Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9605

2026-08-12 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT 25/5480
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/5480
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Boete opgelegd aan slachterij voor apparatuur die niet afdoende schoon was gemaakt en voor het niet beschermen van vlees tegen verontreiniging (op de grond gevallen). Geen reden om aan de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen. Eerdere boetes opgelegd aan rechtsvoorganger terecht betrokken in toepassing van de recidiveregeling.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.312 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/5480


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen


[eiseres], te [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. J. Jansen),


en




de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.M.M. Geerligs).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 20.000,- die verweerder met het besluit van 31 januari 2025 aan eiseres heeft opgelegd voor overtredingen van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.





Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld tegelijk met een ander beroep van eiseres (ROT 25/3671). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door kantoorgenoot mr. B. van Os, en de gemachtigde van verweerder.




Totstandkoming van het bestreden besluit


3.1.

Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 13 november 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.
“Datum en tijdstip van de bevinding(en): 14 oktober 2024, omstreeks 11.05 uur.

Tijdens mijn inspectie op 14 oktober 2024, omstreeks 11:05 uur bevond ik mij in de uitsnijderij van [eiseres] te [plaats].


Een uitsnijderij is een levensmiddelenproductiebedrijf waar vlees wordt afgesneden en gescheiden van de botten van goedgekeurd voor humane consumptie karkassen, dus waar levensmiddelen worden behandeld en verwerkt. Mijn inspectie vond plaats tijdens de productie, toen medewerkers bezig waren met de verwerking van vlees bestemd voor menselijke consumptie.


Overtreding 1


In de koelcel van de uitsnijderij, waar voor menselijke consumptie bestemde runderkarkassen hingen, zag ik een elektrische zaag, die gebruikt werd om karkassen te zagen, waarvan het zaagblad vuil was door resten van oud vet en bloed (zie foto 1).


Ik herkende oude vetresten aan de witachtige kleur en de vette, droge textuur. Ik herkende oude bloedresten aan de donkerrode kleur en de droge textuur. Door de droogte van het materiaal wist ik zeker dat dit geen normaal dag- of werkvuil was, maar dat het om oud vuil ging wat al voor aanvang van de werkzaamheden aanwezig was en dat er dus niet goed was schoon gemaakt. Vet- en vleesresten vormen een voedingsbodem voor ziektekiemen. Als dit vuil al langer aanwezig is, hebben de ziektekiemen mogelijkheid gehad om te zich te vermeerderen. Wanneer het bevuilde artikel of apparatuur in aanraking komt met voedsel is er grote kans op kruiscontaminatie en daarmee risico voor de volksgezondheid wanneer dit gecontamineerde voedsel gegeten wordt.


Ik zag dat apparatuur dat met voedsel in aanraking kwam, niet afdoende werd schoongemaakt en ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden.

[…]

Overtreding 2


Tijdens deze inspectie zag ik in de snijruimte rundvlees voor humane consumptie dat op de vloer was gevallen, op minstens drie plekken onder het uiteinde van de snijtafel. De hoeveelheid vlees was zodanig dat het op alle drie de plekken een stapel had gevormd (zie foto’s 2 t/m 5). Ik zag vlees opgestapeld op een metalen structuur die niet bedoeld was voor dat specifieke gebruik en ik zag vlees op de vloer dat tegen een tuinslang aan kwam.


Ik zag dat niemand van de medewerkers of de afdelingschefs actie ondernam tegen het vlees dat op de grond lag, of om te voorkomen dat er nog meer vlees op de grond viel.


Vloeren raken besmet door mensen die eroverheen lopen, zij worden na de productie eenmaal per dag schoongemaakt en zijn verontreinigde oppervlakken waardoor vlees dat erop valt onveilig is en niet geschikt voor humane consumptie.


Ik zag dat levensmiddelen niet in alle stadia van de verwerking werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.

