Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9550

2026-06-18 Civiel recht C/10/719570 / KG ZA 26-456
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/10/719570 / KG ZA 26-456
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Meewerken verkoop woning. Toewijzing. De man heeft gelegenheid gekregen de woning over te nemen in lijn met de afspraken die partijen daarover hebben gemaakt. Dat is niet gelukt. De vrouw kan daarom de overeenkomst met de man ontbinden. Dat heeft als gevolg dat de man nu alsnog moet meewerken aan verkoop van de woning en verdeling van de opbrengst.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.708 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/719570 / KG ZA 26-456




Vonnis in kort geding van 18 juni 2026




in de zaak van





[naam vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. S. Broekzitter-Nieuwland,



tegen





[naam man]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
verschenen in persoon.



Partijen worden hierna genoemd de vrouw en de man.






1De zaak in het kort


1.1.
Partijen zijn getrouwd geweest. Zij hebben bij hun echtscheiding afgesproken de echtelijke woning te verdelen door deze te verkopen aan een derde. Later heeft de man aangegeven de woning alsnog over te willen nemen. Partijen hebben toen nieuwe afspraken gemaakt om dit op een korte termijn te regelen. Het is de man niet gelukt om de woning binnen die afgesproken termijn over te nemen. De vrouw vordert daarom dat de man medewerking moet verlenen aan de verkoop van de woning. De voorzieningenrechter wijst die vordering van de vrouw toe.






2De procedure


2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 mei 2026 met producties 1 tot en met 12;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;- de mondelinge behandeling van 4 juni 2026.






3De feiten


3.1.
Partijen zijn getrouwd geweest. Bij beschikking van 9 oktober 2024 is de echtscheiding uitgesproken. Het echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op 9 september 2024, maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking. Daarin staat:


“ECHTELIJKE WONING

Tot de eenvoudige gemeenschap van goederen behoort de ieder voor de helft tot mede-eigendom strekkende echtelijke woning aan de [adres] , ( [postcode] ) [plaats] , met een door partijen geschatte waarde van € 475,000,00.


Partijen zullen deze woning tot verkoop brengen. De opbrengst/het tekort, te weten het saldo na aflossing van de restant hypotheekschuld groot -/- € 259.566,21 bij Argenta onder nummer [dossiernummer] en betaling van alle aan de verkoop verbonden kosten, zullen zij met elkaar bij helfte delen.”




3.2.
De man is in de woning blijven wonen. In april 2025 is de woning in de verkoop gezet. De man ging niet akkoord met het eerste bod in mei 2025, en wilde toen dat de woning uit de verkoop werd gehaald omdat hij toch zelf de woning wilde overnemen. Partijen zijn toen - medio 2025 - overeengekomen dat de woning (alsnog) aan de man zou worden toegedeeld en de man de vrouw zou uitkopen. Partijen zijn daartoe twee ‘convenanten’ overeengekomen.



3.3.
In het ‘convenant van verdeling’, overeengekomen op 24 juli 2025, staat:


“1. Partijen komen overeen dat [de vrouw] een bedrag van € 75.000,- (zegge:

vijfenzeventig duizend euro) zal ontvangen uit de overwaarde van de gezamenlijke woning.



1a. Genoemd bedrag zal worden voldaan in de maand januari 2026. (…)




3. Met deze betaling doen partijen over en weer finale kwijting ten aanzien van de



overwaarde van de voormalige gezamenlijke woning, Partijen verklaren niets meer van


elkaar te vorderen te hebben met betrekking tot deze overwaarde.”



In het ‘convenant schuldbekentenis’, overeengekomen op 25 juli 2025, staat:



“Artikel 1 - Schuldbekentenis


1. De Schuldenaar erkent per heden een bedrag van EUR 25.000,- (zegge:


vijfentwintigduizend euro) verschuldigd te zijn aan de Schuldeiser.


2. Op het moment van ondertekening van dit convenant is reeds een bedrag van EUR 1.000,- (zegge: duizend euro) voldaan aan de Schuldeiser, op 16 juli 2025. (…)”



3.4.
De man heeft het bedrag van € 75.000,- betaald aan de vrouw.



3.5.
De man heeft vervolgens geprobeerd de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bestaande hypothecaire schuld, althans nieuwe financiering te verkrijgen. Toen dat eind oktober 2025 nog niet was gelukt heeft de man nog twee maanden extra gevraagd.



3.6.
De vrouw heeft bij e-mail van 23 januari 2026 de man gemeld dat hij ervoor moest zorgen dat zij binnen 4 weken zou zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.



