Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9555
2026-07-07
Civiel recht
C/10/720657 / KG ZA 26-525
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Verhoging dwangsommen. Afwijzing. Gedaagde heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd op grond van het vonnis. Eiseres verkeerde in schuldeisersverzuim door te verlangen dat gedaagde inzage moest geven aan niet in vonnis genoemde advocaat, zodat na poging tot nakoming door gedaagde geen dwangsommen meer zijn verbeurd. Gedaagde is niet-ontvankelijk in reconventie, omdat eis in reconventie in kort geding enkel kan worden ingesteld door advocaat.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.522 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720657 / KG ZA 26-525
Vonnis in kort geding van 7 juli 2026
in de zaak van
[bedrijf A] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. D. Post,
tegen
[persoon B]
,
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
gedaagde partij in conventie,
eiser in reconventie,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna genoemd [bedrijf A] en [persoon B] .
1De zaak in het kort
1.1.
[persoon B] is in een vonnis veroordeeld om [bedrijf A] inzage te geven in gegevens van bedrijven waar hij bestuurder van is. Volgens [bedrijf A] heeft [persoon B] dit niet gedaan en moet hij daarom dwangsommen betalen. [persoon B] voert aan dat hij wel heeft willen voldoen aan het vonnis, maar dat [bedrijf A] dat heeft geweigerd. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [bedrijf A] af. [persoon B] heeft ook vorderingen ingesteld, maar is niet verschenen met een advocaat. Hij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juni 2026 met producties 1 tot en met 11;- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026;- de pleitnota van [bedrijf A] ;- de pleitnota van [persoon B] met producties 1 tot en met 16 en met eis in reconventie.
3De feiten
3.1.
[bedrijf A] heeft een kort geding procedure gevoerd tegen [persoon B] . In het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 23 februari 2026 staat:
“De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [persoon B] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis aan [bedrijf A] (al dan niet via de boekhouder) zijn medewerking te verlenen aan inzage of het verstrekken van afschrift van de volgende bescheiden met betrekking tot [bedrijf B] , [bedrijf C] en [bedrijf D] :
a. volledige bankgegevens (bankrekeningnummers en afschriften);
b. alle overeenkomsten (waaronder overeenkomsten met management, arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten met afnemers en toeleveranciers);
c. bestuurs- en aandeelhoudersbesluiten;
d. jaarverslagen, jaarrekeningen, balans, winst- en verliesrekeningen (ook voor zover in
concept);
e. adviezen van accountants en andere adviseurs;
f. crediteuren- en debiteurenlijsten;
g. (ingediende, voorlopige en/of definitief vastgestelde) belastingaangiftes,
alle betrekking hebbend op de periode vanaf 1 januari 2023 tot de datum van dit vonnis, (…)
5.3.
veroordeelt [persoon B] om aan [bedrijf A] een dwangsom te betalen van € 500,00
voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum
van in totaal € 25.000,00 is bereikt”
3.2.
Het vonnis is aan [persoon B] betekend bij deurwaardersexploot van 4 maart 2026.
3.3.
[persoon B] heeft bij e-mail van 17 maart 2026 [bedrijf A] verzocht om in te stemmen met nadere voorwaarden aan de door hem te verlenen inzage, waaronder een beperking van het gebruik van de gegevens en een beperking van inzage door derden. [bedrijf A] heeft bij e-mail van 18 maart 2026 kenbaar gemaakt niet met deze voorwaarden in te stemmen.
3.4.
[persoon B] heeft bij e-mail van 27 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 30 maart 2026 inzage zal verlenen in de gegevens aan de (middellijk) bestuurder van [bedrijf A] , de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) op het kantoor van [bedrijf A] te Curaçao. [bedrijf A] heeft in reactie daarop aan [persoon B] kenbaar gemaakt dat het kantoor van [bedrijf A] op dat moment gesloten zou zijn.
3.5.
[persoon B] heeft op 30 maart 2026 het kantoor van [bedrijf A] op Curaçao bezocht met een deurwaarder. De deurwaarder heeft van het bezoek een proces-verbaal van constateringen opgemaakt. Daarin staat:
“(…) Na binnenkomst hebben wij ons begeven naar de balie, waar wij werden te woord gestaan door een aldaar aanwezige medewerkster ( [persoon C] ).
De medewerkster gaf te kennen dat zij volledig op de hoogte is van de inhoud ven strekking van onderhavige zaak. Deze medewerkster verklaarde dat zij de opvolger is van de heer [persoon A] , doch niet bevoegd is om namens de heer [persoon A] en/of [bedrijf A] stukken in ontvangst te nemen. (…)
De medewerkster gaf voorts aan dat de heer [persoon A] zich in het buitenland bevindt en dat zij niet weet wanneer hij weer op kantoor aanwezig zal zijn. Tevens gaf zij aan dat de heer [persoon A] niet nu en ook niet in de toekomst weer beschikbaar was. (…)”
3.6.
