Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9547
2026-08-04
Strafrecht
10-053788-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Jeugdstrafrecht. Beroving op juwelierszaak.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.695 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10-053788-26
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2010,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende op het adres: [adres] in [stad] ( [land] ),
raadsman mr. R.F. Nelisse, advocaat in Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 juli 2026.
2Tenlastelegging
De verdachte wordt verdacht van twee strafbare feiten, te weten:
feit 1: een gewapende beroving van een juwelier;
feit 2: verboden wapenbezit.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie, mr. R.J.E. Planken, heeft gevorderd:
bewezenverklaring van feit 1 en 2;
veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 223 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;
veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 uur, bij niet-voltooiing te vervangen met 30 dagen jeugddetentie.
4Waardering van het bewijs
Feit 1 en 2 zijn door de verdachte bekend. Gelet daarop en de overige bewijsmiddelen uit bijlage II worden deze feiten bewezen verklaard.
De verdachte heeft de feiten begaan op die wijze dat:
1
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Schiedam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meer sieraden, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan juwelier [naam juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te roepen: "kijk niet" en/of "ga op de grond liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- een alarm- c.q. startpistool te richten op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en//of
- een of meer vitrines in te slaan;
2
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Schiedam,
een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie,
te weten een, alarm- c.q. startpistool, merk/type Bbm Bruni P4, kaliber 8mm knal,
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7Motivering straf
7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft op vijftienjarige leeftijd samen met anderen een gewapende overval op een juwelierswinkel gepleegd. Uit het dossier blijkt dat hij zich al langere tijd via het internet oriënteerde op het plegen van een overval. Samen met een medeverdachte is hij op 20 februari 2026 in Schiedam de juwelierswinkel binnengegaan met een vuurwapen. Zijn medeverdachte heeft verschillende vitrines met een hamer kapotgeslagen en sieraden uit de winkel meegenomen terwijl de verdachte een vuurwapen op de drie medewerkers gericht hield en hun toeriep om te gaan liggen. Dit heeft – los van de enorme materiële schade – geleid tot psychische schade bij de medewerkers van de juwelier. Uit de toelichting bij de verzoeken tot schadevergoeding die door hen zijn ingediend blijkt dat het incident een grote impact op hen heeft gehad en dat zij nog altijd (ernstige) klachten ondervinden van de overval. Voor die gevolgen is de verdachte, samen met zijn mededaders, verantwoordelijk. De verdachte heeft deze gevolgen op dat moment kennelijk op de koop toegenomen en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. Meer algemeen, en zeker wanneer daarbij wapens in het spel zijn, veroorzaken dit soort feiten sterke gevoelens van onrust binnen de maatschappij.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 22 februari 2026 blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 1 juli 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt.
Uit dit rapport blijkt het volgende.
Er is momenteel sprake van een positieve schoolgang: de verdachte heeft in het verleden moeite gehad op school, maar heeft zich herpakt met behulp van een leertraject. Daarnaast heeft de verdachte een gestructureerde invulling van zijn vrije tijd en ontvangt hij in België begeleiding van een jongerencoach vanuit Arktos. Er zijn enige zorgen over de houding van de verdachte en zijn tekortschietende vaardigheden. De jongerencoach heeft in overleg met school voorgesteld om een persoonlijkheidsonderzoek bij de verdachte af te nemen om advies te krijgen over het verbeteren van zijn vaardigheden en wat hij daarbij nodig heeft. Het algemeen recidiverisico en dynamisch risicoprofiel komen uit als laag. De Raad is van mening dat het belangrijk is dat de verdachte zich blijft richten op het behalen van zijn diploma, zijn vrijetijdsbesteding leeftijdsadequaat blijft invullen, ervoor zorgt dat hij uit de problemen blijft en dat hij meewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek.
Bij een veroordeling is de Raad van mening dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie het meest passend is, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Het is belangrijk dat de verdachte naar school gaat volgens zijn rooster en meewerkt aan de begeleiding vanuit Arktos. Het is volgens de Raad enkel mogelijk om algemene voorwaarden te adviseren, aangezien er geen jeugdreclasseringstoezicht vanuit Nederland mogelijk is om toe te zien op bijzondere voorwaarden.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten (15 jaar) is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.