3.7.
De man heeft vervolgens in februari 2026 een financieringsaanvraag gedaan bij een hypotheekverstrekker. De financiering is toen niet verleend. De man heeft op 29 mei 2026 een nieuwe financieringsaanvraag gedaan.






4Het geschil


4.1.

De vrouw vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. de man veroordeelt om na betekening van het vonnis maar uiterlijk 2 juli 2026 tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats] , gemeente Nissewaard tegen de door de makelaar 365 Wonen best mogelijk geachte verkoopprijs;
II. de vrouw machtigt om bij gebreke van de vereiste medewerking van de man de nodige feitelijke handelingen voor de verkoop te verrichten;
III. te bepalen dat, indien de man de bedoelde medewerking niet verleent, het te wijzen vonnis zo nodig in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de man;
IV. de man veroordeelt tot het betalen van de aan de verkoop en levering van de woning verbonden kosten;
V. de man veroordeelt tot het betalen van de helft van de aan de verkoop en levering van de woning verbonden kosten notariskosten indien de woning aan een derde wordt verkocht en hem te veroordelen om de volledige notariskosten te betalen indien het aandeel van de vrouw in de woning aan hem wordt geleverd;
VI. de man veroordeelt om mee te werken aan een verdeling bij helfte van de verkoopopbrengst (wat resteert na aflossing hypothecaire schuld en voldoening van de kosten van verkoop en levering) zulks met aftrek van het reeds door de man aan de vrouw betaalde bedrag van € 76.000,-;
VII. de te betrekken notaris machtigt om na levering van de woning aan een derde voormelde netto opbrengst uit te betalen aan partijen;
VIII. bepaalt dat de sub I t/m VII opgenomen veroordelingen vervallen indien de man
uiterlijk op 1 juli 2026:

- de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire geldlening bij Argenta heeft doen ontslaan, en
- zijn medewerking aan de levering van het aandeel van de vrouw aan hem heeft verleend, en
- zijn medewerking heeft verleend aan vermelding in de akte van levering dat hij nog aan de vrouw het bedrag van € 24.000,-- is verschuldigd, uiterlijk voor 1 augustus 2028 te voldoen;
IX. de man veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



4.2.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.






5De beoordeling



Toetsingskader kort geding




5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.



Spoedeisend belang





5.2.
Het spoedeisend belang volgt uit stellingen van de vrouw. Het uitgangspunt bij een vordering tot medewerking aan verkoop van een gemeenschappelijk goed is dat niemand kan worden gedwongen om in een onverdeelde gemeenschap te blijven zitten. Partijen zijn bijna twee jaar geleden gescheiden en tot op heden is de gemeenschappelijke woning onverdeeld gebleven. De vrouw heeft verder de wens om op korte termijn een woning te kopen. Dat kan zij niet als zij niet ontslagen is uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld. Ook daarom heeft de vrouw voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen.



De vrouw hoeft de eerder gemaakte afspraken over toedeling van de woning aan de man niet na te komen





5.3.
Het meest verstrekkende verweer van de man is dat partijen in het ‘convenant van verdeling’ en het ‘convenant schuldbekentenis’ zijn overeengekomen dat de woning aan de man wordt toegedeeld, mits de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bestaande hypothecaire schuld en zij in totaal € 100.000,- van hem ontvangt. Hij moet (nogmaals) in de gelegenheid worden gesteld dat ontslag te bewerkstelligen en hem moet daarvoor nog een termijn van drie maanden worden gegund, aldus de man.



5.4.
De vrouw voert aan dat de afspraken uit voormelde convenanten niet meer gelden. De man is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, omdat hij er niet voor heeft gezorgd dat de vrouw binnen de afgesproken (korte) termijn werd ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld. Deze afspraken waren in juni 2025 gemaakt. De man zou uiterlijk eind augustus 2025 de woning op zijn naam hebben gezet. In oktober 2025 wilde hij nog twee maanden extra om de financiering rond te krijgen. Toen is afgesproken dat het uiterlijk in januari 2026 rond moest zijn. Maar ook dit is niet gelukt. De vrouw heeft er geen vertrouwen meer in dat het de man nog gaat lukken. Hij heeft ook niet aangetoond dat het hem nog kan lukken. Eén en ander rechtvaardigt de ontbinding van de convenanten, aldus de vrouw.



5.5.
De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure een beroep op ontbinding van de convenanten slaagt. Daar is het volgende redengevend voor.



5.6.
Op grond van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis aan de wederpartij de bevoegdheid om een overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming dermate gering is dat deze de ontbinding niet rechtvaardigt. Als de schuldenaar nog kan nakomen, zoals hier (in beginsel) het geval is, ontstaat deze bevoegdheid pas wanneer de schuldenaar in verzuim is.