Een van de advocaten van [bedrijf A] heeft [persoon B] bij e-mails van 29 en 30 maart 2026 gesommeerd een afschrift van de gegevens per e-mail toe te zenden of de gegevens af te geven op het kantoor van de advocaat van [bedrijf A] .
4De vordering in conventie
4.1.
[bedrijf A] vordert - samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis:
1. de in het vonnis van 23 februari 2026 aan [persoon B] opgelegde dwangsom verhoogt
2. [persoon B] veroordeelt tot betaling van € 25.000,- aan verbeurde dwangsommen
3. [persoon B] veroordeelt in de kosten van deze procedure
4. een certificaat verstrekt in de zin van artikel 53 Brussel I-bis Verordening.
4.2.
[persoon B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf A] , met veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van deze procedure.
5De vordering in reconventie
5.1.
[persoon B] vordert – kort samengevat – dat de voorzieningenrechter:
1. een onafhankelijk accountant-waarderingsdeskundige aanwijst die inzage krijgt in gegevens waarvan [persoon B] inzage moet geven aan [bedrijf A]
2. een voorziening treft voor de aanstelling van een bestuurder van de vennootschappen waar [persoon B] bestuurder van is
3. [bedrijf A] veroordeelt tot betaling van € 10.000,- voor de kosten die [persoon B] heeft gemaakt om het vonnis van 23 februari 2026 na te komen
4. [bedrijf A] veroordeelt in de daadwerkelijke kosten van deze procedure en – zo begrijpt de voorzieningenrechter – deze te begroten op € 10.000,-
6De beoordeling
Rechtsmacht voorzieningenrechter
6.1.
[bedrijf A] is gevestigd te Curaçao en heeft woonplaats gekozen in Amsterdam. [persoon B] is woonachtig in België. Gelet hierop heeft de zaak een internationaal karakter, zodat eerst (ambtshalve) moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de ingestelde vorderingen en zo ja, welk recht van toepassing is. [persoon B] heeft woonplaats in een lidstaat van de Europese Unie, zodat de bevoegdheid wordt vastgesteld op grond van Brussel I-bis. Om de bevoegdheid te bepalen zal de voorzieningenrechter eerst vaststellen wat de grondslag is van de ingestelde vorderingen.
Vordering tot betaling dwangsommen
6.2.
[bedrijf A] vordert dat [persoon B] wordt veroordeeld om € 25.000,- aan verbeurde dwangsommen te betalen aan [bedrijf A] . Deze vordering komt neer op een executiegeschil zoals bedoeld in artikel 438 lid 1 Rv, waarbij de voorzieningenrechter vaststelt of dwangsommen door [persoon B] zijn verbeurd. [bedrijf A] heeft echter bij dagvaarding (punt 1.7) aangevoerd dat zij met deze kort geding procedure geen beoordeling beoogt van de vraag of de hoofdveroordeling daadwerkelijk is nagekomen en dus geen oordeel van de voorzieningenrechter als executierechter vraagt. Gelet op deze onduidelijkheid over de grondslag van de vorderingen zal de voorzieningenrechter de vordering moeten uitleggen.
6.3.
Bij de uitleg van een vordering en de gronden waarop het berust moet niet slechts acht worden geslagen op de bewoordingen daarvan, maar komt ook betekenis toe aan de inhoud van hetgeen aan de vordering ten grondslag is gelegd, de wijze waarop de wederpartij de vordering heeft opgevat en redelijkerwijs heeft moeten opvatten, en het overige partijdebat.
6.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering in conventie onder 2, anders dan [bedrijf A] heeft aangevoerd, aan de voorzieningenrechter een executiegeschil zoals bedoeld in artikel 438 Rv voorlegt. De vordering zoals deze is toegelicht, te weten dat [persoon B] niet heeft voldaan aan de bevelen en daarom dwangsommen heeft verbeurd die hij dient te betalen, is niet voor een andere uitleg vatbaar. Verder heeft [persoon B] inhoudelijk verweer gevoerd met betrekking tot de vraag of de hoofdveroordeling daadwerkelijk is nagekomen en heeft het partijdebat zich ook op deze vraag gericht, zodat duidelijk is dat ook [persoon B] de vordering heeft opgevat als een vordering zoals bedoeld in artikel 438 lid 1 Rv.
6.5.
Artikel 24 lid 5 Brussel I bis bepaalt dat, ongeacht de woonplaats van partijen, voor de tenuitvoerlegging van beslissingen bij uitsluiting zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging. Ingevolge artikel 55 Brussel I bis is het gerecht van de plaats van tenuitvoerlegging voor het bepalen van het bedrag van de verschuldigde dwangsom het gerecht van herkomst. Het gerecht van herkomst is het gerecht dat de beslissing heeft gegeven waarvan de erkenning wordt ingeroepen of de tenuitvoerlegging wordt gevorderd (artikel 2, aanhef en onder f, Brussel I bis). Dit brengt met zich dat ten aanzien van dit deel van de tenuitvoerlegging deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering die betrekking heeft op het definitief bepalen van het bedrag van de verbeurde dwangsom.