Deze doelstellingen van het jeugdstrafrecht doen er niet aan af dat de ernst van de feiten oplegging van jeugddetentie vergen. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank legt een jeugddetentie op van 223 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De duur van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank acht een terugkeer naar de jeugdgevangenis niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie verbindt de rechtbank alleen de algemene voorwaarde. Die voorwaarde houdt in dat als de verdachte een nieuw strafbaar feit begaat, de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer gelegd kan worden. Omdat de verdachte woonachtig is in België en als gevolg van het andere (jeugd)strafrechtsysteem in België is toezicht op bijzondere voorwaarden in dit geval niet uitvoerbaar.
Daarnaast legt de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, ook een werkstraf van 60 uren op. De verdediging heeft betoogd dat een werkstraf een grote (financiële) belasting voor de verdachte met zich meebrengt, gezien de kosten om naar Nederland te reizen om de werkstraf uit te voeren. De rechtbank acht het echter passend om een werkstraf op te leggen naast de (deels) voorwaardelijke jeugddetentie omdat daarmee de ernst van de feiten en de gevolgen van zijn handelen voor de verdachte worden benadrukt. Bovendien hoeft de verdachte de werkstraf niet in de omgeving van Rotterdam uit te voeren, dit kan ook in een regio dichtbij de grens met België.
8Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
8.1.
Ingestelde vorderingen
Drie personen hebben als benadeelde partij een vordering in dit strafproces ingesteld in verband met feit 1:
[slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 4.139,33 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade;
[slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade;
[slachtoffer 3] vordert een bedrag van € 20,09 aan materiële schade en een bedrag van € 8.500,- aan immateriële schade.
Alle benadeelde partijen vorderen dat de toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente en verzoeken oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft verzocht de toe te wijzen bedragen hoofdelijk op te leggen.
8.3.
Standpunt verdediging
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot schadevergoeding niet te verhalen zijn op de verdachte en dat, op grond van artikel 6:164 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, de moeder van de verdachte aansprakelijk gesteld had moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade door benadeelde partij [slachtoffer 1] onvoldoende is onderbouwd en merkt de verdediging met betrekking tot de gevorderde immateriële schade op dat volgens de Rotterdamse Schaal maximaal € 3.000,- kan worden toegewezen.
8.4.
Beoordeling
Verweer op grond van artikel 6:164 lid 2 BW
De verdachte die ten tijde van het strafbare feit vijftien jaar oud was, is gelet op het bepaalde in art. 6:164 BW zelf aansprakelijk voor de schade die hij heeft aangericht. Gelet op het bepaalde in art. 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering kunnen de tegen de verdachte ingediende vorderingen in het strafproces niet worden geacht te zijn gericht tegen de moeder van de verdachte, zodat het verweer dat de verkeerde partij wordt aangesproken, ook procedureel niet opgaat.
Vordering [slachtoffer 1]
Materiële schade
Deze benadeelde partij vraagt om schadevergoeding voor de volgende posten:
a. eigen risico bedrijfsverzekeraar (€ 2.232,75);
b. reiskosten EMDR-therapie (€ 211,20);
c. kosten opvragen behandeldocumentatie (€ 109,19);
d. consultancy/kosten administratieve afwikkeling [naam bedrijf] . (€ 3.190,62, deze laatste post te verminderen met vennootschaps- en inkomstenbelasting (€ 823,18 en € 781,25)).
a. Eigen risico
De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor het eigen risico naar aanleiding van de schade die was veroorzaakt door de overval. Het verzochte bedrag van € 2.232,75 zal worden toegewezen. Uit de overgelegde stukken volgt voldoende dat de benadeelde partij deze kosten als gevolg van feit 1 zelf heeft moeten dragen. Het verweer dat niet duidelijk is welke schade al door de verzekeraar is vergoed, kan de verdachte in dit verband niet baten. Het eigen risico is immers naar zijn aard het deel van de schade dat niet vergoed is. De schade in de winkel is evident veel meer dan het eigen risico.
reiskosten en EDMR-therapie en c) kosten opvragen behandeldocumentatie
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor wat betreft de posten b) en c)
rechtstreeks voortvloeit uit feit 1 en dat deze schade, nu die voldoende is onderbouwd en door de verdediging niet gemotiveerd is betwist, volledig voor vergoeding in aanmerking komt. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 320,39.
d) Consultancy/kosten administratieve afwikkeling [naam bedrijf] .