5.7.
De man heeft niet weersproken dat partijen hebben afgesproken dat de man de woning zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval - na diverse termijnverlengingen op zijn verzoek - uiterlijk in januari 2026 op zijn naam zou hebben gezet en de vrouw dus uiterlijk op dat moment zou zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld. Dit is niet gebeurd.



5.8.

Het overschrijden van de afgesproken termijn levert, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, een tekortkoming op die de ontbinding rechtvaardigt, mede gelet op het feit dat de vrouw in de zomer van 2025 met een aanzienlijk lagere uitkoopsom dan reëel was - dit staat tussen partijen vast - genoegen heeft genomen juist omdat dan op korte termijn de toedeling van de woning aan de man zou worden afgewikkeld.
Ook nu is er nog geen concreet vooruitzicht dat de man de vrouw kan doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij financieel voldoende draagkrachtig is, en eerdere financieringspogingen zijn mislukt.




5.9.
De man verkeert ook in verzuim. De vrouw heeft de man laatstelijk op 23 januari 2026 (nogmaals) een kans gegeven om de gemaakte afspraken alsnog binnen 4 weken uit te voeren. Voor zover de man niet al in januari 2026 vanwege de overschrijding van de overeengekomen termijn in verzuim was komen te verkeren op grond van het bepaalde in artikel 6:83 onder a BW, is hij met deze ingebrekestelling in verzuim komen te verkeren op grond van het bepaalde in artikel 6:82 lid 1 BW.



5.10.

Volgens de man is de termijnoverschrijding van die laatste vier weken niet aan hem te wijten, omdat deze is ontstaan doordat de vrouw de erkenning van de schuld van € 24.000 (vanwege het ‘convenant schulderkenning’ en de € 1.000 die de man reeds had voldaan) opgenomen wilde zien in de akte van de verdeling.
Volgens de vrouw wilde zij dat van meet af aan, maar bleek haar medio februari 2026 dat in de conceptakte de schuld niet was vermeld. Juist omdat de man in december 2025 had gemaild dat hij zich niet meer gebonden achtte aan de afspraken uit het ‘convenant schuldbekentenis’ heeft de man het over zich afgeroepen dat zij, om die schuld daadwerkelijk te kunnen verhalen op de man, erop stond dat de erkenning van zijn schuld in de definitieve akte van verdeling terecht zou komen. Ter zitting erkende de man die mail van december 2025 te hebben gestuurd zonder enige verklaring te geven omtrent de reden waarom hij zich (op dat moment) niet meer aan de gemaakte afspraken gebonden achtte.




5.11.
Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden was die laatste termijnoverschrijding niet aan de vrouw te wijten. Ook overigens zijn er geen aanknopingspunten om de man (nogmaals) een termijn te gunnen om de vrouw te doen ontslaan en de woning op zijn naam te zetten. Daarbij is meegewogen dat in juli 2025 de overeengekomen uitkoopsom al heel gunstig voor de man was en heel ongunstig voor de vrouw, terwijl de ontwikkelingen in de woningmarkt dat verschil nog zullen hebben vergroot.




De vordering tot medewerking verkoop wordt toegewezen





5.12.
Uitgaande van de ontbinding van de convenanten geldt de afspraak om de woning aan de man toe te delen niet meer. In het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de woning te koop wordt aangeboden aan een derde. De man is aan deze overeenkomst gebonden en hij moet deze afspraken thans nakomen.



5.13.

Op zitting erkende de man dat hij in een eerder stadium, voorafgaand aan het sluiten van de convenanten in juli 2025, niet heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning aan een derde nadat er een bod was uitgebracht. De man gaf daarvoor op zitting als reden dat hij toen meende tóch (met enig kunst en vliegwerk, waaronder een schenking van zijn vader) de woning zelf te kunnen overnemen.
De vordering om de man te veroordelen mee te werken aan de verkoop wordt toegewezen gezien die eerdere weigering tot medewerking en omdat de vrouw er groot belang bij heeft dat zij op korte termijn wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld.




De voorlopige verdeling verkoopopbrengst wordt toegewezen





5.14.
De vordering van de vrouw onder VI om een voorlopige verdeling van de verkoopopbrengst vast te stellen en de man te veroordelen tot medewerking daaraan wordt toegewezen. De voorzieningenrechter zal daarbij bepalen dat partijen alle gemaakte kosten voor de verkoop van de woning ieder voor de helft zullen dragen.



