Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9607

2026-01-19 Civiel recht; Insolventierecht C/10/712342 HO RK 25/2249
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-01-19
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
C/10/712342 HO RK 25/2249
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; INS-Updates.nl 2026-0177

Inhoudsindicatie

WHOA zaak. Afkondigen afkoelingsperiode. Afgeven machtiging voor rechtshandelingen. Aanstellen observator.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.612 tekens)
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM


Team Insolventie – meervoudige kamer




afkondigen afkoelingsperiode, afgeven machtiging voor rechtshandelingen en aanstellen observator

rekestnummer: C/10/712342 HO RK 25-2249
uitspraakdatum: 19 januari 2026



beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) en artikel 42a Fw in de (besloten) akkoordprocedure van:





[verzoekster]
,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. Chr. Giljam.






1De procedure


1.1.
Verzoekster heeft op 10 december 2025 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd.



1.2.
Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.



1.3.
Verzoekster heeft op 23 december 2025 ter griffie een verzoekschrift met twaalf bijlagen ingediend, strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor een periode van vier maanden en strekkende tot het afgeven van een machtiging ex artikel 42a Fw. Op 24 december 2025 heeft verzoekster twee nadere stukken overgelegd. Op 9 januari 2026 heeft verzoekster een brief met vier bijlagen overgelegd. Op 12 januari 2026 heeft verzoekster een nader stuk overgelegd. Verzoekster heeft haar verzoeken op 12 januari 2026 aangevuld met een nader verzoek tot het afgeven van een machtiging ex artikel 42a Fw.



1.4.
Verzoekster heeft Toyota Material Handling B.V., Doornbos Bergschenhoek Handels- en Transportbedrijf B.V., de Belastingdienst en D.N.A. United Forwarders B.V. als belanghebbenden aangeduid en verzoekster heeft hen opgeroepen voor de zitting.



1.5.

De verzoek(en) zijn op 12 januari 2026 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen en gehoord:
namens [verzoekster] :

- [naam] , bestuurder,
- [naam] , bestuurder,
- [naam] , interim controller,
- P.C. van Prooijen, adviseur,
- mr. Chr. Giljam, advocaat;
namens Active Capital Company Fund I B.V.:
- [naam] , bestuurder,
- [naam] , bestuurder;
namens Amista Nederland B.V.:
- [naam] , bestuurder,
- mr. P.G.M. Brouwer , advocaat;

namens Peinemann Heftrucks B.V., Peinemann Kranen B.V. en
Peinemann Hoogwerksystemen B.V.:

- [naam] , financial controller,
- [naam] , legal counsel;
namens Doornbos Bergschenhoek Handels- en Transportbedrijf B.V.:
- [naam] , bestuurder.



1.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Giljam spreekaantekeningen voorgedragen die hij voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft overgelegd.



1.7.
De uitspraak is bepaald op vandaag.






2De verzoeken


2.1.
Verzoekster doet een verzoek tot het afkondigen van een (algemene) afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor de duur van vier maanden. Verzoekster zegt daarbij toe dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw zal aanbieden, en wel uiterlijk op 10 februari 2026. Verder doet verzoekster verzoeken tot het afgeven van machtigingen ex artikel 42a Fw voor het vestigen van zekerheden in het kader van noodfinanciering.



2.2.
Verzoekster maakt producten en levert producten en diensten voor met name de offshore-industrie, onder meer kabels, lieren en liften. Verzoekster verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. De oorzaak daarvan ligt in de vermindering en uiteindelijk de volledige beëindiging van haar werkkapitaalfinanciering door Impact Factoring B.V., welke factormaatschappij beperkte werkkapitaalfinanciering bood nadat eerder ING Bank N.V., de kredietrelatie na het einde van de contractstermijn niet verlengde. Omdat de onderneming van verzoekster met adequaat werkkapitaal wel levensvatbaar is, heeft verzoekster een startverklaring gedeponeerd en beoogt zij een WHOA-akkoord tot stand te brengen.