De benadeelde partij heeft een (netto) vergoeding gevorderd in verband met kosten die zijn gemaakt door [naam bedrijf] ., omdat [naam bedrijf] . heeft geholpen met de administratieve afwikkeling na de overval op de juwelier. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Uit de overgelegde stukken blijkt niet waarop deze kosten concreet betrekking hebben, welke werkzaamheden zijn verricht en in hoeverre deze werkzaamheden rechtstreeks samenhangen met feit 1. De toelichting van de raadsman van de benadeelde partij op de zitting dat [naam bedrijf] . de juwelier heeft ondersteund om de onderneming weer op de rails te krijgen, biedt daarvoor onvoldoende inzicht. Nu voldoende informatie ontbreekt, kan de rechtbank deze schadepost niet beoordelen.
Per saldo zal de rechtbank een bedrag van € 2.553,14 aan materiële schade toewijzen.
Immateriële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door feit 1 ook rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is het slachtoffer geworden van een gewapende overval, gepleegd door meerdere daders, waarbij is gedreigd met een vuurwapen. Uit de vordering en de aangeleverde stukken volgt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld, waarvoor zij behandeling ondergaat. Gebleken is dat het feit een enorme impact op de benadeelde partij heeft gehad en dat zij tot op heden nog steeds een groot gevoel van onveiligheid ervaart en last heeft van de gevolgen van het bewezenverklaarde strafbare feit in haar dagelijkse leven. Er is sprake van een aantasting in de persoon, omdat er sprake is van geestelijk letsel (artikel 6:106 sub b BW). De gestelde schade is genoegzaam onderbouwd en zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.500,-. Gelet op de onderbouwing heeft de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag aan schadevergoeding aansluiting gezocht bij categorie 14.2 (d) van de Rotterdamse Schaal. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal tot voornoemd bedrag worden toegewezen.
Vordering [slachtoffer 2]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door feit 1 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is het slachtoffer geworden van een gewapende overval, gepleegd door meerdere daders, waarbij is gedreigd met een vuurwapen. Uit de vordering volgt dat de benadeelde partij kampt met gevoelens van angst waardoor zij wordt gehinderd in haar werk en het dagelijkse leven. Er is sprake van een aantasting in de persoon (artikel 6:106 sub b BW). De gestelde schade is genoegzaam onderbouwd en zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 3.000,-. Gelet op de onderbouwing heeft de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag aan schadevergoeding aansluiting gezocht bij categorie 19.1 (b) van de Rotterdamse Schaal. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal tot voornoemd bedrag worden toegewezen.
Vordering [slachtoffer 3]
Immateriële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door feit 1 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is het slachtoffer geworden van een gewapende overval, gepleegd door meerdere daders, waarbij is gedreigd met een vuurwapen. Uit de vordering en de aangeleverde stukken volgt dat zij is aangemeld voor een nazorgtraject door stichting D.O.E.N., waar zij drie behandelafspraken heeft gehad en waarbij er bij de aanmelding werd gerapporteerd dat zij klachten heeft die passen bij PTSS. Gebleken is dat het feit veel impact op haar heeft gehad en dat zij nog steeds gevoelens van boosheid ervaart. Er is sprake van een aantasting in de persoon, omdat er sprake is van geestelijk letsel (artikel 6:106 sub b BW). De gestelde schade is genoegzaam onderbouwd en zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.500,-. Gelet op de onderbouwing heeft de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag aan schadevergoeding aansluiting gezocht bij categorie 14.2 (d) van de Rotterdamse Schaal. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal tot voornoemd bedrag worden toegewezen.
Materiële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door feit 1 rechtstreeks ook materiële schade is toegebracht, namelijk voor de aanschaf van medicatie. Zoals hierboven al is overwogen, ervaarde de benadeelde partij psychische gevolgen waarvoor zij medicatie nodig had. De gevorderde schadevergoeding voor een bedrag van € 20,09 is onderbouwd met een factuur. De rechtbank zal de vordering voor dit bedrag toewijzen.
8.5.
Conclusie
De verdachte moet schadevergoeding betalen:
hij moet [slachtoffer 1] een schadevergoeding betalen van € 8.053,14;
hij moet [slachtoffer 2] een schadevergoeding betalen van € 3.000,-;
hij moet [slachtoffer 3] een schadevergoeding betalen van € 5.520,09.
