaurant. [eiser] heeft alle verwijten betwist.
1.7.
[gedaagde] heeft de bewijslast van haar stellingen en krijgt daarom een bewijsopdracht.
1.8.
Direct nadat [gedaagde] bewijs heeft geleverd, mag [eiser] (tegen)bewijs leveren. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld op elkaars bewijs te reageren, door middel van een conclusie na getuigenbewijs, wanneer het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs is geleverd.
1.9.
De kantonrechter wijst er op dat het verweer van [gedaagde] ook kan slagen als niet van alle maar wel van een relevant aantal verwijten de juistheid is komen vast te staan. Het is aan de kantonrechter om dat (na de bewijslevering) te beoordelen.
2.0.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2De beslissing
De kantonrechter:
2.1.
draagt [gedaagde] op om te bewijzen dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal dan wel verduistering c.q. het zonder toestemming van [gedaagde] wegnemen van goederen van [gedaagde] en/of geld;
2.2.
draagt [gedaagde] op om te bewijzen dat [eiser] teveel gewerkte uren heeft geregistreerd;
schriftelijk bewijs
2.3.
bepaalt dat als [gedaagde] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van woensdag 19 augustus 2026 om 11:30 uur in tweevoud door de rechtbank moet zijn ontvangen (met een kopie aan de gemachtigde van [eiser] );
getuigenbewijs
2.4.
bepaalt dat als [gedaagde] getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen aan de rechtbank moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden augustus 2026 tot en met maart 2027 (met een kopie aan de gemachtigde van [eiser] );
2.5.
wijst erop dat [gedaagde] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
2.6.
bepaalt dat als [gedaagde] ook op een andere manier bewijs wil leveren, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe (met een kopie aan de gemachtigde van [eiser] );
2.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit proces-verbaal is op 28 juli 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter, mr. J.W. Langeler.
43416