[…]

Het rapport is per e-mail aangezegd op 14 oktober 2024 aan [naam] (zie aanzegging per email).”




3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres twee beboetbare feiten heeft gepleegd.


3.2.1

Beboetbaar feit 1: Apparatuur die met voedsel in aanraking komt was niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk V, punt 1 onder a, van Verordening 852/2004. Verweerder heeft eiseres voor deze overtreding een boete opgelegd van € 7.500,-.




3.2.2.

Beboetbaar feit 2: Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie en verwerking beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004. Verweerder heeft eiseres voor deze overtreding een boete opgelegd van € 12.500,-.







Beoordeling door de rechtbank



Heeft verweerder bewezen dat eiseres beboetbaar feit 1 heeft begaan?

4. Eiseres voert aan dat er op de zaag geen resten van oud vet en bloed aanwezig waren. Op de bij het rapport van bevindingen gevoegde foto’s is te zien dat het gaat om nieuwe vleesresten. De zaag was in de ochtend van de constatering al gebruikt. De zaag kon ook geen oude vlees- of bloedresten bevatten omdat de zaag elke dag wordt gereinigd en ontsmet. Voorts blijkt uit de door eiseres overgelegde weekrapportage dat op de ochtend van de beweerdelijke overtreding bij een controleronde door een medewerker van eiseres is vastgesteld dat de zaag schoon was. Deze controle vond ongeveer een uur voor de constatering van de toezichthouder plaats. Verder ziet eiseres steun voor haar stelling dat geen sprake is van een overtreding in een uitspraak van deze rechtbank van 20 juli 2021. Eiseres heeft aangetoond dat de zaag voor gebruik schoon was en dus is de overtreding niet bewezen. Dat de toezichthouder een witachtige kleur en een vette, droge structuur heeft geconstateerd is logisch en past bij verse vleesresten. Voorafgaande aan het uitbenen met de zaag worden karkassen gekoeld waarbij het vet door koeling en oxidatie een lichte kleur en korrelige structuur krijgt. Eiseres verwijst naar foto’s van een zaag kort nadat deze is gebruikt en stelt dat de verse vleesresten op die foto’s er nagenoeg hetzelfde uitzien als op de foto die de toezichthouder bij het rapport heeft gevoegd. Nu uit het rapport en de daarbij gevoegde foto niet blijkt dat sprake was van oude resten vet en bloed, is de overtreding niet bewezen. Eiseres verwijst daarbij naar twee uitspraken van deze rechtbank.


4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.



4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder over de zaag te twijfelen. In het rapport is duidelijk beschreven dat de toezichthouder zag dat het zaagblad vuil was door oude vetresten en oude bloedresten. Ook is in het rapport gemotiveerd waarom de toezichthouder dit als oude resten herkende, namelijk door de witachtige kleur en de vette, droge textuur van de vetresten en de donkerrode kleur en droge textuur van de bloedresten. Bij het rapport is ook een foto van de zaag gevoegd. De rechtbank ziet in de betwisting door eiseres geen grond om te betwijfelen of de zaag oud vuil bevatte. Eiseres heeft foto’s overgelegd van een zaag die alleen verse resten zou bevatten en hoewel deze gelijkenissen vertonen met de resten op de door de toezichthouder gefotografeerde zaag ziet de rechtbank in de kleur van de bloedresten wel enig verschil. Daarnaast acht de rechtbank de toezichthouder vanuit zijn deskundigheid voldoende in staat om te herkennen of vet- en bloedresten vers of oud zijn. Voorts kan uit de door eiseres overgelegde weekrapportage ook niet de conclusie worden getrokken dat de zaag schoon moet zijn geweest. Dat in de rapportage bij de nog schoon te maken apparatuur de elektrische zaag niet wordt benoemd, sluit niet uit dat de zaag wel vies kan zijn geweest, reeds nu uit de rapportage niet blijkt dat de betreffende zaag is gecontroleerd. De verwijzing van eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank van 20 juli 2021 treft in dit kader geen doel, nu dat een andere situatie betrof waarin een nog uit te voeren controle door de slachterij relevant was voor de vraag of de vuile apparatuur in aanraking zou komen met vlees. Daarvan is hier geen sprake. Ook de twee andere uitspraken van deze rechtbank waarnaar eiseres verwijst zijn niet vergelijkbaar nu de rechtbank anders dan in die zaken in dit geval in het rapport wel voldoende duidelijk vindt beschreven dat sprake was van oude bloed- en vetresten, hoe dit eruit zag en waaraan de toezichthouder het als oud vuil herkende. Voor de rechtbank staat voldoende vast dat de zaag deze oude resten bevatte en verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres beboetbaar feit 1 heeft begaan.