Hierbij geldt nog het volgende:
Alle toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum (20 februari 2026).
Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is passend en geboden. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Alle veroordelingen tot schadevergoeding en tot betaling aan de staat zijn hoofdelijk met de mededaders; indien en voor zover de mededaders een benadeelde partij of de staat betalen is de verdachte in zoverre jegens deze benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen (in overwegende mate) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen niet zijn toegewezen, worden zij in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring, strafbaarheid en straffen
a. verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 223 (tweehonderd drieëntwintig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie voor groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een 2 (twee) jaren;
i. tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren;
beveelt dat, voor het geval de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
Schadevergoeding voor [slachtoffer 1]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 8.053,14 (zegge: achtduizend drieënvijftig euro en veertien cent), bestaande uit
€ 2.553,14 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 8.053,14 (hoofdsom, zegge: achtduizend drieënvijftig euro en veertien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
Schadevergoeding voor [slachtoffer 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 3.000,- (hoofdsom, zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
Schadevergoeding voor [slachtoffer 3]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 5.520,09 (zegge: vijfduizend vijfhonderdtwintig euro en negen cent), bestaande uit € 20,09 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] te betalen € 5.520,09 (hoofdsom, zegge: vijfduizend vijfhonderdtwintig euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
Voor alle vorderingen tot schadevergoeding
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan ieder van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag van de desbetreffende benadeelde partij;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door ieder van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
verstaat dat betaling aan ieder van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de desbetreffende benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.A.J. de Nijs en S. Putting, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van U. Ramihal-Poeran, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Schiedam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meer sieraden, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan juwelier [naam juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, door:
- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te roepen: "kijk niet" en/of "ga op de grond liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- een alarm- c.q. startpistool te richten op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en//of
- een of meer vitrines in te slaan;
2
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Schiedam,
een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie,
te weten een, alarm- c.q. startpistool, merk/type Bbm Bruni P4, kaliber 8mm knal,
voorhanden heeft gehad.
Hoewel de verdachte in België woont, wordt zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde partijen beheerst door Nederlands recht nu de benadeelde partijen hun schade in Nederland hebben geleden.
Team jeugd
Parketnummer: 10-053788-26
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2010,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende op het adres: [adres] in [stad] ( [land] ),
raadsman mr. R.F. Nelisse, advocaat in Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 juli 2026.
2Tenlastelegging
De verdachte wordt verdacht van twee strafbare feiten, te weten:
feit 1: een gewapende beroving van een juwelier;
feit 2: verboden wapenbezit.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie, mr. R.J.E. Planken, heeft gevorderd:
bewezenverklaring van feit 1 en 2;
veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 223 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;
veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 uur, bij niet-voltooiing te vervangen met 30 dagen jeugddetentie.
4Waardering van het bewijs
Feit 1 en 2 zijn door de verdachte bekend. Gelet daarop en de overige bewijsmiddelen uit bijlage II worden deze feiten bewezen verklaard.
De verdachte heeft de feiten begaan op die wijze dat:
1
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Schiedam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meer sieraden, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan juwelier [naam juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te roepen: "kijk niet" en/of "ga op de grond liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- een alarm- c.q. startpistool te richten op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en//of
- een of meer vitrines in te slaan;
2
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Schiedam,
een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie,
te weten een, alarm- c.q. startpistool, merk/type Bbm Bruni P4, kaliber 8mm knal,
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7Motivering straf
7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft op vijftienjarige leeftijd samen met anderen een gewapende overval op een juwelierswinkel gepleegd. Uit het dossier blijkt dat hij zich al langere tijd via het internet oriënteerde op het plegen van een overval. Samen met een medeverdachte is hij op 20 februari 2026 in Schiedam de juwelierswinkel binnengegaan met een vuurwapen. Zijn medeverdachte heeft verschillende vitrines met een hamer kapotgeslagen en sieraden uit de winkel meegenomen terwijl de verdachte een vuurwapen op de drie medewerkers gericht hield en hun toeriep om te gaan liggen. Dit heeft – los van de enorme materiële schade – geleid tot psychische schade bij de medewerkers van de juwelier. Uit de toelichting bij de verzoeken tot schadevergoeding die door hen zijn ingediend blijkt dat het incident een grote impact op hen heeft gehad en dat zij nog altijd (ernstige) klachten ondervinden van de overval. Voor die gevolgen is de verdachte, samen met zijn mededaders, verantwoordelijk. De verdachte heeft deze gevolgen op dat moment kennelijk op de koop toegenomen en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. Meer algemeen, en zeker wanneer daarbij wapens in het spel zijn, veroorzaken dit soort feiten sterke gevoelens van onrust binnen de maatschappij.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 22 februari 2026 blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 1 juli 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt.