6.6.
De voorzieningenrechter is daarom bevoegd om kennis te nemen van de vordering.
Vordering tot verhoging dwangsommen
6.7.
[bedrijf A] vordert dat de bij vonnis van 23 februari 2026 opgelegde dwangsom wordt verhoogd. De bevoegdheid om een dwangsom te verhogen vloeit voort uit artikel 611a Rv. Wanneer in een afzonderlijke procedure een verhoging van de dwangsom wordt gevorderd, moet de bevoegdheid van de rechter ten aanzien van deze vordering worden bepaald op dezelfde grondslag als die van de hoofdveroordeling.
6.8.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank was, zoals geoordeeld in het vonnis van 23 februari 2026, internationaal bevoegd ten aanzien van de hoofdveroordeling. Gelet daarop is de voorzieningenrechter daarom bevoegd om van de vordering tot verhoging van de dwangsom ten aanzien van de hoofdveroordeling kennis te nemen.
Vorderingen in reconventie
6.9.
Op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 3 Brussel I bis geldt dat nu het gaat om een vordering die voortspruit uit hetzelfde rechtsfeit als de vordering in conventie, de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in reconventie.
Toepasselijk recht
6.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is. De ingestelde vorderingen hebben betrekking op de wijze van rechtspleging. Ingevolge artikel 10:3 BW is daarom Nederlands recht van toepassing op de ingestelde vorderingen.
Dagvaarding is rechtsgeldig betekend
6.11.
[persoon B] voert aan dat hij de dagvaarding met producties niet zou hebben ontvangen. Een exploot is nietig wanneer niet is voldaan aan de eisen voor betekening. De voorzieningenrechter constateert dat de dagvaarding is betekend op de wijze bepaald in artikel 56 Rv. Gelet daarop is geen sprake van nietigheid van de dagvaarding.
6.12.
Ook voor zover de dagvaarding inderdaad niet daadwerkelijk zou zijn betekend op het woonadres van [persoon B] geldt dat artikel 66 lid 1 Rv bepaalt dat enkel sprake is van nietigheid wanneer aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld. Gelet op het feit dat [persoon B] ter zitting is verschenen en een uitgebreid inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen hetgeen in de dagvaarding is opgenomen volgt dat [persoon B] voorafgaand aan de zitting heeft kunnen kennisnemen van de dagvaarding en daarom niet onredelijk is benadeeld. Bovendien heeft [persoon B] ter zitting verklaard dat hem de dagvaarding en producties per aangetekende e-mail zijn toegezonden, maar dat hij deze e-mail niet heeft geopend. Tenslotte heeft de griffie hem op zijn verzoek ook nog een kopie van de dagvaarding toegezonden.
[persoon B] is niet ontvankelijk in zijn vorderingen in reconventie
6.13.
[persoon B] heeft in zijn pleitnota vorderingen jegens [bedrijf A] geformuleerd. Dit komt neer op een eis in reconventie. Een eis in reconventie kan echter slechts worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen (artikel 6.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). [persoon B] is niet bij advocaat verschenen. De voorzieningenrechter zal [persoon B] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn eis in reconventie.
Toetsingskader executiegeschil in kort geding
6.14.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [bedrijf A] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
6.15.
De beantwoording van de vraag of [persoon B] een dwangsom is verbeurd, dient bij een veroordeling om iets te doen, zoals hier aan de orde, plaats te vinden door een toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij geldt als regel dat de verplichtingen op grond van de veroordeling niet verder gaan dan nodig om het doel van de veroordeling te bereiken. Er moet bovendien geen twijfel bestaan of wat [persoon B] heeft gedaan (of: niet heeft gedaan), een overtreding van de veroordeling inhoudt.
Spoedeisend belang
6.16.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de ingestelde vorderingen.
[persoon B] heeft geen dwangsommen verbeurd
6.17.
[bedrijf A] voert aan dat [persoon B] € 25.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd, omdat hij niet heeft voldaan aan het vonnis van 23 februari 2026. [persoon B] voert aan dat hij aan het vonnis heeft voldaan door zijn medewerking te verlenen aan het verschaffen van inzage. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [persoon B] geen dwangsommen verbeurd. Daarvoor is het volgende redengevend.
6.18.
Het vonnis van 23 februari 2026 is op 4 maart 2026 betekend. [persoon B] is veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van dat vonnis aan [bedrijf A] (al dan niet via de boekhouder) zijn medewerking te verlenen aan inzage dan wel afgifte van in het vonnis genoemde stukken. Het staat gelet op het proces-verbaal van constateringen (zie 3.5) vast dat [persoon B] op 30 maart 2026, dus binnen de in het vonnis gegeven termijn, op het kantoor van [bedrijf A] in Curaçao is verschenen om zijn medewerking aan inzage te verlenen. Het staat ook vast dat [bedrijf A] toen heeft geweigerd om de vereiste medewerking aan de inzage te verlenen.
