Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9601

2026-07-02 Strafrecht 10.133598.25 en TUL VV: 10-102873-24 en 10-346755-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
10.133598.25 en TUL VV: 10-102873-24 en 10-346755-24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Volwassenstrafrecht. Vrijspraak van een poging moord en veroordeling van een poging doodslag. Oplegging van een gevangenisstraf, TBS-maatregel (DUT) en een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel. Schorsing voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden als die worden verbonden aan de terbeschikkingstelling (DUT). Niet-ontvankelijk verklaring benadeelde partijen. Afwijzing vordering ten uitvoerlegging.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (40.035 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team Straf 1



Parketnummer: 10.133598.25
Parketnummers vorderingen TUL VV: 10-102873-24 en 10-346755-24
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van en preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [detentieplaats] (PI),



raadsman: mr. M. Sculic, advocaat te Rotterdam.




1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026.



2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.



3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:


vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging moord;


bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging doodslag;


veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 460 dagen met aftrek van het voorarrest;


oplegging aan de verdachte van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden die zijn voorgesteld door Reclassering Nederland in zijn rapport van 29 april 2026 en met de bepaling dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;


oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr);


schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.





4Waardering van het bewijs

4.1.


Vrijspraak zonder nadere motivering van poging moord

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging moord niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.



4.2.


Bewezenverklaring zonder nadere motivering van poging doodslag

De onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging doodslag is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.



4.3.


Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:



hij op of omstreeks 30 april 2025 te Rotterdamter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer]opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,van het leven te beroven,- na naar zijn, verdachtes, kamer te gaan en/of (daar) een mes met tape aan het uiteindevan een stok/bezemsteel te bevestigen, en/of dat (gefabriceerde) mes te pakken,die [slachtoffer] met dat mes meermalen in het gezicht heeft gestoken en/of gesneden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.



Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.





5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:



poging tot doodslag




Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.




6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.



7Motivering straf en maatregel

7.1.


Algemene overweging

De straf en de maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.



7.2.


Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich op achttienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Op 30 april 2025 heeft er op de openbare weg tussen de verdachte en het slachtoffer een ruzie plaatsgevonden. Op enig moment is de verdachte zijn woning binnengelopen om een bezemsteel te pakken waaraan aan het uiteinde een mes was bevestigd. Met dit gefabriceerde wapen in zijn beide handen is de verdachte naar buiten gelopen en daar heeft hij met dat wapen meermaals in de richting van het slachtoffer gezwaaid. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn gezicht geraakt en het slachtoffer heeft ernstig en blijvend letsel opgelopen. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten zoals deze veel last kunnen hebben van wat hen is overkomen en dat zij voor langere tijd gevoelens van onveiligheid op straat kunnen ervaren. Daarnaast heeft het feit zich midden op de dag op de openbare weg afgespeeld. Dit brengt gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg bij buurtbewoners.



7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte


7.3.1.


Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.



7.3.2.


Rapportages en verklaringen van de deskundige op de terechtzitting


Reclassering Nederland (reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 april 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.



De kans op herhaling van delictgedrag is hoog. De verdachte kampt met langdurige problematiek. Hij heeft een psychische stoornis en het ontbreekt hem aan een ziekte-inzicht. De reeds ingezette hulp en behandeling hebben niet kunnen voorkomen dat de verdachte opnieuw een vorm van geweld heeft gepleegd. De verdachte heeft geen intrinsieke motivatie tot het volgen van behandeling en/of het willen slikken van medicatie. Behandeling is slechts haalbaar als dat plaatsvindt in een gedwongen kader. Het advies is om de verdachte de maatregel ter beschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. De reclassering adviseert de volgende voorwaarden – verkort weergegeven – op te leggen:



geen strafbaar feit plegen;


meewerken aan reclasseringstoezicht;


meewerken aan een time-out;


niet naar het buitenland;


dat de verdachte zich laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling (klinische opname) en dat deze opname start aansluitend aan detentie;


meewerken aan ambulante behandeling, aansluitend op de klinische behandeling;


verblijf in een forensische instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, indien de reclassering dat nodig vindt aansluitend op de klinische opname;


verbod op verdovende middelen;


verbod alcoholgebruik;


vinden en behouden van een vorm van dagbesteding.




Het is van belang dat de verdachte allereerst klinisch wordt behandeld, zodat stapsgewijs gewerkt wordt aan resocialisatie en juiste inbedding van terugkeer in de maatschappij. Dit omdat de (recidive)risico’s bij een niet aansluitende passende begeleide woonvorm en het niet meteen kunnen starten met een behandeling zullen oplopen. De reclassering adviseert daarnaast om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De reclassering adviseert ten slotte om de voorlopige hechtenis te schorsen onder de eerder genoemde voorwaarden.