2.3.
Verzoekster heeft haar activiteiten de afgelopen jaren, naast het leveren van kabels en dergelijke, uitgebreid met dienstverlening waar haar klanten grote behoefte aan blijken te hebben. Verzoekster geeft technische adviezen en verzorgt installatie, onderhoud, reparatie, en recycling van door haar geleverde zaken. Met voldoende werkkapitaal kan zij eenvoudig meer omzet en positieve resultaten genereren.



2.4.
Verzoekster voert momenteel een reorganisatie door die tot kostenbesparing zal leiden. Met het oog op de omvang van haar onderneming en het feit dat de financiering van het akkoord een desinvestering vergt, vraagt verzoekster om een afkoelingsperiode voor de initiële duur van vier maanden.



2.5.
De afkoelingsperiode is nodig om de bedrijfsvoering gedurende de periode dat een akkoord wordt voorbereid te kunnen voortzetten.







2.6.
Het uitgangspunt is dat door middel van het aan te bieden akkoord de volledige reorganisatiewaarde van de onderneming wordt uitgekeerd. Het bedrag dat in het akkoordvoorstel voor verdeling beschikbaar komt, zal niet onder de reorganisatiewaarde liggen. De precieze vorm waarin de verdeling van de reorganisatiewaarde zal gebeuren, kan op dit moment nog niet bepaald worden.



2.7.
De door verzoekster ingeschakelde valuator heeft de nog precies te becijferen reorganisatiewaarde geschat op € 10 miljoen. De geschatte liquidatiewaarde is € 7 miljoen, te verminderen met circa € 1.731.000,- aan geschatte boedelschulden en faillissementskosten.



2.8.
Verzoekster heeft haar uitstaande posities bij crediteuren gefixeerd op de datum van de startverklaring.



2.9.
Gelet op de globale reorganisatiewaarde van de onderneming en de geschatte liquidatiewaarde, kan de crediteuren in het akkoord naar verwachting een substantieel beter aanbod worden gedaan dan de uitkering die zij in faillissement tegemoet kunnen zien.



2.10.
Geen van de crediteuren zal door de afkoelingsperiode wezenlijk in zijn belangen worden geschaad. Verzoekster kan met noodfinanciering tijdens de afkoelingsperiode aan haar lopende verplichtingen voldoen.



2.11.
Twee middellijk aandeelhouders, Active Capital Company Fund I B.V. en Van Kooten Holding B.V., hebben zich bereid getoond een financiering te verstrekken van € 3.250.000,-, onder de voorwaarde dat pandrechten worden verstrekt op debiteuren en roerende zaken van verzoekster tot zekerheid van de terugbetaling van de lening en dat voor deze verpanding een machtiging ex artikel 42a Fw wordt gevraagd.



2.12.
Op 8 januari 2026 is surseance van betaling verleend aan Impact Factoring B.V. Op die datum stond op een bankrekening van Impact Factoring B.V. een bedrag van ruim € 601.000,- dat aan verzoekster toekomt. Impact Factoring B.V. heeft geen vordering meer op verzoekster, behalve een beëindigingsfee van maximaal € 24.200,- exclusief btw. Impact Factoring B.V. stort echter de aan verzoekster toekomende bedragen vooralsnog niet aan haar door. Daardoor ontstaat nader liquiditeitstekort. Active Capital Company Fund I B.V. heeft zich bereid verklaard verzoekster aanvullende financiering van € 600.000,- te verstrekken, onder de voorwaarde dat pandrechten worden verstrekt op de door verzoekster gehouden aandelen in de Noorse vennootschap [dochtervennootschap] tot zekerheid van de terugbetaling van de lening van € 3.250.000,- en de aanvullende lening van € 600.000,- en dat voor deze verpanding een machtiging ex artikel 42a Fw wordt gevraagd.