6.19.
[persoon B] mocht gelet op de formulering van het dictum van het vonnis van 23 februari 2026 kiezen voor het ofwel geven van inzage ofwel het verstrekken van een afschrift van de gegevens. Met het verlenen van medewerking aan de inzage op het kantoor van [bedrijf A] heeft hij daarom op dat moment voldaan aan het vonnis. Anders dan [bedrijf A] stelt was dat kantoor op dat moment ook niet gesloten. Uit het voorgaande volgt dat er geen twijfel bestaat over de omstandigheid dat [persoon B] tijdig zijn medewerking heeft verleend aan inzage. Hij heeft daarom geen dwangsommen verbeurd. [bedrijf A] stelt dat het niet om een serieuze bereidheid tot medewerking ging omdat aan [persoon B] was medegedeeld dat de bestuurder van [bedrijf A] , [persoon A] , die dag niet op kantoor zou zijn, maar dat standpunt baat haar niet. Daargelaten dat van [persoon A] verlangd mocht worden dat hij, wetende dat [persoon B] onderweg was, zou zorgen dat er iemand namens hem op kantoor was om inzage te nemen als het hem niet mogelijk was om er zelf te zijn, blijkt uit de mededelingen van de daar wel aanwezige medewerkster dat de bestuurder niet van plan was om op enig ander moment voor [persoon B] beschikbaar te zijn.
6.20.
[bedrijf A] heeft weliswaar [persoon B] later (nogmaals) gesommeerd om inzage te geven, maar [bedrijf A] is door haar eerdere weigering om zelf medewerking te verlenen aan de inzage in schuldeisersverzuim komen te verkeren. Gesteld noch gebleken is dat het schuldeisersverzuim is gezuiverd. [bedrijf A] heeft [persoon B] immers steeds uitsluitend in de gelegenheid gesteld om de stukken af te geven dan wel inzage te geven aan de advocaat van [bedrijf A] , maar [persoon B] is enkel veroordeeld inzage te geven aan [bedrijf A] (al dan niet via de boekhouder) en dus niet gehouden om dat aan de advocaat van [bedrijf A] te doen. [bedrijf A] had dat kunnen vorderen in de eerdere procedure tussen partijen, maar nu zij dat niet heeft gedaan kan zij [persoon B] ook niet verwijten dat [persoon B] , om hem moverende redenen, geen inzage wenst te geven aan de advocaat van [bedrijf A] . [persoon B] heeft daarna dus ook geen dwangsommen verbeurd.
6.21.
Aangezien [persoon B] geen dwangsommen heeft verbeurd wordt de vordering om een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 Brussel I bis te verstrekken afgewezen.
6.22.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat het voorgaande niet inhoudt dat [persoon B] niet langer gehouden is tot het verlenen van medewerking aan de inzage. [bedrijf A] voert terecht aan dat uit het vonnis van 23 februari 2026 volgt dat [persoon B] uiteindelijk daadwerkelijk inzage moet geven. Aangezien [persoon B] ter zitting heeft verklaard dat hij op eenvoudige wijze inzage kan geven in of een uitdraai kan verschaffen uit zijn digitale boekhoudsysteem, ligt het gelet op de belangen van partijen over en weer bij nakoming van de veroordeling voor de hand dat op die wijze inzage, eventueel in een teams-gesprek, of afschrift aan de bestuurder van [bedrijf A] wordt verschaft. Partijen zullen daarbij voor ogen moeten houden dat het dictum van het vonnis van 23 februari 2026 leidend is en zij dus niet meer of andere voorwaarden (omtrent geheimhouding of anderszins) kunnen stellen aan de inzage of het afschrift van de gegevens.
Als de bestuurder van [bedrijf A] echter een accountant/boekhouder wenst te machtigen om inzage te nemen mag in beginsel van [persoon B] verlangd worden dat hij aan die gemachtigde inzage geeft.
Vordering tot verhoging dwangsommen wordt afgewezen
6.23.
In het voorgaande is geoordeeld dat [persoon B] niet reeds dwangsommen heeft verbeurd. Er doet zich daarom niet een situatie voor waarin de opgelegde dwangsommen een onvoldoende prikkel hebben gevormd. De vordering van [bedrijf A] om de dwangsomveroordeling te verhogen wordt daarom afgewezen.
Proceskosten in conventie
6.24.
[bedrijf A] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon B] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
760,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.290,00
Proceskosten in reconventie
6.25.
[persoon B] is niet ontvankelijk in zijn vorderingen in reconventie. Hij moet daarom de proceskosten van [bedrijf A] betalen. Gelet op het feit dat de eis in reconventie niet conform het bepaalde in artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling aan [bedrijf A] is toegezonden en de vorderingen in reconventie niet inhoudelijk zijn behandeld op de zitting, zijn voor het verweer tegen de eis in reconventie geen kosten gemaakt door [bedrijf A] . De proceskosten worden daarom begroot op nihil.