Heeft verweerder bewezen dat eiseres beboetbaar feit 2 heeft begaan?

5. Eiseres voert aan dat door haar medewerkers het vlees kort nadat het op de grond viel is opgeknapt en de grond, snijtafel en tuinslang zijn schoongemaakt. De bij het rapport gevoegde foto’s zijn genomen direct nadat het vlees is gevallen en op een van de foto’s is te zien dat één van de medewerkers aanstalten maakt om het vlees en de ruimte op te knappen en schoon te maken. Voorts voert eiseres onder verwijzing naar een uitspraak van het CBb aan dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van een boete omdat eiseres conform haar werkinstructie heeft gehandeld door het vlees op te knappen en de grond en apparatuur schoon te maken.




5.1.
De rechtbank ziet ook geen reden om aan de bevindingen van de toezichthouder over het op de grond gevallen vlees te twijfelen. In het rapport is duidelijk beschreven wat de toezichthouder heeft waargenomen, namelijk dat vlees op drie plekken op de grond was gevallen en stapels had gevormd. Bij het rapport zitten ook vier foto’s waaruit dit duidelijk blijkt. Anders dan eiseres kan de rechtbank uit de foto’s niet afleiden dat een medewerker aanstalten maakt om het vlees weg te halen of op te knappen. Op de foto’s is wel te zien dat een grote hoeveelheid vlees op de grond ligt terwijl medewerkers snijwerkzaamheden verrichten. Verder is in het rapport door de toezichthouder ook beschreven dat hij zag dat niemand actie ondernam. Ook uit de hoeveelheid vlees die op de grond ligt kan worden afgeleid dat medewerkers in elk geval niet direct hebben ingegrepen toen vlees op de grond viel. Maar ook als medewerkers van eiseres het op de grond gevallen vlees op enig moment hebben schoongemaakt en opgeknapt doet dit niet af aan de overtreding. Zoals in het rapport is beschreven zijn vloeren waar mensen overheen lopen verontreinigde oppervlakken en zodra vlees op de grond valt raakt het dus verontreinigd en is het niet meer geschikt voor humane consumptie. Dit vlees is dus niet beschermd tegen elke verontreiniging en daarmee heeft eiseres reeds een overtreding begaan van Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004. Voorts kan het naderhand opknappen van het vlees als een herstelmaatregel achteraf worden beschouwd, maar maakt dit eiseres niet minder verwijtbaar. Voorts volgt uit de door verweerder ingebrachte werkinstructie van eiseres dat op de grond gevallen vlees zo snel mogelijk na constatering moet worden verwijderd en gelet op de beschrijving in het rapport en de daarbij gevoegde foto’s kan de rechtbank niet concluderen dat eiseres conform die instructie heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres beboetbaar feit 2 heeft begaan.



Is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?