GZ-psychiater dr. [persoon A] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 12 december 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.



De verdachte heeft een autismespectrumstoornis, een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Voorafgaand aan het ten laste gelegde was er ook sprake van een depressieve stoornis, matig ernstig, deze is nu in remissie. Deze stoornissen waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Het advies is om - bij een bewezenverklaring - de verdachte het ten laste gelegde in (sterk) verminderde mate toe te rekenen. De verdachte heeft door zijn stoornissen een beperkte coping en het inzicht en besef in zijn beperkingen is ook beperkt. De verdachte had ten tijde van het ten laste gelegde in toenemende mate de waanachtige overtuiging dat hij bedreigd werd door het slachtoffer en zag vanwege overmatige betekenisgeving steeds meer bewijs van zijn overtuiging. De verdachte voelde zich ten tijde van het ten laste gelegde dan ook zeer bedreigd en handelde naar zijn idee uit zelfverdediging, maar ook uit boosheid. De verdachte kon minder goed voor alternatieven kiezen.



Gelet op de ernst van de pathologie, de duidelijke doorwerking en het matig tot hoge recidiverisico is het advies om de verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.




GZ-Psycholoog drs. [persoon B] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 19 december 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.



De verdachte heeft een psychische stoornis in de zin van een autismespectrumstoornis met een psychosegevoeligheid, een stoornis in het gebruik van cannabis en een depressieve stoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Het is aannemelijk dat bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een verhoogde betekenisgeving, betrekkingsideeën en paranoïde waangedachten ten aanzien van het slachtoffer. De verdachte voelde zich ernstig door het slachtoffer bedreigd en hij was vanwege zijn stoornis niet goed in staat om de bij hem opgeroepen angst en agitatie te beheersen. Het advies is daarom om het ten laste gelegde - bij een bewezenverklaring - verminderd toe te rekenen aan de verdachte.



Het advies is ook om de verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Binnen dit dwingende kader kan de verdachte een intensieve en voldoende langdurende behandeling worden geboden, waarbij aandacht kan worden besteed aan de bestaande psychische stoornissen en de recidive-risico’s die daaruit voort kunnen komen. De verdachte heeft geen ziekte-inzicht en is om die reden niet intrinsiek gemotiveerd voor behandeling. De nodige behandeling lijkt daarom slechts haalbaar wanneer deze plaatsvindt binnen een gedwongen kader.




Een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, [persoon C] , heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht.
De begeleiding van de verdachte is de afgelopen anderhalf jaar met vallen en opstaan verlopen. De verdachte kampt met verschillende problematiek. Hoewel er in het verleden verschillende vormen van hulp zijn ingezet, heeft het niet geleid tot een verbetering van de situatie. Dit kwam voornamelijk door het blowgedrag van de verdachte. Het lukte hem moeilijk om een dagritme te hebben en hij was zichzelf niet. Sinds de verdachte in de PI verblijft gaat het beter met hem. Hij is rustiger geworden en het contact met de verdachte is goed. De verdachte geeft aan te willen veranderen en hij staat open voor behandeling.




7.4.


Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.




Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de deskundigen gedragen worden door hun bevindingen en door dat wat ook op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van psychische stoornissen die ook aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde feit acht de rechtbank de verdachte voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar.




Gevangenisstraf

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de hierna te vermelden duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.




Tbs-maatregel

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden dient te worden opgelegd.



De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 38 Sr is voldaan, aangezien bij de verdachte tijdens het begaan van de feit een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, het door de verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen, het opleggen van die maatregel eist. Gelet op de aard en ernst van het feit en het gevaar voor herhaling eist de veiligheid van anderen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Eerdere behandelingen van de verdachte en eerdere hulpverleningsinterventies hebben niet tot het gewenste resultaat geleid, onder andere doordat de verdachte onvoldoende ziekte-inzicht had en zich niet voldoende openstelde. De rechtbank is het dus met de deskundigen eens dat onder meer een stevige behandeling nodig is om het recidiverisico te beperken en ziet aanleiding om de door de reclassering geadviseerde voorwaarden op te leggen. De verdachte komt authentiek over in zijn wens om aan zichzelf te werken en zich aan de te stellen voorwaarden te houden. De rechtbank zal bovendien, ter bescherming van de samenleving, bepalen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.




Duur gevangenisstraf

De rechtbank volgt in grote lijnen de eis van de officier van justitie voor wat betreft de duur van de op te leggen gevangenisstraf. Een belangrijk element voor die duur is de datum waarop er naar verwachting een plek voor verdachte vrij komt in een kliniek. De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht dat de Directie Individuele Zaken (DIZ), onderdeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen, ervoor zorgt dat er een overbruggingsplek komt als de plek in de instelling nog niet vrij is aan het eind van de detentieperiode. De DIZ hanteert hiervoor een termijn van minimaal vier weken na uitspraak.



Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 486 dagen, met aftrek van het voorarrest. Dit maakt dat verdachte na het uitspreken van dit vonnis nog zes weken lang gedetineerd zal zijn. Die periode is voldoende om er voor te zorgen dat er aansluitend aan deze detentie een plaats voor verdachte vrij is op een overbruggingsplek, of direct bij een behandelkliniek.




Schorsing voorlopige hechtenis met dadelijk ten uitvoer te leggen voorwaarden

De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte schorsen met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Zij zal aan deze schorsing dezelfde voorwaarden verbinden als worden verbonden aan de terbeschikkingstelling. Zij zal ook deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren teneinde te borgen dat in geval van hoger beroep reeds wordt aangevangen met de behandeling.




Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)

De rechtbank legt ook de maatregel van artikel 38z Sr op. Hierdoor blijft toezicht op de verdachte mogelijk wanneer hij zijn straf heeft uitgezeten en de behandeling in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling verantwoorde terugkeer in de maatschappij mogelijk heeft gemaakt. De maatregel van artikel 38z Sr, die zo nodig levenslang kan duren, maakt het mogelijk voor het openbaar ministerie om, ook na het einde van de maatregel van terbeschikkingstelling, risico-inschattingen te maken en daarop aan het gedrag van de veroordeelde te stellen voorwaarden aan de rechter voor te leggen.



Aan de wettelijke vereisten voor opleggen van de maatregel van 38z Sr is voldaan, nu aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd en wel ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.





8Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen
De volgende vorderingen zijn door mr. H.J. Oosterhagen namens de in het geding gevoegde benadeelde partijen ingediend:


de benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 45.000,00 aan immateriële schade, bestaande uit smartengeld;


de benadeelde partij [benadeelde] (moeder van het slachtoffer) vordert een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, bestaande uit shockschade.



8.1.


Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is, inclusief de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd tot een bedrag van € 7.500,00.



8.2.


Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] op het standpunt gesteld dat de hoogte van het deel van de vordering dat ziet op het litteken substantieel gematigd dient te worden. De verdediging heeft daartoe verwezen naar een uitspraak (ECLI:NL:GHAMS:2019:4983). Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de toekomstige schade aan de tand onvoldoende is onderbouwd en daarom dient te worden gematigd naar € 1.000,00.



Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van shockschade. Daarbij heeft de verdediging ook betwist dat de moeder haar zoon na het incident via videobellen heeft gezien, althans dat wordt volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd.



8.3.


Beoordeling


Benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vergoeding van € 40.000,00 voor het litteken en € 5.000,00 voor de (toekomstige) schade aan de tand van het slachtoffer gevorderd. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.



De rechtbank stelt allereerst vast dat het slachtoffer als gevolg van het bewezen verklaarde letsel heeft opgelopen. Hij heeft een fors litteken in zijn gezicht. De rechtbank kan zich daarnaast goed voorstellen dat het bewezen verklaarde feit bij het slachtoffer een grote impact heeft gehad en dat hij pijn en schaamte voelt. Echter, het slachtoffer heeft geen hulp gezocht voor zijn geestelijke gesteldheid, zodat onderbouwing ontbreekt. Voor vaststelling van de vergoeding voor immateriële schade categorie 9.2 onder a, althans b, van de Rotterdamse Schaal, zoals gevorderd, is essentieel dat geestelijk letsel is vastgesteld. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel van het slachtoffer, mede gelet op de betwisting daarvan, is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk. Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Dit maakt dat de vordering van het slachtoffer voor dit deel nu niet voor toewijzing vatbaar is. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van zijn vordering. Hij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.



De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de schade aan de tand van € 1.000,00 niet betwist. Dat deel van de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig voor en de rechtbank wijst dat deel van de vordering toe. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de toekomstige schade aan de tand is door de verdediging betwist. De (reden van de) toekomstige schade aan de tand van € 4.000,00 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.



De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 30 april 2025.



Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.



Nu de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.




Benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vergoeding voor shockschade van € 10.000,00, conform de Rotterdamse schaal, gevorderd. Blijkens het dossier en hetgeen ter zitting is toegelicht heeft de moeder haar zoon na het incident via videobellen gezien en gesproken. De moeder heeft gesteld dat haar geestelijk letsel voortvloeit uit de confrontatie met het toen zichtbare letsel en de angst die zij ervoer, ook toen het slachtoffer in het ziekenhuis was en zij daar niet mocht komen.



Uit de toelichting van de Rotterdamse schaal volgt dat de shockschade de wijze van ontstaan van schade aanduidt: het gaat om schade als gevolg van confrontatie met een schokkende gebeurtenis voor het ontstaan waarvan een ander aansprakelijk is. Voor vaststelling van de omvang van het smartengeld na confrontatie met een schokkende gebeurtenis, is een rapportage van de deskundige die het geestelijk letsel heeft vastgesteld het vertrekpunt.



