Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9602

2026-08-12 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT 25/2750
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/2750
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Boete opgelegd aan dierenarts voor leveren van diergeneesmiddel aan hondenbezitters voor een ziekte waarvoor het middel niet is vergund en zonder een diergeneeskundig voorschrift op te stellen. Geen verminderde verwijtbaarheid. Door deze handelwijze is een niet gering risico voor de volks- en diergezondheid ontstaan. De rechtbank vindt de boete van in totaal € 10.000 evenredig.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.838 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/2750


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen


[eiser], te [plaats], eiser,
(gemachtigde: mr. S. Oord),


en




de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.M.M. Geerligs).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een boete die verweerder met het besluit van 26 september 2024 aan eiser heeft opgelegd voor overtredingen van de Wet dieren. Eiser is het niet eens met deze boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.





Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete voor één beboetbaar feit laten vervallen.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en [naam], inspecteur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).





Totstandkoming van het bestreden besluit


3.1.

Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 7 augustus 2024 is opgemaakt door toezichthouders van de NVWA. De toezichthouders beschrijven in het rapport dat zij naar aanleiding van een melding over het opsturen van antibiotica per post naar eigenaren van een pup, op 8 september 2023 een bezoek hebben gebracht aan de dierenartsenpraktijk van eiser. Eiser zou daarbij volgens het rapport hebben verklaard dat er in kennel [naam] een Giardia-probleem is, dat hij de pups van de kennel bij de eerste vaccinatie ziet en dat als een eigenaar hem dan twee of drie weken later belt dat de pup klachten heeft, eiser Stomorgyl opstuurt per post en zo de eigenaren een boel geld en tijd bespaart. Vervolgens hebben de toezichthouders eiser gevorderd om allerlei gegevens te overleggen met betrekking tot de ontvangst, aflevering en toepassing van voorschriftplichtige diergeneesmiddelen ten aanzien van kennel [naam]. In het rapport staat dat de toezichthouders uit de door eiser aangeleverde gegevens opmaken dat in de periode van 29 april 2023 tot en met 29 augustus 2023 aan de kennel 18 keer de aflevering van een Stomorgylkuur is gefactureerd en uit de verklaringen van eiser op 8 september 2023 maken de toezichthouders op dat de Stomorgyl per post naar eigenaren van pups is verstuurd. Verder stellen de toezichthouders op basis van de registratiebeschikkingen van Stormogyl-2 en Stormogyl-10 in het rapport vast dat het voorschriftplichtige antimicrobiële diergeneesmiddelen zijn, die niet zijn vergund voor Giardia en uitsluitend op geleide van een specifiek antibiogram als aanvullende behandeling van infecties van het spijsverteringskanaal en parasitisme mogen worden gebruikt. Voorts stellen de toezichthouders vast dat eiser van iedere aflevering afzonderlijk geen documenten kon tonen die tezamen het diergeneeskundig voorschrift vormden. Eiser kon alleen facturen tonen en geen patiëntenkaarten of andere documenten. Ten slotte stellen de toezichthouders vast dat eiser ook niet beschikt over antibiogrammen die voor het gebruik van Stomorgyl in het geval van Giardia vereist zijn. Bij het rapport van bevindingen zijn onder meer de door eiser overgelegde facturen en afschriften van het e-mailverkeer tussen eiser en de toezichthouders gevoegd.




3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiser de volgende beboetbare feiten heeft gepleegd:


3.2.1.

Beboetbaar feit 1: “Het gebruiken van een diergeneesmiddel in strijd met de voorwaarden van de vergunning voor het in de handel brengen.” Volgens verweerder heeft eiser daarmee een overtreding begaan van artikel 2.20, eerste lid, en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 1.14 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, en met artikel 106, eerste lid, van Verordening 2019/6.




3.2.2.

Beboetbaar feit 2: “Afleveren van diergeneesmiddelen aan houders van dieren, middels een recept van een dierenarts waarbij meerdere verplichte elementen in een diergeneeskundig voorschrift ontbreekt.” Volgens verweerder heeft eiser daarmee een overtreding begaan van artikel 2.20, eerste lid, en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 1.14 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, en met artikel 105, vijfde lid, van Verordening 2019/6.




3.2.3.

Beboetbaar feit 3: “Het afleveren van voorschriftplichtige diergeneesmiddelen terwijl de dierenarts voorafgaande aan die aflevering geen diergeneeskundig voorschrift had opgesteld.” Volgens verweerder heeft eiser daarmee een overtreding begaan van artikel 2.20, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet dieren, en met artikel 4.2, vierde lid, onder d, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022, en met artikel 3.1, tweede lid, van de Regeling diergeneesmiddelen 2022.





3.3.
In het primaire besluit heeft verweerder eiser voor de drie feiten een boete opgelegd van in totaal € 15.000,- (€ 5.000,- per feit). In het bestreden besluit heeft verweerder de boete voor feit 2 laten vervallen en daarvoor in de plaats een schriftelijke waarschuwing gegeven. Verweerder heeft de boetes van elk € 5.000,- voor feit 1 en feit 3 gehandhaafd. De totaal aan eiser opgelegde boete bedraagt dus € 10.000,-.