2.13.
De noodfinanciering via deze twee leningen van tezamen € 3.850.000,- met daaraan gekoppelde verpandingen is noodzakelijk om de door verzoekster gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord te kunnen blijven voortzetten en een akkoord te kunnen voorbereiden, in stemming te kunnen brengen en door de rechtbank te kunnen laten homologeren. De belangen van de gezamenlijk schuldeisers van verzoekster zijn bij deze rechtshandelingen gediend, terwijl geen van de individuele schuldeisers daardoor wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad, aldus steeds verzoekster.











3De beoordeling



Rechtsmacht en bevoegdheid



3.1.
De rechtbank stelt vast dat de onderhavige verzoeken de eerste verzoeken zijn in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank dient vast te stellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.



3.2.
Verzoekster heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Verzoekster is statutair gevestigd in [vestigingsplaats] en houdt aldaar kantoor. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.



Afkoelingsperiode




3.3.
Op grond van artikel 376 Fw kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien (nog) geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.



3.4.
Verzoekster heeft in haar verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden zodat zij kan worden ontvangen in haar verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode.



3.5.
Op grond van artikel 376 lid 4 Fw wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.



3.6.
Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door de verzoekster gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. Dit volgt uit de omstandigheid dat schuldeiser Toyota Material Handling B.V. bij de rechtbank Rotterdam een tegen verzoekster gericht faillissementsverzoek heeft ingediend, dat op de rolzitting van 20 januari 2026 is geplaatst, en uit overgelegde stukken waaruit blijk dat in elk geval één schuldeiser concrete verhaalsmaatregelen of conservatoire maatregelen neemt en ten laste van verzoekster derdenbeslag legde onder ING Bank N.V.



3.7.
Ook is summierlijk gebleken dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van verzoekster bij een afkoelingsperiode zijn gediend. Uit de stellingen van verzoekster volgt dat – indien de herstructurering slaagt – er een hogere uitkering aan schuldeisers zal volgen dan ingeval van een faillissement; een faillissement dat zonder totstandkoming van een akkoord waarschijnlijk onafwendbaar zal zijn. Verzoekster heeft verder verklaard en onderbouwd dat zij haar lopende verplichtingen gedurende de verzochte afkoelingsperiode kan voldoen doordat zij noodfinanciering heeft verkregen. Door de afkoelingsperiode getroffen derden worden naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk in hun belangen geschaad nu ook voor hen geldt dat een hogere uitkering dan bij faillissement in het verschiet ligt.



3.8.
Mede doordat een aantal overgelegde financiële bescheiden ziet op de groep waar verzoekster deel van uitmaakt, en niet op de zelfstandige positie van verzoekster, kan de rechtbank in beperkte mate de aansluiting tussen die gegevens en de overgelegde liquiditeitsprognose maken. Verder constateert de rechtbank dat de onderneming van verzoekster al enige tijd verlieslatend is en dat de afgelopen jaren twee financiers om hen moverende redenen de financieringsrelatie hebben beëindigd, althans niet hebben verlengd. Verzoekster heeft ter zitting uitgelegd dat zij, naast het leveren van onder meer kabels, meer inzet op het leveren van diensten zoals het geven van technische adviezen en het verzorgen van onderhoud, reparatie en recycling en dat zij met voldoende werkkapitaal eenvoudig meer omzet en positieve resultaten kan genereren. Verder heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij verwacht binnen vier weken een akkoordvoorstel voor te kunnen leggen aan haar schuldeisers.



3.9.
De rechtbank ziet in één en ander aanleiding om een afkoelingsperiode van twee maanden af te kondigen.



3.10.
Indien verlenging van de afkoelingsperiode wordt verzocht, zal de rechtbank onder meer willen weten wat de status is van het akkoordaanbod en hoe de ontwikkeling van de omzet en de liquiditeit is geweest vanaf 10 december 2025 (de datum van de startverklaring) tot en met de datum van het verzoek verlenging.