Uit dit rapport blijkt het volgende.
Er is momenteel sprake van een positieve schoolgang: de verdachte heeft in het verleden moeite gehad op school, maar heeft zich herpakt met behulp van een leertraject. Daarnaast heeft de verdachte een gestructureerde invulling van zijn vrije tijd en ontvangt hij in België begeleiding van een jongerencoach vanuit Arktos. Er zijn enige zorgen over de houding van de verdachte en zijn tekortschietende vaardigheden. De jongerencoach heeft in overleg met school voorgesteld om een persoonlijkheidsonderzoek bij de verdachte af te nemen om advies te krijgen over het verbeteren van zijn vaardigheden en wat hij daarbij nodig heeft. Het algemeen recidiverisico en dynamisch risicoprofiel komen uit als laag. De Raad is van mening dat het belangrijk is dat de verdachte zich blijft richten op het behalen van zijn diploma, zijn vrijetijdsbesteding leeftijdsadequaat blijft invullen, ervoor zorgt dat hij uit de problemen blijft en dat hij meewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek.
Bij een veroordeling is de Raad van mening dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie het meest passend is, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Het is belangrijk dat de verdachte naar school gaat volgens zijn rooster en meewerkt aan de begeleiding vanuit Arktos. Het is volgens de Raad enkel mogelijk om algemene voorwaarden te adviseren, aangezien er geen jeugdreclasseringstoezicht vanuit Nederland mogelijk is om toe te zien op bijzondere voorwaarden.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van de strafbare feiten (15 jaar) is het jeugdstrafrecht van toepassing. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk minder op het straffen zelf, en meer op gedragsverandering, begeleiding en heropvoeding van minderjarigen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van hun ontwikkeling.
Deze doelstellingen van het jeugdstrafrecht doen er niet aan af dat de ernst van de feiten oplegging van jeugddetentie vergen. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank legt een jeugddetentie op van 223 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De duur van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank acht een terugkeer naar de jeugdgevangenis niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie verbindt de rechtbank alleen de algemene voorwaarde. Die voorwaarde houdt in dat als de verdachte een nieuw strafbaar feit begaat, de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer gelegd kan worden. Omdat de verdachte woonachtig is in België en als gevolg van het andere (jeugd)strafrechtsysteem in België is toezicht op bijzondere voorwaarden in dit geval niet uitvoerbaar.
Daarnaast legt de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, ook een werkstraf van 60 uren op. De verdediging heeft betoogd dat een werkstraf een grote (financiële) belasting voor de verdachte met zich meebrengt, gezien de kosten om naar Nederland te reizen om de werkstraf uit te voeren. De rechtbank acht het echter passend om een werkstraf op te leggen naast de (deels) voorwaardelijke jeugddetentie omdat daarmee de ernst van de feiten en de gevolgen van zijn handelen voor de verdachte worden benadrukt. Bovendien hoeft de verdachte de werkstraf niet in de omgeving van Rotterdam uit te voeren, dit kan ook in een regio dichtbij de grens met België.
8Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
8.1.
Ingestelde vorderingen
Drie personen hebben als benadeelde partij een vordering in dit strafproces ingesteld in verband met feit 1:
[slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 4.139,33 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade;
[slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade;
[slachtoffer 3] vordert een bedrag van € 20,09 aan materiële schade en een bedrag van € 8.500,- aan immateriële schade.
Alle benadeelde partijen vorderen dat de toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente en verzoeken oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft verzocht de toe te wijzen bedragen hoofdelijk op te leggen.
8.3.
Standpunt verdediging
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot schadevergoeding niet te verhalen zijn op de verdachte en dat, op grond van artikel 6:164 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, de moeder van de verdachte aansprakelijk gesteld had moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade door benadeelde partij [slachtoffer 1] onvoldoende is onderbouwd en merkt de verdediging met betrekking tot de gevorderde immateriële schade op dat volgens de Rotterdamse Schaal maximaal € 3.000,- kan worden toegewezen.