Beoordeling door de rechtbank

4. Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgrond dat de beboetbare feiten 2 en 3 op hetzelfde feitencomplex zien en dus niet als afzonderlijke overtredingen kunnen worden aangemerkt en dat het vereiste dat eiser een diergeneeskundig voorschrift aan zichzelf moet opstellen niet te volgen is, ingetrokken.

5. Eiser voert aan dat een boete van € 10.000,- gecombineerd met een waarschuwing een buitensporige afstraffing is voor een omissie aan de zijde van iemand met een vlekkeloze staat van dienst van decennialang. Eiser is 73 jaar en nog immer actief als praktiserend dierenarts vanuit de intentie om te handelen ten dienste van volksgezondheid, diergezondheid, dierwelzijn en milieu. Eiser wist niet dat hij Stomorgyl niet mocht inzetten bij Giardia. Hij heeft zijn handelen onmiddellijk aangepast. Welk doel een boete van € 10.000,- dan nog dient is totaal onduidelijk terwijl eiser ook geen enkel belang heeft bij voortzetting van de overtredingen, aldus eiser.


5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de in het bestreden besluit gegeven schriftelijke waarschuwing voor beboetbaar feit 2 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daar ook niet mee gelijk kan worden gesteld. Dit betekent dat de rechtbank in deze uitspraak geen oordeel zal geven over beboetbaar feit 2 en de daarvoor gegeven waarschuwing. Eiser betwist niet dat hij de beboetbare feiten heeft begaan. De rechtbank zal hierna dan ook alleen beoordelen of de aan eiser opgelegde boete van in totaal € 10.000,- voor beboetbaar feit 1 en 3 evenredig is.



5.2.
Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren was verweerder bevoegd om eiser voor beboetbaar feit 1 en 3 boetes op te leggen. In het interventiebeleid heeft verweerder neergelegd hoe met deze bevoegdheid wordt omgegaan. In dit geval is het Specifiek interventiebeleid diergeneesmiddelen van toepassing en daarin zijn beboetbaar feit 1 en 3 aangemerkt als zwaar waarvoor direct een boete wordt opgelegd. In de Bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor feit 1 en feit 3 vastgesteld op € 5.000,-. Verweerder heeft dus in overeenstemming met zijn beleid en de regelgeving een boete van in totaal € 10.000,- voor beide feiten opgelegd.



5.3.
Uit vaste jurisprudentie van het CBb volgt dat artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden meebrengt dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen vormt artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.



5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om in dit geval de standaardboete te matigen. Eiser stelt dat hij niet wist dat hij Stomorgyl niet (zonder meer) mocht inzetten tegen Giardia, maar dit maakt de mate waarin hem de overtredingen kunnen worden verweten niet minder. Van een dierenarts mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de regelgeving omtrent het gebruik van diergeneesmiddelen. In de handelsvergunning van een diergeneesmiddel staat waarvoor het is vergund en dit had eiser kunnen achterhalen in de openbare diergeneesmiddeleninformatiebank van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Ook staat in de bijsluiter van de middelen Stomorgyl-2 en Stomorgyl-10 waarvoor het is geïndiceerd. Eiser stelt dat deze middelen veel effectiever zijn tegen Giardia dan andere diergeneesmiddelen. De rechtbank begrijpt dat eiser vanuit zijn eigen ervaring en expertise heeft gehandeld en het dierenwelzijn voorop heeft willen stellen door de dieren met Stomorgyl te behandelen zodat zij sneller konden genezen, maar dat maakt de overtredingen niet minder ernstig. Eiser heeft dit middel per post naar hondenbezitters verzonden, zonder de dieren te hebben gezien. Eiser heeft de dieren dus niet onderzocht en zelf vastgesteld dat de dieren daadwerkelijk Giardia hadden. Bovendien gaat het om een antibioticum waarvan het gebruik aan strenge regels is gebonden ter voorkoming van resistentie. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de behandelde pups gezien de jonge leeftijd niet resistent kunnen zijn, maar de rechtbank begrijpt uit de preambule van Verordening 2019/6 dat de Europese wetgever de noodzaak van strenge regels voor het gebruik van antibiotica ruimer ziet, namelijk ter beperking van antimicrobiële resistentie in de gehele samenleving. Zo is in het bestreden besluit benoemd dat gebruik van Stormorgyl in strijd met de voorwaarden niet alleen voor de pups, maar ook voor de volksgezondheid een risico heeft doen ontstaan doordat mensen mogelijk in contact zijn gekomen met restanten van antibacteriële middelen, bijvoorbeeld bij het opruimen van de ontlasting of het knuffelen van de pups. Daarnaast vormt ook een onjuist gebruik van antimicrobiële diergeneesmiddelen een risico voor de volks- en diergezondheid en vereist de Europese wetgever daarom dat deze middelen enkel op diergeneeskundig voorschrift beschikbaar zijn. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft benoemd waarborgt een diergeneeskundig voorschrift bovendien dat snel en accuraat kan worden gehandeld mocht zich bij toediening van het diergeneesmiddel een ongewenste reactie bij het dier voordoen. Eiser heeft voor de geleverde Stomorgyl evenwel ook geen diergeneeskundig voorschrift opgesteld. Eiser heeft aldus door zijn handelswijze een niet gering risico doen ontstaan voor de volks- en diergezondheid. Daarbij is bovendien van belang dat eiser deze overtredingen over een langere periode meerdere malen heeft begaan. Gelet op de aard en ernst van de overtredingen en de mate van verwijtbaarheid, vindt de rechtbank de opgelegde boete van € 10.000,- in dit geval evenredig.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is dus ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.