3.11.
De rechtbank zal verder ter beveiliging van de belangen van de schuldeisers een observator aanstellen, waarover hierna meer.



Verzoeken ex artikel 42a Fw




3.12.
Artikel 42a Fw bepaalt dat een rechtshandeling die is verricht nadat de schuldenaar ter griffie van de rechtbank een startverklaring heeft gedeponeerd, niet meer met een beroep op artikel 42 Fw kan worden vernietigd als de rechter op verzoek van de schuldenaar voor de rechtshandeling een machtiging heeft afgegeven. Het verzoek wordt gehonoreerd als op het moment dat de machtiging wordt verstrekt redelijkerwijs valt aan te nemen dat:a. het verrichten van de rechtshandeling noodzakelijk is om (1) de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord te kunnen blijven voortzetten of (2) een akkoord te kunnen voorbereiden, in stemming te kunnen brengen of door de rechtbank te kunnen laten homologeren, enb. de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van de schuldenaar bij deze rechtshandeling gediend zijn, terwijl geen van de individuele schuldeisers daardoor wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad.



3.13.
De rechtshandelingen die verzoekster op de voet van artikel 42a Fw wil beschermen zijn:

- Het in pand geven van roerende zaken en vorderingen, zoals vastgelegd in de op 23 december 2025 ondertekende pandakte, tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen van verzoekster aan Active Capital Company Fund I B.V. en Van Kooten Holding B.V. uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 23 december 2025, betreffende een bedrag van € 3.250.000,-,
en;
- Het in pand geven van de door verzoekster gehouden aandelen in de Noorse vennootschap [dochtervennootschap] , zoals vastgelegd in het op 12 januari 2026 ondertekende addendum bij de geldleningsovereenkomst van 23 december 2025, tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen van verzoekster aan Active Capital Company Fund I B.V. uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 23 december 2025 en de aanvullende lening van € 600.000,-.



3.14.
Summierlijk is gebleken dat er zonder de noodfinanciering van in totaal € 3.850.000,- niet genoeg liquide middelen zullen zijn om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten en Active Capital Company Fund I B.V. en Van Kooten Holding B.V. hebben het vestigen van de pandrechten als voorwaarde gesteld aan het verstrekken van de leningen, zodat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de zekerheidstelling noodzakelijk is in bovengenoemde zin.



3.15.
Redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij deze rechtshandeling gediend zijn, gelet op het vooruitzicht dat het akkoord voor hen gunstiger zal zijn dan een faillissement.



3.16.
De rechtbank heeft verzoekster vragen gesteld over de positie van de Belastingdienst, die een aanzienlijke vordering heeft en die voorafgaand aan de verpandingen waar machtiging voor wordt gevraagd, verhaal heeft op het vrije actief van verzoekster. Er is geen standpunt bekend van de Belastingdienst. De Belastingdienst is ondanks oproeping niet ter zitting verschenen. Gezien de geschatte bedragen van de reorganisatiewaarde en de liquidatiewaarde en rekening houdend met het bodemvoorrecht en de omstandigheid dat de Belastingdienst (eerste) pandrecht heeft op een aantal cable-laid slings en verder voor schulden van verzoekster verhaal op andere groepsvennootschappen kan nemen in verband met de fiscale eenheid Vpb en de fiscale eenheid OB, is het redelijkerwijs aannemelijk dat de Belastingdienst door de verpandingen niet wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad.