8.4.
Beoordeling
Verweer op grond van artikel 6:164 lid 2 BW
De verdachte die ten tijde van het strafbare feit vijftien jaar oud was, is gelet op het bepaalde in art. 6:164 BW zelf aansprakelijk voor de schade die hij heeft aangericht. Gelet op het bepaalde in art. 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering kunnen de tegen de verdachte ingediende vorderingen in het strafproces niet worden geacht te zijn gericht tegen de moeder van de verdachte, zodat het verweer dat de verkeerde partij wordt aangesproken, ook procedureel niet opgaat.
Vordering [slachtoffer 1]
Materiële schade
Deze benadeelde partij vraagt om schadevergoeding voor de volgende posten:
a. eigen risico bedrijfsverzekeraar (€ 2.232,75);
b. reiskosten EMDR-therapie (€ 211,20);
c. kosten opvragen behandeldocumentatie (€ 109,19);
d. consultancy/kosten administratieve afwikkeling [naam bedrijf] . (€ 3.190,62, deze laatste post te verminderen met vennootschaps- en inkomstenbelasting (€ 823,18 en € 781,25)).
a. Eigen risico
De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor het eigen risico naar aanleiding van de schade die was veroorzaakt door de overval. Het verzochte bedrag van € 2.232,75 zal worden toegewezen. Uit de overgelegde stukken volgt voldoende dat de benadeelde partij deze kosten als gevolg van feit 1 zelf heeft moeten dragen. Het verweer dat niet duidelijk is welke schade al door de verzekeraar is vergoed, kan de verdachte in dit verband niet baten. Het eigen risico is immers naar zijn aard het deel van de schade dat niet vergoed is. De schade in de winkel is evident veel meer dan het eigen risico.
reiskosten en EDMR-therapie en c) kosten opvragen behandeldocumentatie
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor wat betreft de posten b) en c)
rechtstreeks voortvloeit uit feit 1 en dat deze schade, nu die voldoende is onderbouwd en door de verdediging niet gemotiveerd is betwist, volledig voor vergoeding in aanmerking komt. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 320,39.
d) Consultancy/kosten administratieve afwikkeling [naam bedrijf] .
De benadeelde partij heeft een (netto) vergoeding gevorderd in verband met kosten die zijn gemaakt door [naam bedrijf] ., omdat [naam bedrijf] . heeft geholpen met de administratieve afwikkeling na de overval op de juwelier. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Uit de overgelegde stukken blijkt niet waarop deze kosten concreet betrekking hebben, welke werkzaamheden zijn verricht en in hoeverre deze werkzaamheden rechtstreeks samenhangen met feit 1. De toelichting van de raadsman van de benadeelde partij op de zitting dat [naam bedrijf] . de juwelier heeft ondersteund om de onderneming weer op de rails te krijgen, biedt daarvoor onvoldoende inzicht. Nu voldoende informatie ontbreekt, kan de rechtbank deze schadepost niet beoordelen.
Per saldo zal de rechtbank een bedrag van € 2.553,14 aan materiële schade toewijzen.
Immateriële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door feit 1 ook rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is het slachtoffer geworden van een gewapende overval, gepleegd door meerdere daders, waarbij is gedreigd met een vuurwapen. Uit de vordering en de aangeleverde stukken volgt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld, waarvoor zij behandeling ondergaat. Gebleken is dat het feit een enorme impact op de benadeelde partij heeft gehad en dat zij tot op heden nog steeds een groot gevoel van onveiligheid ervaart en last heeft van de gevolgen van het bewezenverklaarde strafbare feit in haar dagelijkse leven. Er is sprake van een aantasting in de persoon, omdat er sprake is van geestelijk letsel (artikel 6:106 sub b BW). De gestelde schade is genoegzaam onderbouwd en zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.500,-. Gelet op de onderbouwing heeft de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag aan schadevergoeding aansluiting gezocht bij categorie 14.2 (d) van de Rotterdamse Schaal. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal tot voornoemd bedrag worden toegewezen.
