Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9583

2026-07-30 Civiel recht C/10/722541 / KG ZA 26-683
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/10/722541 / KG ZA 26-683
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Toewijzing. De belangen van de man bij behoud van de situatie wegen zwaarder dan de belangen van de vrouw bij voortzetting van de executie. De executie wordt geschorst tot in een bodemprocedure is vastgesteld welk bedrag de man aan alimentatie moet betalen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.094 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/722541 / KG ZA 26-683




Vonnis in kort geding van 30 juli 2026




in de zaak van





[naam man]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. E. Kafa,



tegen





[naam vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler.



Partijen worden hierna genoemd de man en de vrouw.






1De zaak in het kort


1.1.
De man en de vrouw hadden een affectieve relatie waar een kind uit is geboren. De rechtbank heeft in een beschikking bepaald dat de man kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw. De man heeft dit niet gedaan. De vrouw heeft daarom de deurwaarder verzocht om de beschikking ten uitvoer te leggen en beslag te leggen op de woning van de man. Volgens de man klopt de beschikking van de rechtbank niet en hoeft hij veel minder te betalen dan daarin staat. Hij heeft daarom een verzoek bij de rechtbank gedaan om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht te verlagen. Hij vordert in dit executiegeschil dat de tenuitvoerlegging van de beschikking wordt stopgezet totdat in de procedure tot wijziging van de kinderalimentatie een uitspraak is gedaan, omdat de vrouw dat niet wil afwachten. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen (deels) toe.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2026 met producties 1 tot en met 7
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2
- de reactie op de conclusie van antwoord met producties 8 tot en met 13- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026.





3De feiten


3.1.
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is geboren de minderjarige [minderjarige] (hierna: het kind).



3.2.

De man is bij beschikking van 5 juli 2023 (zaaknummer C/10/646458 /
FA RK 22-7404) (hierna: de beschikking) veroordeeld tot het betalen aan de vrouw van kinderalimentatie voor het kind. Het gaat om een bedrag van € 433,- per maand vanaf 20 oktober 2022. De rechtbank is uitgegaan van door de vrouw aangeleverde gegevens over het inkomen van de man. De man had geen verweer gevoerd of stukken ingediend.




3.3.
De man heeft geen betalingen aan de vrouw verricht.



3.4.
De man is bij deurwaardersexploot van 13 april 2026 bevel gedaan om een bedrag van € 20.308,49 aan achterstallige alimentatiebetalingen te voldoen. Vervolgens is executoriaal beslag op zijn woning gelegd aan de [adres] te Rotterdam. Op de woning rust een hypotheek van circa € 150.000,-. De WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2025 is € 380.000,-.



3.5.
De man heeft bij verzoekschrift van 16 juni 2026 de rechtbank verzocht om de door hem verschuldigde kinderalimentatie op nihil te stellen, althans het bedrag te verlagen. De man neemt daarbij het standpunt in dat de rechtbank in de beschikking zijn draagkracht onjuist heeft vastgesteld, omdat de rechtbank was uitgegaan van de (onjuiste) gegevens die de vrouw had aangeleverd. De procedure is bekend onder zaaknummer C/10/721636 FA RK 26-4877.






4Het geschil


4.1.

[naam man] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:


I. de vrouw beveelt om alle executie-, beslag- en invorderingsmaatregelen ter zake van de beschikking onmiddellijk te staken en gestaakt te houden, waaronder mede begrepen
maatregelen ter inning van de gestelde alimentatieachterstand, lopende termijnen, rente,
kosten en verdere executiekosten, totdat in de bodemprocedure tot wijziging van de kinderalimentatie in eerste aanleg is beslist,
II. de vrouw verbiedt gedurende die periode nieuwe executiemaatregelen te treffen of te
doen treffen, waaronder mede begrepen beslaglegging op loon, bankrekeningen, roerende
zaken, onroerende zaken, de woning van eiser, belastingteruggaven of andere
vermogensbestanddelen, alsmede iedere executoriale verkoop;
III. de vrouw beveelt om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis alle door
haar ingeschakelde of namens haar handelende instanties schriftelijk en ondubbelzinnig te instrueren dat de executie en alle beslag- en invorderingsmaatregelen onmiddellijk moeten worden gestaakt en gestaakt gehouden;
IV. de vrouw beveelt om, voor zover reeds beslag is gelegd of een executiemaatregel is
geregistreerd of aangezegd, alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan opheffing, doorhaling, schorsing of intrekking daarvan,
V. aan de veroordelingen een dwangsom verbindt,
VI. subsidiair, voor zover een volledige staking van de executie niet wordt toegewezen, de
executie in ieder geval te schorsen voor zover deze ziet op de gestelde achterstand en
executiekosten, en te bepalen dat gedurende de bodemprocedure geen beslag- of
verkoopmaatregelen mogen worden getroffen en dat de man hoogstens gehouden is een
voorlopige bijdrage te voldoen die aansluit bij zijn actuele draagkracht,
VII. zodanige verdere voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht,
VIII. de vrouw veroordeelt in de kosten van deze procedure.