7De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
7.1.
wijst de vorderingen van [bedrijf A] af,
7.2.
veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van [persoon B] van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
7.4.
verklaart [persoon B] niet-ontvankelijk in de eis in reconventie,
7.5.
veroordeelt [persoon B] in de proceskosten van [bedrijf A] , begroot op € 0,-
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
4049 / 106
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720657 / KG ZA 26-525
Vonnis in kort geding van 7 juli 2026
in de zaak van
[bedrijf A] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. D. Post,
tegen
[persoon B]
,
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
gedaagde partij in conventie,
eiser in reconventie,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna genoemd [bedrijf A] en [persoon B] .
1De zaak in het kort
1.1.
[persoon B] is in een vonnis veroordeeld om [bedrijf A] inzage te geven in gegevens van bedrijven waar hij bestuurder van is. Volgens [bedrijf A] heeft [persoon B] dit niet gedaan en moet hij daarom dwangsommen betalen. [persoon B] voert aan dat hij wel heeft willen voldoen aan het vonnis, maar dat [bedrijf A] dat heeft geweigerd. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [bedrijf A] af. [persoon B] heeft ook vorderingen ingesteld, maar is niet verschenen met een advocaat. Hij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juni 2026 met producties 1 tot en met 11;- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026;- de pleitnota van [bedrijf A] ;- de pleitnota van [persoon B] met producties 1 tot en met 16 en met eis in reconventie.
3De feiten
3.1.
[bedrijf A] heeft een kort geding procedure gevoerd tegen [persoon B] . In het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 23 februari 2026 staat:
“De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [persoon B] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis aan [bedrijf A] (al dan niet via de boekhouder) zijn medewerking te verlenen aan inzage of het verstrekken van afschrift van de volgende bescheiden met betrekking tot [bedrijf B] , [bedrijf C] en [bedrijf D] :
a. volledige bankgegevens (bankrekeningnummers en afschriften);
b. alle overeenkomsten (waaronder overeenkomsten met management, arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten met afnemers en toeleveranciers);
c. bestuurs- en aandeelhoudersbesluiten;
d. jaarverslagen, jaarrekeningen, balans, winst- en verliesrekeningen (ook voor zover in
concept);
e. adviezen van accountants en andere adviseurs;
f. crediteuren- en debiteurenlijsten;
g. (ingediende, voorlopige en/of definitief vastgestelde) belastingaangiftes,
alle betrekking hebbend op de periode vanaf 1 januari 2023 tot de datum van dit vonnis, (…)
5.3.
veroordeelt [persoon B] om aan [bedrijf A] een dwangsom te betalen van € 500,00
voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum
van in totaal € 25.000,00 is bereikt”
3.2.
Het vonnis is aan [persoon B] betekend bij deurwaardersexploot van 4 maart 2026.
3.3.
[persoon B] heeft bij e-mail van 17 maart 2026 [bedrijf A] verzocht om in te stemmen met nadere voorwaarden aan de door hem te verlenen inzage, waaronder een beperking van het gebruik van de gegevens en een beperking van inzage door derden. [bedrijf A] heeft bij e-mail van 18 maart 2026 kenbaar gemaakt niet met deze voorwaarden in te stemmen.
3.4.
[persoon B] heeft bij e-mail van 27 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 30 maart 2026 inzage zal verlenen in de gegevens aan de (middellijk) bestuurder van [bedrijf A] , de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) op het kantoor van [bedrijf A] te Curaçao. [bedrijf A] heeft in reactie daarop aan [persoon B] kenbaar gemaakt dat het kantoor van [bedrijf A] op dat moment gesloten zou zijn.
3.5.
[persoon B] heeft op 30 maart 2026 het kantoor van [bedrijf A] op Curaçao bezocht met een deurwaarder. De deurwaarder heeft van het bezoek een proces-verbaal van constateringen opgemaakt. Daarin staat:
“(…) Na binnenkomst hebben wij ons begeven naar de balie, waar wij werden te woord gestaan door een aldaar aanwezige medewerkster ( [persoon C] ).
De medewerkster gaf te kennen dat zij volledig op de hoogte is van de inhoud ven strekking van onderhavige zaak. Deze medewerkster verklaarde dat zij de opvolger is van de heer [persoon A] , doch niet bevoegd is om namens de heer [persoon A] en/of [bedrijf A] stukken in ontvangst te nemen. (…)
De medewerkster gaf voorts aan dat de heer [persoon A] zich in het buitenland bevindt en dat zij niet weet wanneer hij weer op kantoor aanwezig zal zijn. Tevens gaf zij aan dat de heer [persoon A] niet nu en ook niet in de toekomst weer beschikbaar was. (…)”
3.6.
Een van de advocaten van [bedrijf A] heeft [persoon B] bij e-mails van 29 en 30 maart 2026 gesommeerd een afschrift van de gegevens per e-mail toe te zenden of de gegevens af te geven op het kantoor van de advocaat van [bedrijf A] .
4De vordering in conventie
4.1.