Vordering [slachtoffer 2]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door feit 1 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is het slachtoffer geworden van een gewapende overval, gepleegd door meerdere daders, waarbij is gedreigd met een vuurwapen. Uit de vordering volgt dat de benadeelde partij kampt met gevoelens van angst waardoor zij wordt gehinderd in haar werk en het dagelijkse leven. Er is sprake van een aantasting in de persoon (artikel 6:106 sub b BW). De gestelde schade is genoegzaam onderbouwd en zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 3.000,-. Gelet op de onderbouwing heeft de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag aan schadevergoeding aansluiting gezocht bij categorie 19.1 (b) van de Rotterdamse Schaal. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal tot voornoemd bedrag worden toegewezen.
Vordering [slachtoffer 3]
Immateriële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door feit 1 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is het slachtoffer geworden van een gewapende overval, gepleegd door meerdere daders, waarbij is gedreigd met een vuurwapen. Uit de vordering en de aangeleverde stukken volgt dat zij is aangemeld voor een nazorgtraject door stichting D.O.E.N., waar zij drie behandelafspraken heeft gehad en waarbij er bij de aanmelding werd gerapporteerd dat zij klachten heeft die passen bij PTSS. Gebleken is dat het feit veel impact op haar heeft gehad en dat zij nog steeds gevoelens van boosheid ervaart. Er is sprake van een aantasting in de persoon, omdat er sprake is van geestelijk letsel (artikel 6:106 sub b BW). De gestelde schade is genoegzaam onderbouwd en zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.500,-. Gelet op de onderbouwing heeft de rechtbank bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag aan schadevergoeding aansluiting gezocht bij categorie 14.2 (d) van de Rotterdamse Schaal. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal tot voornoemd bedrag worden toegewezen.
Materiële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door feit 1 rechtstreeks ook materiële schade is toegebracht, namelijk voor de aanschaf van medicatie. Zoals hierboven al is overwogen, ervaarde de benadeelde partij psychische gevolgen waarvoor zij medicatie nodig had. De gevorderde schadevergoeding voor een bedrag van € 20,09 is onderbouwd met een factuur. De rechtbank zal de vordering voor dit bedrag toewijzen.
8.5.
Conclusie
De verdachte moet schadevergoeding betalen:
hij moet [slachtoffer 1] een schadevergoeding betalen van € 8.053,14;
hij moet [slachtoffer 2] een schadevergoeding betalen van € 3.000,-;
hij moet [slachtoffer 3] een schadevergoeding betalen van € 5.520,09.
Hierbij geldt nog het volgende:
Alle toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum (20 februari 2026).
Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is passend en geboden. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Alle veroordelingen tot schadevergoeding en tot betaling aan de staat zijn hoofdelijk met de mededaders; indien en voor zover de mededaders een benadeelde partij of de staat betalen is de verdachte in zoverre jegens deze benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen (in overwegende mate) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen niet zijn toegewezen, worden zij in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring, strafbaarheid en straffen
a. verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 223 (tweehonderd drieëntwintig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie voor groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een 2 (twee) jaren;
i. tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren;
beveelt dat, voor het geval de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
Schadevergoeding voor [slachtoffer 1]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 8.053,14 (zegge: achtduizend drieënvijftig euro en veertien cent), bestaande uit
€ 2.553,14 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 8.053,14 (hoofdsom, zegge: achtduizend drieënvijftig euro en veertien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
Schadevergoeding voor [slachtoffer 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 3.000,- (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 3.000,- (hoofdsom, zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
Schadevergoeding voor [slachtoffer 3]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 5.520,09 (zegge: vijfduizend vijfhonderdtwintig euro en negen cent), bestaande uit € 20,09 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] te betalen € 5.520,09 (hoofdsom, zegge: vijfduizend vijfhonderdtwintig euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
Voor alle vorderingen tot schadevergoeding
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan ieder van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag van de desbetreffende benadeelde partij;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door ieder van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
verstaat dat betaling aan ieder van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de desbetreffende benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.A.J. de Nijs en S. Putting, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van U. Ramihal-Poeran, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Schiedam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meer sieraden, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan juwelier [naam juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, door:
- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te roepen: "kijk niet" en/of "ga op de grond liggen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- een alarm- c.q. startpistool te richten op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en//of
- een of meer vitrines in te slaan;
2
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te Schiedam,
een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie,
te weten een, alarm- c.q. startpistool, merk/type Bbm Bruni P4, kaliber 8mm knal,
voorhanden heeft gehad.
Hoewel de verdachte in België woont, wordt zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde partijen beheerst door Nederlands recht nu de benadeelde partijen hun schade in Nederland hebben geleden.