4.2.

[naam vrouw] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [naam man] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam man] in de kosten van deze procedure.





5De beoordeling



Spoedeisend belang




5.1.
Het spoedeisend belang van de man volgt uit de aard van zijn vorderingen.



Het toetsingskader





5.2.
Het uitgangspunt bij een executiegeschil is dat een uitgesproken veroordeling die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daar een rechtsmiddel tegenin is gesteld. Hoewel er geen rechtsmiddel meer open staat tegen de beschikking, kan de daarin vastgestelde omvang van de (achterstallige en actuele) te betalen alimentatie nog wel worden aangepast door middel van het door de man ingediende verzoek. Daarmee is sprake van een situatie waarin (achteraf bezien) de oorspronkelijke beschikking voor wat betreft de exacte omvang van de betalingsverplichting van de man kan komen te vervallen of gewijzigd kan worden. Er is daarom geen verschil met de situatie waarin een rechtsmiddel is ingesteld tegen de beschikking.



5.3.

Bij dit executiegeschil moet de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande toetsen aan de hand van de door de Hoge Raad geformuleerde criteria in het Zeester-arrest. In dit geval wordt getoetst op basis van de situatie dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen nadere motivering kent en dat nog een rechtsmiddel open staat. De voorzieningenrechter moet daarom onderzoeken of het belang van de man bij het behoud van de bestaande toestand zolang nog niet is beslist op zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de beschikking nu al ten uitvoer te kunnen leggen. Dat is mogelijk wanneer sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, wanneer sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarvan de rechter die die beschikking heeft gewezen niet op de hoogte kon zijn en die rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, of wanneer zich een situatie zich voordoet waarin het belang de beschikking ten uitvoer te leggen niet in verhouding staat tot het belang dat door de tenuitvoerlegging wordt geschaad. De kans van slagen van een eventueel rechtsmiddel, of in dit geval de uitkomst van het door de man ingediende verzoek tot wijziging kinderalimentatie, wordt daarbij buiten beschouwing gelaten.

Geen kennelijke feitelijke of juridische misslag





5.4.
Van een kennelijke feitelijke of juridische misslag in de beschikking is niet gebleken. Met een kennelijke misslag is bedoeld dat voor derden overduidelijk moet zijn dat het vonnis een vergissing bevat. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Het is weliswaar mogelijk dat de rechtbank is uitgegaan van gegevens die onjuist of onvolledig waren bij vaststelling van de kinderalimentatie, maar daarmee is nog geen sprake van een (voor derden kenbare) kennelijke misslag.



Geen nieuwe feiten en omstandigheden





5.5.
Met nieuwe feiten of omstandigheden wordt gedoeld op zaken die zich niet voor het wijzen van het vonnis hebben voorgedaan en/of waarvan de rechter die het vonnis heeft gewezen om die reden niet op de hoogte kon zijn en die daarom afwijking van de gegeven beslissing kunnen rechtvaardigen. De omstandigheid dat de rechtbank in de beschikking de (volgens de man juiste) inkomensgegevens en zijn overige draagkrachtbepalende gegevens niet heeft meegenomen is niet als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid aan te merken. Deze gegevens waren al beschikbaar in de procedure die tot de beschikking heeft geleid. Dat de man toen heeft afgezien van het indienen van stukken over zijn inkomen en draagkracht, komt voor zijn rekening en risico en kan niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis leiden.



De belangenafweging valt uit in het voordeel van de man





5.6.
De voorzieningenrechter is echter wel van oordeel dat het belang van de man bij behoud van de bestaande situatie zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de beschikking nu ten uitvoer te leggen. Daarvoor is het volgende redengevend.