[bedrijf A] vordert - samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis:
1. de in het vonnis van 23 februari 2026 aan [persoon B] opgelegde dwangsom verhoogt
2. [persoon B] veroordeelt tot betaling van € 25.000,- aan verbeurde dwangsommen
3. [persoon B] veroordeelt in de kosten van deze procedure
4. een certificaat verstrekt in de zin van artikel 53 Brussel I-bis Verordening.
4.2.
[persoon B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf A] , met veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van deze procedure.
5De vordering in reconventie
5.1.
[persoon B] vordert – kort samengevat – dat de voorzieningenrechter:
1. een onafhankelijk accountant-waarderingsdeskundige aanwijst die inzage krijgt in gegevens waarvan [persoon B] inzage moet geven aan [bedrijf A]
2. een voorziening treft voor de aanstelling van een bestuurder van de vennootschappen waar [persoon B] bestuurder van is
3. [bedrijf A] veroordeelt tot betaling van € 10.000,- voor de kosten die [persoon B] heeft gemaakt om het vonnis van 23 februari 2026 na te komen
4. [bedrijf A] veroordeelt in de daadwerkelijke kosten van deze procedure en – zo begrijpt de voorzieningenrechter – deze te begroten op € 10.000,-
6De beoordeling
Rechtsmacht voorzieningenrechter
6.1.
[bedrijf A] is gevestigd te Curaçao en heeft woonplaats gekozen in Amsterdam. [persoon B] is woonachtig in België. Gelet hierop heeft de zaak een internationaal karakter, zodat eerst (ambtshalve) moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de ingestelde vorderingen en zo ja, welk recht van toepassing is. [persoon B] heeft woonplaats in een lidstaat van de Europese Unie, zodat de bevoegdheid wordt vastgesteld op grond van Brussel I-bis. Om de bevoegdheid te bepalen zal de voorzieningenrechter eerst vaststellen wat de grondslag is van de ingestelde vorderingen.
Vordering tot betaling dwangsommen
6.2.
[bedrijf A] vordert dat [persoon B] wordt veroordeeld om € 25.000,- aan verbeurde dwangsommen te betalen aan [bedrijf A] . Deze vordering komt neer op een executiegeschil zoals bedoeld in artikel 438 lid 1 Rv, waarbij de voorzieningenrechter vaststelt of dwangsommen door [persoon B] zijn verbeurd. [bedrijf A] heeft echter bij dagvaarding (punt 1.7) aangevoerd dat zij met deze kort geding procedure geen beoordeling beoogt van de vraag of de hoofdveroordeling daadwerkelijk is nagekomen en dus geen oordeel van de voorzieningenrechter als executierechter vraagt. Gelet op deze onduidelijkheid over de grondslag van de vorderingen zal de voorzieningenrechter de vordering moeten uitleggen.
6.3.
Bij de uitleg van een vordering en de gronden waarop het berust moet niet slechts acht worden geslagen op de bewoordingen daarvan, maar komt ook betekenis toe aan de inhoud van hetgeen aan de vordering ten grondslag is gelegd, de wijze waarop de wederpartij de vordering heeft opgevat en redelijkerwijs heeft moeten opvatten, en het overige partijdebat.
6.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering in conventie onder 2, anders dan [bedrijf A] heeft aangevoerd, aan de voorzieningenrechter een executiegeschil zoals bedoeld in artikel 438 Rv voorlegt. De vordering zoals deze is toegelicht, te weten dat [persoon B] niet heeft voldaan aan de bevelen en daarom dwangsommen heeft verbeurd die hij dient te betalen, is niet voor een andere uitleg vatbaar. Verder heeft [persoon B] inhoudelijk verweer gevoerd met betrekking tot de vraag of de hoofdveroordeling daadwerkelijk is nagekomen en heeft het partijdebat zich ook op deze vraag gericht, zodat duidelijk is dat ook [persoon B] de vordering heeft opgevat als een vordering zoals bedoeld in artikel 438 lid 1 Rv.
6.5.
Artikel 24 lid 5 Brussel I bis bepaalt dat, ongeacht de woonplaats van partijen, voor de tenuitvoerlegging van beslissingen bij uitsluiting zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging. Ingevolge artikel 55 Brussel I bis is het gerecht van de plaats van tenuitvoerlegging voor het bepalen van het bedrag van de verschuldigde dwangsom het gerecht van herkomst. Het gerecht van herkomst is het gerecht dat de beslissing heeft gegeven waarvan de erkenning wordt ingeroepen of de tenuitvoerlegging wordt gevorderd (artikel 2, aanhef en onder f, Brussel I bis). Dit brengt met zich dat ten aanzien van dit deel van de tenuitvoerlegging deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering die betrekking heeft op het definitief bepalen van het bedrag van de verbeurde dwangsom.
6.6.
De voorzieningenrechter is daarom bevoegd om kennis te nemen van de vordering.
Vordering tot verhoging dwangsommen
6.7.