griffier rechter




Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:







Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Verordening 2019/6


Overweging 41 (voor zover relevant)

Antimicrobiële resistentie tegen geneesmiddelen voor menselijk gebruik en diergeneesmiddelen is een gezondheidsprobleem dat zowel in de Unie als in de gehele wereld toeneemt. Vanwege de complexiteit en de grensoverschrijdende dimensie van dit probleem en de hoge economische lasten die ermee gemoeid zijn, is de impact ervan groter dan alleen de ernstige gevolgen voor de gezondheid van mens en dier, en is het een wereldwijd volksgezondheidsprobleem geworden dat de hele samenleving treft en dat dringend een gecoördineerd intersectoraal optreden vereist in overeenstemming met de „één gezondheid”-benadering.




Overweging 44 (voor zover relevant)

De ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen houdt geen gelijke tred met de toenemende resistentie tegen bestaande antimicrobiële stoffen. Gezien de beperkte innovatie bij de ontwikkeling van nieuwe antimicrobiële stoffen is het essentieel dat de werkzaamheid van bestaande antimicrobiële stoffen zo lang mogelijk kan worden behouden. Het gebruik van antimicrobiële stoffen in geneesmiddelen die bij dieren worden gebruikt kan het ontstaan en de verspreiding van resistente micro-organismen versnellen en kan het doeltreffende gebruik van het reeds beperkte aantal bestaande antimicrobiële stoffen voor de behandeling van infecties bij mensen in gevaar brengen. Daarom mag verkeerd gebruik van antimicrobiële stoffen niet worden toegelaten.




Overweging 47 (voor zover relevant)

Indien een antimicrobiële stof niet correct wordt toegediend of gebruikt, vormt dit een risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid. Antimicrobiële diergeneesmiddelen mogen daarom enkel op diergeneeskundig voorschrift beschikbaar zijn.




Artikel 106, eerste lid

Diergeneesmiddelen worden gebruikt in overeenstemming met de voorwaarden van de vergunning voor het in de handel brengen.




Wet dieren
Artikel 2.20, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b


Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot diergeneesmiddelen of gemedicineerde diervoeders.


Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:


procedures voor de registratie van homeopathische diergeneesmiddelen;



Artikel 6.2, eerste lid

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.




Artikel 8.7

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.




Regeling diergeneesmiddelen 2022
Artikel 3.1, eerste en tweede lid


Een diergeneesmiddel dat is geclassificeerd als een diergeneesmiddel waarvoor een diergeneeskundig voorschrift vereist is als bedoeld in artikel 34 van verordening (EU) nr. 2019/6 wordt uitsluitend geleverd door een dierenarts of een apotheker.


In afwijking van het eerste lid kan een diergeneesmiddel waarvoor een diergeneeskundig voorschrift vereist is worden geleverd door iedere persoon met een vergunning voor kleinhandel indien het diergeneesmiddel daartoe door de minister is aangewezen vanwege een naar het oordeel van de minister beperkt gevaar voor de volksgezondheid, diergezondheid, het dierenwelzijn of milieu.





Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren


Artikel 1.14, aanhef en onder al

Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn aangewezen:
van verordening (EU) nr. 2019/6, voor zover van belang:
- artikel 106, eerste en vijfde lid;




Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
d. categorie 4: € 5.000



Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren


Artikel 1.2

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.




Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Categorie

Verordening (EU) nr. 2019/6

Artikel 106, eerste en vijfde lid 4




Regeling diergeneesmiddelen 2022

Artikel 3.1, eerste en tweede lid 4




Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG


Zie bijv. ECLI:NL:CBB:2020:69 en ECLI:NL:CBB:2023:448


Gelezen in samenhang met artikel 8.6 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, en met artikel 1.14, onder al, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren


IB00-SPEC03, regelnummers 03R005310 (feit 1), 03R004820 (feit 2) en 03R027110 (feit 3)


Bijv. in ECLI:NL:CBB:2025:534 en ECLI:NL:CBB:2026:40


Onder meer in overweging 41 en overweging 44


Zie overweging 47 van de preambule van Verordening 2019/6