5.7.
De man voert aan dat hij bij een executieverkoop van zijn woning op straat zal komen te staan met zijn gezin, waaronder twee minderjarige kinderen. Hij zal met zijn gezin de woning moeten verlaten en moeten verhuizen naar een andere woning. Het is verder een feit van algemene bekendheid dat de laatprijs voor de woning bij een executieverkoop, die ook nog nadere kosten met zich zal brengen, lager zal uitvallen dan bij een regulier verkooptraject.



5.8.
De vrouw voert niet aan wat haar belangen zijn bij het op dit moment ten uitvoer leggen van de beschikking, anders dan dat de man tot op heden niet de betalingen heeft verricht waar zij recht op heeft, zij daardoor de kosten voor het kind zelf heeft moeten dragen en dat zij in beginsel gerechtigd is de beschikking ten uitvoer te leggen wanneer de man weigerachtig blijft met betalen. Dit zijn op zichzelf genomen gerechtvaardigde belangen wanneer het gaat om de tenuitvoerlegging van de beschikking. Het is echter aannemelijk dat het afwachten van de beslissing in de verzoekschriftprocedure tot wijziging van de kinderalimentatie slechts beperkte gevolgen voor de vrouw zal hebben, mede gelet de omstandigheid dat op relatief korte termijn een uitspraak in die zaak wordt verwacht, terwijl het traject benodigd voor een executieverkoop ook pas na enige tijd voltooid zal zijn. Daarnaast is sprake van een ruime overwaarde van de woning die de vordering van de vrouw zeer aanzienlijk overstijgt, zodat aannemelijk is dat de man verhaal zal kunnen (blijven) bieden voor hetgeen de vrouw te vorderen heeft. Het reeds gelegde beslag op de woning blijft liggen, zoals hierna nog wordt toegelicht. Daarnaast geldt dat de vrouw, bij het uitblijven van betaling door de man, in beginsel recht heeft op schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten over het bedrag dat de man zal blijken verschuldigd te zijn.



5.9.

Al het voorgaande in overweging genomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van de man bij behoud van de huidige situatie, op dit moment zwaarder wegen dan het belang van de vrouw om de beschikking nu ten uitvoer te leggen.
De voorzieningenrechter zal daarom beslissen dat de tenuitvoerlegging geschorst zal worden op de wijze zoals vermeld in de beslissing en niet – zoals gevorderd – de vrouw bevelen de tenuitvoerlegging te staken. De gevorderde bevelen onder II en III zijn vanwege de schorsing door de voorzieningenrechter niet nodig en worden afgewezen.




5.10.
De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat de man zich moet realiseren dat zijn betalingsverplichtingen zijn opgelegd in het belang van het kind. Van de man had mogen worden verwacht en mag nu nog worden verwacht, dat hij waar mogelijk aan de aan hem opgelegde verplichtingen voldoet, ook al is de tenuitvoerlegging daarvan momenteel geschorst. Daarnaast zal de man in het oog moeten houden dat indien hij in de toekomst weigerachtig blijft te voldoen aan de aan hem opgelegde verplichtingen, de executieverkoop van de woning tot de mogelijkheden van de vrouw behoort.



Geen opheffing beslagen





5.11.
De man vordert opheffing van reeds gelegde beslagen. Deze vordering wordt afgewezen. De man heeft niet onderbouwd waarom opheffing van het beslag op de woning nodig zou zijn. De vrouw heeft er bovendien belang bij dat het beslag op de woning blijft rusten, zodat zij verzekerd is van het verhaal van haar vordering.



Geen dwangsommen





5.12.
Aangezien de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging schorst en de overige vorderingen afwijst is er geen veroordeling waaraan een dwangsom verbonden kan worden, zodat de vordering onder V wordt afgewezen.



Geen behandeling subsidiaire vordering





5.13.
Omdat de primaire vordering (deels) is toegewezen wordt aan behandeling van de subsidiaire vordering onder VI niet toegekomen.



Geen in goede justitie te bepalen voorziening





5.14.
De vordering onder VII om een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen is niet onderbouwd en te breed geformuleerd. De vordering wordt daarom afgewezen.



Proceskosten





5.15.

In procedures tussen ex-partners is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd. Wat door partijen over en weer hebben aangevoerd biedt geen grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat betekent dat partijen de eigen proceskosten moeten dragen.

6. De beslissing




De voorzieningenrechter




6.1.
schorst de tenuitvoerlegging van de beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2023 met zaaknummer C/10/646458 / FA RK 22-7404, tot het moment dat uitspraak is gedaan in de procedure tussen partijen met zaaknummer C/10/721636 / FA RK 26-4877,



6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,



6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.


4049 / 638



HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026