De rechtbank is van oordeel dat de vordering op dit moment onvoldoende is onderbouwd. Door de verdediging is gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van een confrontatie van moeder met het letsel van haar zoon (via het videobellen). Het verslag van de Adem, Stress- en VR-therapeut is verder ontoereikend voor de onderbouwing dat sprake is van geestelijk letsel bij de moeder. Nader onderzoek hiernaar levert op dit moment een onevenredige belasting van het strafproces op. Dit maakt dat de vordering van de moeder het slachtoffer nu niet voor toewijzing vatbaar is. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Zij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.



Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.



8.4.


Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer] een schadevergoeding betalen van € 1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2025. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.



De benadeelde partij [benadeelde] wordt in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.





9Vordering tenuitvoerlegging

9.1.


Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 18 juli 2024 (parketnummer 10-102873-24) is de verdachte veroordeeld voor zover van belang – tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 augustus 2024.



Bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 22 januari 2025 (parketnummer 10-346755-24) is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 32 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. De proeftijd is ingegaan op 6 februari 2025.



9.2.


Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen.



9.3.


Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van deze vonnissen en voor het einde van de proeftijden gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijden geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom is de tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijk gedeelte van de bij die vonnissen aan de verdachte opgelegde straffen.



In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast. De rechtbank is echter met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke straffen niet opportuun is. De rechtbank wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom af.





10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.



11Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.



12Beslissing
De rechtbank:


verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;



verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;



stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;



verklaart de verdachte strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 486 (vierhonderdzesentachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde detentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



beveelt dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:



de ter beschikking gestelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;


de ter beschikking gestelde maakt zich niet aan een strafbaar feit schuldig;


de ter beschikking gestelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:




De ter beschikking gestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.


De ter beschikking gestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de ter beschikking gestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.


De ter beschikking gestelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.


De ter beschikking gestelde werkt mee aan huisbezoeken.


De ter beschikking gestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.


De ter beschikking gestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.


De ter beschikking gestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de ter beschikking gestelde, als dat van belang is voor het toezicht.




indien de reclassering dat nodig acht en de ter beschikking gestelde daarmee instemt, kan de ter beschikking gestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of ter beschikking gestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;


de ter beschikking gestelde zal niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaan, zonder toestemming van de reclassering;


de ter beschikking gestelde zal zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laten opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De ter beschikking gestelde zal zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren houden. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, zal de ter beschikking gestelde meewerken aan de indicatiestelling en plaatsing;


de ter beschikking gestelde zal zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, ambulant laten behandelen door een nader te bepalen forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De ambulante behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling, welke is gericht op de problematiek zoals door de zorgverlener wordt vastgesteld. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;


indien de reclassering het nodig vindt, zal de ter beschikking gestelde gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijven in een forensische instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. De ter beschikking gestelde zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;


de ter beschikking gestelde zal geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruiken, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De ter beschikking gestelde zal meewerken aan controles, door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;


de ter beschikking gestelde zal geen alcohol gebruiken, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De ter beschikking gestelde zal meewerken aan controles, door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.


de ter beschikking gestelde zal zich inspannen voor het realiseren en behouden van (enige) vorm van dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;




geeft aan de reclassering opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;



beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden onmiddellijk uitvoerbaar is;



legt de verdachte voor het feit op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;



schorst het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf onder dezelfde voorwaarden als worden verbonden aan de terbeschikkingstelling;
geeft aan de reclassering opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;



beveelt dat de hierboven genoemde voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;



veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;



verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;



veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;



legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen € 1.000,00 (hoofdsom, zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;



verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;



wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 18 juli 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf (parketnummer: 10-102873-24);



wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 22 januari 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie (parketnummer: 10-346755-24);




Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. J. Groot en S.C. Sassen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.



De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.










Bijlage I




Tekst tenlastelegging




Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat



hij op of omstreeks 30 april 2025 te Rotterdamter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer]opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,van het leven te beroven,- na naar zijn, verdachtes, kamer te gaan en/of (daar) een mes met tape aan het uiteindevan een stok/bezemsteel te bevestigen, en/of dat (gefabriceerde) mes te pakken,die [slachtoffer] met dat mes meermalen in het gezicht heeft gestoken en/of gesneden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij op of omstreeks 30 april 2025 te Rotterdamaan [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten (een) (diepe) steek- en/of snijwond(en) in het gezicht,heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een aan een stok/bezemsteel bevestigd mesmeermalen in het gezicht te steken en/of te snijden;




meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij op of omstreeks 30 april 2025 te Rotterdamter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen- die [slachtoffer] met een aan een stok/bezemsteel bevestigd mes in het gezicht te stekenen/of te snijden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.