3.17.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij de eerste termijn van de noodfinanciering na deponering van de startverklaring heeft ontvangen. Gezien de tekst van de geldleningsovereenkomst van 23 december 2025 en het addendum van 12 januari 2026, kan een deel van de geldverstrekking plaatsvinden na afloop van het WHOA-traject. De rechtbank overweegt dat de bescherming die de verzochte machtiging tegen vernietiging ex artikel 42 Fw biedt, enkel ziet op zekerheidstelling voor gelden uit de noodfinanciering die tijdens het WHOA-traject worden verschaft voor de in artikel 42a lid 1 onder a Fw genoemde doelen. Verder eindigt de bescherming ten aanzien van de zekerheidsstelling voor de aanvullende geldlening zodra en voor zover Impact Factoring B.V. de aan verzoekster toekomende bedragen heeft terugbetaald.



3.18.
De rechtbank zal het verzoek toewijzen,



Observator





3.19.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om ter beveiliging van de belangen van de schuldeisers op de voet van artikel 376 lid 9 Fw ambtshalve een observator aan te stellen om toezicht te houden op de totstandkoming van het akkoord en daarbij oog te hebben voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Hoewel verzoekster heeft opgemerkt dat de kosten van een observator op het budget drukken, is gebleken dat verzoekster niet onwelwillend staat tegen aanstelling van een observator.



3.20.
De observator wordt verzocht over vier weken verslag uit te brengen over de stand van zaken, waarbij onder andere aandacht wordt besteed aan de omzet en de liquiditeitsontwikkeling vanaf 1 december 2025 ten opzichte van de prognose en over de haalbaarheid van een akkoord. Het verslag moet worden gedeeld met de schuldenaar en de onder 1.4 genoemde belanghebbenden.






3.21.
De kosten van de observator komen voor rekening van verzoekster. Om ervoor te zorgen dat de observator dadelijk met zijn werkzaamheden kan aanvangen, zal in deze beslissing vooruitlopend op een definitieve begroting, een voorschot worden vastgesteld op de kosten van de observator.






4De beslissing


De rechtbank:


- kondigt per heden een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 Fw voor een periode van twee maanden, die inhoudt:


- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [verzoekster] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [verzoekster] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden, en
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surseance, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens [verzoekster] verzoekster ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst dan wel geschorst blijft;


 geeft machtiging, onder de hiervoor onder overweging 3.17 weergegeven beperkingen, af voor de volgende rechtshandelingen:


- Het in pand geven van roerende zaken en vorderingen, zoals vastgelegd in de op 23 december 2025 ondertekende pandakte, tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen van verzoekster aan Active Capital Company Fund I B.V. en Van Kooten Holding B.V. uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 23 december 2025, betreffende een bedrag van € 3.250.000,-, en;
- Het in pand geven van de door [verzoekster] gehouden aandelen in de Noorse vennootschap [dochtervennootschap] , zoals vastgelegd in het op 12 januari 2026 ondertekende addendum bij de geldleningsovereenkomst van 23 december 2025, tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen van verzoekster aan Active Capital Company Fund I B.V. uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 23 december 2025 en de aanvullende lening van € 600.000,-.


 stelt aan als observator mr. R.C. Steenhoek, World Port Center Rotterdam, 27e etage, Wilhelminakade 955, 3072 AP Rotterdam;

 stelt het bedrag dat de werkzaamheden van de observator ten hoogste mogen kosten bij wijze van voorschot vast op een bedrag van € 10.000,- exclusief btw;

 draagt de observator op om binnen twee weken na heden een begroting van de kosten van zijn/haar werkzaamheden en die van eventuele derden die door hem/haar worden geraadpleegd te maken en deze aan de rechtbank toe te zenden en houdt de vaststelling van het bedrag dat de werkzaamheden van de observator en van de derden die door hem/haar worden geraadpleegd ten hoogste mogen kosten aan;

 bepaalt dat de kosten van de observator ten laste van [verzoekster] komen en dat [verzoekster] voor de betaling daarvan ten genoegen van de observator zekerheid dient te stellen;

 wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.



Deze beschikking is gegeven door mr. M. Aukema, voorzitter, mr. J.C.A.T. Frima en
mr. V.G.T. van Emstede, rechters, en in aanwezigheid van mr. J.B. Biezen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026.