6. Eiseres voert aan dat het rapport van bevindingen onjuist en onvolledig is. Zo staat in het rapport dat de zaag gebruikt wordt om karkassen te zagen maar dat is niet juist. De zaag wordt gebruikt voor het inzagen van de bouten. Verder staat in het rapport dat het ging om een controle naar aanleiding van regulier toezicht en ook dat is onjuist. Regulier toezicht heeft enkel betrekking op slachterijen en niet op uitsnijderijen waar de controle plaatsvond. Doordat het rapport van bevindingen op meerdere punten onjuist is, is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en kon verweerder het rapport niet aan de boete ten grondslag leggen.




6.1.

Zoals hiervoor is geoordeeld vindt de rechtbank in het rapport van bevindingen voldoende duidelijk beschreven wat de toezichthouder heeft waargenomen en heeft verweerder op grond van dit rapport terecht vastgesteld dat eiseres beide beboetbare feiten heeft begaan. Voor zover al sprake zou zijn van onjuistheden op de door eiseres genoemde punten, maakt dit niet dat sprake is van een zodanig onzorgvuldig rapport dat verweerder dit niet aan de boeteoplegging ten grondslag heeft mogen leggen. Overigens is de rechtbank ook niet gebleken dat het rapport evidente onjuistheden bevat. In het rapport staat dat de zaag gebruikt wordt om karkassen te zagen en ook het inzagen van bouten kan daaronder worden geschaard. Voorts heeft verweerder in het verweerschrift toegelicht dat de term regulier toezicht wordt gebruikt voor gewoon toezicht in plaats van toezicht op basis van het Handhavingsprotocol, zodat in dit geval geen onjuiste term is gebruikt.

Is eiseres in haar verdediging geschaad?

7. Eiseres voert aan dat haar rechten van verdediging zijn geschonden omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld om de beweerdelijke tekortkomingen te verifiëren. Eiseres is pas om 14.52 uur door de toezichthouder op de hoogte gesteld van de bevindingen. Daarbij zijn de bevindingen slechts summier weergegeven in het rapport, terwijl uit de daarbij gevoegde foto’s niet blijkt dat sprake is van oud vet en bloed en van vlees dat al langer op de grond lag.




7.1.
Dit betoog slaagt niet. Bij het rapport van bevindingen is een e-mailbericht gevoegd gericht aan twee personen die bij eiseres werkzaam zijn en waarin de toezichthouder hen op de hoogte stelt van de bevindingen. Deze e-mail is minder dan vier uur na de constatering verzonden. Daarmee had de slachterij de mogelijkheid om op de dag van de overtreding zelf onderzoek te doen en medewerkers te bevragen. Voorts heeft de rechtbank hiervoor onder 4.2 en 5.1 reeds geoordeeld dat het rapport van bevindingen voldoende duidelijke en concrete beschrijvingen en foto’s bevat van de constateringen van de toezichthouder. Eiseres heeft voldoende mogelijkheden gehad om middels een zienswijze, in de bezwaarprocedure en de beroepsprocedure die constateringen te betwisten. Van een schending van de verdedigingsrechten van eiseres is de rechtbank niet gebleken.



Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?

8. Eiseres voert aan dat de bevindingen in de uitsnijderij zijn gedaan tijdens een toezicht dat alleen betrekking heeft op slachterijen. Doordat de uitsnijderij en de slachterij van eiseres op dezelfde locatie zijn gevestigd, meent verweerder ten onrechte ook in de uitsnijderij dit toezicht te mogen uitvoeren. Sommige uitsnijderijen die niet direct aan een slachterij grenzen worden geconfronteerd met aanzienlijk minder controles dan uitsnijderijen die zoals eiseres aan de slachterij grenzen. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en maakt dat de controle die ten grondslag ligt aan de boete onrechtmatig is.