[bedrijf A] vordert dat de bij vonnis van 23 februari 2026 opgelegde dwangsom wordt verhoogd. De bevoegdheid om een dwangsom te verhogen vloeit voort uit artikel 611a Rv. Wanneer in een afzonderlijke procedure een verhoging van de dwangsom wordt gevorderd, moet de bevoegdheid van de rechter ten aanzien van deze vordering worden bepaald op dezelfde grondslag als die van de hoofdveroordeling.
6.8.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank was, zoals geoordeeld in het vonnis van 23 februari 2026, internationaal bevoegd ten aanzien van de hoofdveroordeling. Gelet daarop is de voorzieningenrechter daarom bevoegd om van de vordering tot verhoging van de dwangsom ten aanzien van de hoofdveroordeling kennis te nemen.
Vorderingen in reconventie
6.9.
Op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 3 Brussel I bis geldt dat nu het gaat om een vordering die voortspruit uit hetzelfde rechtsfeit als de vordering in conventie, de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in reconventie.
Toepasselijk recht
6.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is. De ingestelde vorderingen hebben betrekking op de wijze van rechtspleging. Ingevolge artikel 10:3 BW is daarom Nederlands recht van toepassing op de ingestelde vorderingen.
Dagvaarding is rechtsgeldig betekend
6.11.
[persoon B] voert aan dat hij de dagvaarding met producties niet zou hebben ontvangen. Een exploot is nietig wanneer niet is voldaan aan de eisen voor betekening. De voorzieningenrechter constateert dat de dagvaarding is betekend op de wijze bepaald in artikel 56 Rv. Gelet daarop is geen sprake van nietigheid van de dagvaarding.
6.12.
Ook voor zover de dagvaarding inderdaad niet daadwerkelijk zou zijn betekend op het woonadres van [persoon B] geldt dat artikel 66 lid 1 Rv bepaalt dat enkel sprake is van nietigheid wanneer aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld. Gelet op het feit dat [persoon B] ter zitting is verschenen en een uitgebreid inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen hetgeen in de dagvaarding is opgenomen volgt dat [persoon B] voorafgaand aan de zitting heeft kunnen kennisnemen van de dagvaarding en daarom niet onredelijk is benadeeld. Bovendien heeft [persoon B] ter zitting verklaard dat hem de dagvaarding en producties per aangetekende e-mail zijn toegezonden, maar dat hij deze e-mail niet heeft geopend. Tenslotte heeft de griffie hem op zijn verzoek ook nog een kopie van de dagvaarding toegezonden.
[persoon B] is niet ontvankelijk in zijn vorderingen in reconventie
6.13.
[persoon B] heeft in zijn pleitnota vorderingen jegens [bedrijf A] geformuleerd. Dit komt neer op een eis in reconventie. Een eis in reconventie kan echter slechts worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen (artikel 6.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). [persoon B] is niet bij advocaat verschenen. De voorzieningenrechter zal [persoon B] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn eis in reconventie.
Toetsingskader executiegeschil in kort geding
6.14.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [bedrijf A] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
6.15.
De beantwoording van de vraag of [persoon B] een dwangsom is verbeurd, dient bij een veroordeling om iets te doen, zoals hier aan de orde, plaats te vinden door een toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij geldt als regel dat de verplichtingen op grond van de veroordeling niet verder gaan dan nodig om het doel van de veroordeling te bereiken. Er moet bovendien geen twijfel bestaan of wat [persoon B] heeft gedaan (of: niet heeft gedaan), een overtreding van de veroordeling inhoudt.
Spoedeisend belang
6.16.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de ingestelde vorderingen.
[persoon B] heeft geen dwangsommen verbeurd
6.17.
[bedrijf A] voert aan dat [persoon B] € 25.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd, omdat hij niet heeft voldaan aan het vonnis van 23 februari 2026. [persoon B] voert aan dat hij aan het vonnis heeft voldaan door zijn medewerking te verlenen aan het verschaffen van inzage. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [persoon B] geen dwangsommen verbeurd. Daarvoor is het volgende redengevend.
6.18.
Het vonnis van 23 februari 2026 is op 4 maart 2026 betekend. [persoon B] is veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van dat vonnis aan [bedrijf A] (al dan niet via de boekhouder) zijn medewerking te verlenen aan inzage dan wel afgifte van in het vonnis genoemde stukken. Het staat gelet op het proces-verbaal van constateringen (zie 3.5) vast dat [persoon B] op 30 maart 2026, dus binnen de in het vonnis gegeven termijn, op het kantoor van [bedrijf A] in Curaçao is verschenen om zijn medewerking aan inzage te verlenen. Het staat ook vast dat [bedrijf A] toen heeft geweigerd om de vereiste medewerking aan de inzage te verlenen.
6.19.