De vordering tot machtiging notaris tot uitbetaling verkoopopbrengst wordt afgewezen





5.15.
De vrouw heeft gevorderd dat de notaris wordt gemachtigd om de verkoopopbrengst uit te betalen aan partijen. Deze vordering wordt afgewezen. De vrouw heeft geen belang bij deze vordering, aangezien de uitbetaling tot de taak van de passerend notaris behoort en de man al wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de voorlopige verdeling van de verkoopopbrengst.



De man hoeft niet de volledige kosten van de makelaar te betalen





5.16.
De vrouw vordert dat de man alle kosten van de verkoopmakelaar moet voldoen. Deze vordering wordt afgewezen. De vrouw heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld voor toewijzing van deze vordering. Dat de man eerder onvoldoende medewerking aan de verkoop heeft verleend is geen reden waarom hij thans de kosten van de makelaar alleen zou moeten dragen.



Overige vorderingen, kennelijk voor de situatie waarin de woning alsnog wordt toegedeeld aan de man, worden afgewezen





5.17.

De vrouw heeft meerdere vorderingen ingesteld die betrekking hebben op de situatie dat de woning alsnog wordt toegedeeld aan de man. De grondslag voor een dergelijke toedeling is echter vervallen door het beroep van de vrouw op ontbinding van de convenanten. Partijen hebben ook (nog) geen afspraken gemaakt over het eventueel alsnog toedelen van de woning aan de man. Deze vorderingen worden daarom afgewezen.

Proceskosten





5.18.
In procedures tussen ex-partners die verband houden met de verdeling van de gemeenschap is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat partijen, zowel in conventie als in reconventie, de eigen proceskosten moeten dragen.





6De beslissing


De voorzieningenrechter



6.1.
veroordeelt de man om na betekening van dit vonnis, zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de gemeenschappelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats] , gemeente Nissewaard, door de makelaar “365 Wonen” en aan de levering van die woning aan de koper(s), waarbij het advies van de makelaar omtrent vraag- en laatprijs doorslaggevend zal zijn als partijen het daarover onderling niet eens worden, en waarbij deze veroordeling van de man in ieder geval inhoudt de verplichting tot:
- invullen en ondertekenen van door de makelaar te leveren formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop;
- aanleveren van de door de makelaar verzochte documenten;
- aan de makelaar vrijelijk toegang tot de woning te verlenen voor het maken van foto’s, het toestaan van bezichtigingen en andere zaken waarvoor de makelaar toegang tot de woning dient te hebben;
- meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs en/of de vraag- en laatprijs;
- meewerken aan foto afspraken;
- meewerken aan geplande bezichtigingen;
- verrichten dan wel doen verrichten van klein onderhoud aan huis en tuin voor zover door de makelaar geadviseerd;
- zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging;
- verrichten van alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en levering van de woning, op aangeven van de makelaar en in een later stadium de notaris, binnen de door hen aangegeven termijnen,



6.2.
bepaalt dat partijen de kosten van de makelaar en de overige kosten, verbonden aan de verkoop van de woning, ieder voor de helft zullen dragen,



6.3.
machtigt de vrouw om, bij gebreke van de vereiste medewerking van de man aan de noodzakelijke feitelijke handelingen voor de verkoop, deze zelf te (laten) verrichten, waaronder: bezichtigingen toe te laten, het maken van foto's door de makelaar mogelijk te maken en zo nodig klein onderhoud aan de woning en de tuin te (doen) verrichten,



6.4.
bepaalt dat, indien de man de in 6.1 bedoelde medewerking aan rechtshandelingen niet verleent, het te wijzen vonnis zo nodig in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de man voor de opdracht aan de makelaar, de verkoopovereenkomst en de notariële levering van de woning aan een derde,



6.5.
veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan de verdeling bij helfte van de netto opbrengst (netto overwaarde), zijnde de opbrengst die resteert van de door de kopers betaalde koopsom nadat de hypothecaire schuld is afgelost en de kosten van verkoop en van levering zoals te vermelden op de nota van afrekening van de notaris daaruit zijn voldaan, zoals de notariskosten, kadasterkosten, eventuele hypotheeklasten, rente en verrekening van gemeentelijke lasten, met dien verstande dat op de helft van die netto opbrengst die aan de vrouw toekomt, in mindering wordt gebracht het door de man reeds aan de vrouw betaalde bedrag van € 76.000,-, zodat slechts het verschil aan haar wordt uitbetaald, terwijl € 76.000,- wordt opgeteld bij de helft van de netto opbrengst die de man toekomt, zodat die optelsom aan hem wordt uitbetaald,



6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,



6.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.



4049 / 638