8.1.
Ook dit betoog slaagt niet. Omdat eiseres veel dieren slacht wordt in haar slachterij permanent toezicht uitgeoefend door de NVWA en de toezichthouders mogen daarbij ook controles verrichten bij de uitsnijderij van eiseres die op dezelfde locatie is gevestigd. Voor bedrijven waar permanent toezicht aanwezig is, is apart beleid opgesteld dat resulteert in het geven van een extra waarschuwing om zo tegemoet te komen aan een eventuele hogere boetelast. Voorts is het is een eigen keuze van eiseres geweest om de slachterij en de uitsnijderij op één locatie te huisvesten. Bovendien verschilt eiseres hierin niet van de andere slachterijen in Nederland die ook de uitsnijderij op dezelfde locatie hebben gevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Evenmin vormt het feit dat sprake is van permanent toezicht op zichzelf een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de boete gematigd moet worden.



Is toepassing van de recidiveregeling onevenredig?

9. Eiseres voert aan dat de boete gematigd moet worden. De boetebedragen zijn namelijk ten onrechte wegens recidive verhoogd. De eerdere boetes zijn opgelegd in 2023, toen de slachterij in eigendom was van de vorige eigenaar. De huidige eigenaar heeft zich nooit kunnen verdedigen tegen de in 2023 opgelegde boetes. Dit maakt toepassing van de recidiveregeling in deze zaak onevenredig.




9.1.
Op grond van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wordt het boetebedrag verhoogd met de boete die de overtreder eerder heeft gekregen voor eenzelfde overtreding in de afgelopen vijf jaar en die onherroepelijk is. Verweerder heeft verwezen naar boetebesluiten van 2 juni 2023 en 13 oktober 2023 waarin boetes zijn opgelegd van € 5.000,- voor eenzelfde overtreding als beboetbaar feit 1 in onderhavige zaak, respectievelijk € 10.000,- voor eenzelfde overtreding als beboetbaar feit 2 in onderhavige zaak. Deze boetebesluiten zijn gericht aan [naam rechtsvoorganger] Eiseres heeft ter zitting niet betwist dat deze onderneming niet is beëindigd maar is voortgezet door eiseres onder een andere naam. Met deze overname treedt eiseres als nieuwe eigenaar in alle rechten en plichten van haar rechtsvoorganger. Verweerder mag daarom eerdere overtredingen en boetes aan eiseres toerekenen. Verweerder heeft dan ook terecht en in overeenstemming met het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren de boetebedragen voor beboetbaar feit 1 en 2 verhoogd met eerdere boetes die aan de rechtsvoorganger van eiseres waren opgelegd. Voorts is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de verhoogde boetes gematigd zou moeten worden. De rechtbank vindt de opgelegde boetes voor de twee feiten van in totaal € 20.000,- niet onevenredig.





Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is dus ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.






griffier rechter




Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Verordening 852/2004


Artikel 4, tweede lid

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.




Bijlage II, hoofdstuk V, punt 1, onder a

Alle artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen moeten:
a) afdoende worden schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden;




Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3

In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.




Wet dieren


Artikel 6.2, eerste lid

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.




Artikel 8.7

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.




Regeling dierlijke producten


Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004;




Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
c. categorie 3: € 2.500



Artikel 2.5, eerste lid

Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.




Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren


Artikel 1.2

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.




Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Regeling dierlijke producten Categorie
Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, voor zover dat onderdeel betrekking 3
heeft op de artikelen 3, 4, eerste tot en met derde lid, 5, tweede lid, laatste
alinea, en vierde lid, onderdelen a en b, en artikel 6, derde lid, van
verordening (EG) nr. 852/2004




Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
inzake levensmiddelenhygiëne


ECLI:NL:RBROT:2021:6740


ECLI:NL:RBROT:2025:4905 en ECLI:NL:RBROT:2025:6778


Zie onder meer ECLI:NL:CBB:2023:302 en ECLI:NL:CBB:2025:474


ECLI:NL:CBB:2025:363


Zie ECLI:NL:CBB:2025:363 (r.o. 3.6) en ECLI:NL:CBB:2025:184 (r.o. 4.3)


Zie bijv. ECLI:NL:CBB:2026:92 (r.o. 7.2)