[persoon B] mocht gelet op de formulering van het dictum van het vonnis van 23 februari 2026 kiezen voor het ofwel geven van inzage ofwel het verstrekken van een afschrift van de gegevens. Met het verlenen van medewerking aan de inzage op het kantoor van [bedrijf A] heeft hij daarom op dat moment voldaan aan het vonnis. Anders dan [bedrijf A] stelt was dat kantoor op dat moment ook niet gesloten. Uit het voorgaande volgt dat er geen twijfel bestaat over de omstandigheid dat [persoon B] tijdig zijn medewerking heeft verleend aan inzage. Hij heeft daarom geen dwangsommen verbeurd. [bedrijf A] stelt dat het niet om een serieuze bereidheid tot medewerking ging omdat aan [persoon B] was medegedeeld dat de bestuurder van [bedrijf A] , [persoon A] , die dag niet op kantoor zou zijn, maar dat standpunt baat haar niet. Daargelaten dat van [persoon A] verlangd mocht worden dat hij, wetende dat [persoon B] onderweg was, zou zorgen dat er iemand namens hem op kantoor was om inzage te nemen als het hem niet mogelijk was om er zelf te zijn, blijkt uit de mededelingen van de daar wel aanwezige medewerkster dat de bestuurder niet van plan was om op enig ander moment voor [persoon B] beschikbaar te zijn.
6.20.
[bedrijf A] heeft weliswaar [persoon B] later (nogmaals) gesommeerd om inzage te geven, maar [bedrijf A] is door haar eerdere weigering om zelf medewerking te verlenen aan de inzage in schuldeisersverzuim komen te verkeren. Gesteld noch gebleken is dat het schuldeisersverzuim is gezuiverd. [bedrijf A] heeft [persoon B] immers steeds uitsluitend in de gelegenheid gesteld om de stukken af te geven dan wel inzage te geven aan de advocaat van [bedrijf A] , maar [persoon B] is enkel veroordeeld inzage te geven aan [bedrijf A] (al dan niet via de boekhouder) en dus niet gehouden om dat aan de advocaat van [bedrijf A] te doen. [bedrijf A] had dat kunnen vorderen in de eerdere procedure tussen partijen, maar nu zij dat niet heeft gedaan kan zij [persoon B] ook niet verwijten dat [persoon B] , om hem moverende redenen, geen inzage wenst te geven aan de advocaat van [bedrijf A] . [persoon B] heeft daarna dus ook geen dwangsommen verbeurd.
6.21.
Aangezien [persoon B] geen dwangsommen heeft verbeurd wordt de vordering om een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 Brussel I bis te verstrekken afgewezen.
6.22.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat het voorgaande niet inhoudt dat [persoon B] niet langer gehouden is tot het verlenen van medewerking aan de inzage. [bedrijf A] voert terecht aan dat uit het vonnis van 23 februari 2026 volgt dat [persoon B] uiteindelijk daadwerkelijk inzage moet geven. Aangezien [persoon B] ter zitting heeft verklaard dat hij op eenvoudige wijze inzage kan geven in of een uitdraai kan verschaffen uit zijn digitale boekhoudsysteem, ligt het gelet op de belangen van partijen over en weer bij nakoming van de veroordeling voor de hand dat op die wijze inzage, eventueel in een teams-gesprek, of afschrift aan de bestuurder van [bedrijf A] wordt verschaft. Partijen zullen daarbij voor ogen moeten houden dat het dictum van het vonnis van 23 februari 2026 leidend is en zij dus niet meer of andere voorwaarden (omtrent geheimhouding of anderszins) kunnen stellen aan de inzage of het afschrift van de gegevens.
Als de bestuurder van [bedrijf A] echter een accountant/boekhouder wenst te machtigen om inzage te nemen mag in beginsel van [persoon B] verlangd worden dat hij aan die gemachtigde inzage geeft.
Vordering tot verhoging dwangsommen wordt afgewezen
6.23.
In het voorgaande is geoordeeld dat [persoon B] niet reeds dwangsommen heeft verbeurd. Er doet zich daarom niet een situatie voor waarin de opgelegde dwangsommen een onvoldoende prikkel hebben gevormd. De vordering van [bedrijf A] om de dwangsomveroordeling te verhogen wordt daarom afgewezen.
Proceskosten in conventie
6.24.
[bedrijf A] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon B] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
760,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.290,00
Proceskosten in reconventie
6.25.
[persoon B] is niet ontvankelijk in zijn vorderingen in reconventie. Hij moet daarom de proceskosten van [bedrijf A] betalen. Gelet op het feit dat de eis in reconventie niet conform het bepaalde in artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling aan [bedrijf A] is toegezonden en de vorderingen in reconventie niet inhoudelijk zijn behandeld op de zitting, zijn voor het verweer tegen de eis in reconventie geen kosten gemaakt door [bedrijf A] . De proceskosten worden daarom begroot op nihil.
7De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
7.1.
wijst de vorderingen van [bedrijf A] af,
7.2.
veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van [persoon B] van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
7.4.
verklaart [persoon B] niet-ontvankelijk in de eis in reconventie,
7.5.
veroordeelt [persoon B] in de proceskosten van [bedrijf A] , begroot op € 0,-
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
4049 / 106
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)